DEEL 1 — SYSTEEMDENKEN
1. Wat is systeemdenken?
Kernidee
Bij systeemdenken kijk je niet alleen naar de individuele persoon, maar vooral naar:
de relaties tussen personen;
de communicatie;
relatiepatronen;
de groep of het gezin als geheel;
de omgeving/context.
Een systeem kan bijvoorbeeld zijn:
een gezin;
een leefgroep;
een vriendengroep;
een verpleegkundig team;
een organisatie;
een ziekenhuis.
De centrale gedachte:
Een persoon kan je pas goed begrijpen wanneer je ook kijkt naar het systeem waarvan die
persoon deel uitmaakt.
De systeemtheorie is dus als een bril waarmee je anders naar de werkelijkheid kijkt.
Belangrijk
Binnen systeemdenken:
communicatie = interactie = gedrag = beïnvloeding
Alles wat iemand doet, beïnvloedt het systeem.
Ook niet-verbale en onbewuste signalen zijn belangrijk.
1
,2. Wat is een systeem?
Een systeem is:
Een samenspel van elementen en de betrekkingen tussen die elementen, waarbij de
elementen onderling afhankelijk zijn en samen als geheel functioneren.
Bij sociale systemen zijn de elementen meestal mensen.
Belangrijk:
Het systeem wordt niet alleen bepaald door wie de personen zijn, maar vooral door:
hoe ze met elkaar omgaan;
welke relaties ze hebben;
welke patronen ontstaan;
hoe ze elkaar beïnvloeden.
Voorbeeld
Een verpleegkundig team kan bestaan uit allemaal competente verpleegkundigen, maar toch
slecht functioneren wanneer:
communicatie slecht is;
mensen elkaar niet vertrouwen;
bepaalde personen worden uitgesloten;
conflicten blijven bestaan.
Het probleem zit dan niet noodzakelijk bij één persoon, maar in het systeem en de
interacties.
3. Kader en context
Systeemdenken betekent dat je:
breder kijkt;
de omgeving meeneemt;
het geheel bekijkt;
de persoon ziet als onderdeel van een groter systeem;
probeert te begrijpen hoe verschillende onderdelen elkaar beïnvloeden.
2
,Dus:
❌ "Waarom doet deze patiënt zo moeilijk?"
maar eerder:
✅ "Wat speelt er binnen het systeem waardoor deze persoon zich op deze manier
gedraagt?"
De context wordt niet gebruikt om schuldige oorzaken uit het verleden te zoeken.
De bedoeling is om beter te begrijpen:
Wat speelt er NU bij deze persoon?
4. De belangrijkste uitgangspunten van de systeemtheorie
4.1 Het geheel is meer dan de som van de delen
Dit wordt ook niet-optelbaarheid genoemd.
Een gezin is bijvoorbeeld meer dan:
vader + moeder + kinderen.
Het gezin heeft een eigen karakter, dynamiek en relatiepatronen.
Onthouden:
Geheel ≠ optelsom van individuen.
Wanneer één deel verandert, kan het hele systeem veranderen.
4.2 Het systeem bepaalt in belangrijke mate het gedrag van individuen
Gedrag wordt beïnvloed door:
de persoon zelf;
het systeem;
de omgeving.
Een verpleegkundige kan bijvoorbeeld heel onzeker zijn in een team waarin ze weinig steun
krijgt, terwijl ze in een ander team juist heel zelfverzekerd functioneert.
Onthouden:
Gedrag staat nooit volledig los van de context.
4.3 Een systeem past zich aan zijn omgeving aan
3
, Een systeem probeert te overleven.
Daarom zal het zich aanpassen wanneer de omgeving verandert.
Voorbeeld
Een ziekenhuis verandert zijn werking omdat de zorgbehoeften van de bevolking veranderen.
4.4 Een systeem probeert zichzelf te handhaven
Een systeem kan blijven voortbestaan, zelfs wanneer het eigenlijk niet meer goed
functioneert.
Het systeem probeert zichzelf te behouden.
Voorbeeld
Een organisatie die eigenlijk niet meer nodig is, kan haar werking aanpassen en een nieuwe
functie aannemen om te blijven bestaan.
5. Kenmerken van open systemen
Sociale systemen zijn open systemen.
Ze staan voortdurend in contact met hun omgeving.
5.1 Verschillende niveaus
Je kunt zelf bepalen op welk niveau je een systeem bekijkt.
Bijvoorbeeld:
een gezin kan een systeem zijn;
maar datzelfde gezin kan ook onderdeel zijn van een wijk;
een verpleegkundig team kan een systeem zijn;
maar ook onderdeel van een ziekenhuis.
Belangrijk:
De keuze van het systeemniveau moet zinvol zijn en helpen om de situatie beter te
begrijpen.
5.2 Tijdselement
4