Verschillende soorten terminologie
Systematische anatomie = verschillende functionele stelsels in aparte hoofdstukken
Topografische anatomie = de verschillende stelsels worden in topografisch verband geplaatst
Regionale anatomie = behandelt de anatomie op basis van natuurlijke gebieden in het
lichaam bv. arm, been
De anatomische positie
Recht Link
s
Anatomische termen
Vier denkbeeldige vlakken door het lichaam in anatomische positie
- Sagittaal = elke verticale snede die het lichaam in een linker- en rechterdeel verdeelt.
Dit vlak loopt evenwijdig aan de middellijn, maar hoeft er niet precies doorheen te
lopen (paramediaan)
Midsagittaal = een sagittaal vlak dat precies door het midden loopt
- Coronaal / frontaal = verticaal vlak dat van links naar rechts door het lichaam loopt en
loodrecht op het sagittale vlak staat. Het verdeelt het lichaam in een voor- en
achterkant
- Transversaal / horizontaal / axiaal = horizontale vlak dat loodrecht op zowel de
sagittale als de coronale vlakken staat (loodrecht op de lengte as van het lichaam of
lidmaat). Het verdeelt het lichaam / een orgaan in een boven- en onderkant
De relatie van een structuur tov een andere structuur
1) Anterior = vooraan, meer naar de voorzijde van het lichaam
Posterior = achteraan, meer naar de achterzijde van het lichaam
, Bij de mens zijn deze termen gelijk aan ventraal (aan de buikzijde) en dorsaal (aan
de rugzijde)
De hand : anterior oppervlak = palmair oppervlak (handpalm) en posterior oppervlak
= dorsum manus (handrug)
2) Superior = hoger, meer naar de kruin van het hoofd toe
Inferior = lager, meer naar de voetzolen toe
Gelijk aan craniaal (meer naar het hoofd toe) en caudaal (meer naar de staart toe)
De voet : inferior oppervlak = plantaire oppervlak (voetzool) en superior oppervlak =
dorsum pedis (voetrug)
3) Mediaal = meer naar het mediane vlak toe
Lateraal = verder van het mediane vlak weg
4) Proximaal = dichter naar de romp toe
Distaal = verder van de romp weg
5) Superficialis = oppervlakkig
Profundus = diep
6) Internus = aan de binnenzijde van een orgaan of holte
Externus = aan de buitenzijde van een orgaan of holte
7) Ipsilateraal = aan dezelfde zijde van het lichaam
Contralateraal = aan de tegengestelde zijde van het lichaam
Bewegingen
Bewegingen gebeuren in gewrichten waar twee of meer botstukken elkaar raken
1) Flexie = buiging, de hoek tussen de bewegende delen verkleinen
Extensie = strekking, de hoek tussen de bewegende delen vergroten
2) Abductie = van de middellijn weg bewegen
Adductie = naar de middellijn toe bewegen
3) Circumductie = combinatie van flexie, extensie, ab- en adductie waarbij een segment
van een conus* wordt beschreven
4) Rotatie = rond de lengteas draaien
Endorotatie = naar mediaal
Exorotatie = naar lateraal
5) Pronatie = beweging in de onderarm waarbij de radius naar mediaal over de ulna draait
(bij afhangende arm kijkt de handpalm naar achter, handpalm op tafel wnr elleboog
90°)
Supinatie = beweging in de onderarm waarbij de radius naar lateraal draait en
evenwijdig met de ulna komt te liggen (bij afhangende arm kijkt de handpalm naar
boven, anatomische positie)
6) Protactie = beweging naar voor
Retractie = beweging naar achter
, 7) Inversie = beweging in de gewrichten van de enkel en voet dat men zijn voetzool van
mediaal bekijkt
Eversie = beweging in de gewrichten van de enkel en voet dat men zijn voetzool van
lateraal bekijkt
Het locomotorische stelsel
1.1 Het skelet
Functies
1) Ondersteunende rol
2) Beschermende rol
3) Bewegende rol
4) Opslagplaats voor mineralen
5) Rol in de bloedaanmaak
Indeling van de botstukken
Lange beenderen langer dan dat ze breed zijn bv. humerus, femur, tibia, metacarpalen
(middenhandsbeentj)
Epifyse (proximaal) = uiteinden
Metafyse = overgang van epifysen naar diafyse
Ter hoogte van de metafyse bevindt zich de groeikraakbeenschijf of
epifysaire schijf
Diafyse = schaft
Metafyse
Epifyse (distaal)
Elk bot is omgeven met periost (stevig beenvlies) behalve ter hoogte van de
gewrichtsoppervlakken van de epifysen
Korte beenderen ongeveer even lang als breed en dik, ze hebben een onregelmatige vorm
en zijn voor een groot deel bedekt met gewrichtsoppervlak
Bv. tarsus (voetwortel), carpus (handwortel)
Sesambotjes korte kleine botstukjes gelegen in de pees van bepaalde spieren
Bv. patella (knieschijf) in de eindpees van een van de dijspieren
, Platte beenderen dunne, vaak gebogen beenderen die bestaan uit een dubbellaag compact
bot met daartussenin een sterk van bloedvaten voorziene spongiosa
Bv. cranium (schedelbeenderen), costae (ribben), scapula (schouderblad), sternum
(borstbeen)
Onregelmatige beenderen botstukken met geen van bovenstaande kenmerken, bestaan
hoofdzakelijk uit spongieus bot omgeven door een dunne laag compact bot
Bv. vertebrae (wervels), sacrum (heiligbeen)
Opbouw van het skelet
Axiale skelet = botstukken die de longitudinale as van het lichaam vormen (kapstok die het
andere ondersteunt)
Cranium, vertebrae, thorax, costae, sternum
Appendiculaire skelet = de overige botstukken, aanhangsels van het axiale skelet
Het bovenste lidmaat wordt door de schoudergordel met de romp verbonden
Het onderste lidmaat wordt door de bekkengordel met de romp verbonden
1.2 De gewrichten = artrologie
De plaats waar twee botten met elkaar in contact komen noemt men een gewricht of
articulatie. Ze laten het skelet toe om te bewegen en houden het skelet samen.
Indeling volgens anatomische bouw
1) Fibreuze gewrichten
De botstukken worden bij elkaar gehouden door stevig, collageenrijk, fibreus
bindweefsel. Er is GEEN gewrichtsholte aanwezig. Ze zijn bijna onbeweeglijk.
- Sutura : twee botstukken in elkaar grijpen met ertussenin bindweefsel, er is geen
beweging mogelijk
bv. suturen tussen de beenderen van het cranium (fibreuze verbindingen
verbenen bij volwassenen
- Syndesmose : de twee botstukken worden verbonden door een membrana
interossea (sterk, bindweefselig blad) of door een ligament (bundel bindweefsel,
koord). Er is een kleien graad van beweging mogelijk
Bv. membrana interossea tussen de ulna en de radius
Bv. een ligament houdt de distale uieinden van de tibia en de fibula samen
- Gomphose : een conisch element (kegelgewricht) wordt dmv. bindweefsel
vastgehouden in een koker
Bv. tand wordt op een onbeweegelijke manier in de tandkasalveool
vastgehouden