Algemene pathologie
1
,I. Definities en diagnostisch proces
Definities
Sowieso vragen op het examen van!
2
,Diagnostisch proces
Methoden
- Belangrijke partnership tussen dierenarts en patholoog → zo veel mogelijk informatie
geven voor diagnose van de patholoog.
- Gestandaardiseerde protocol om niets te vergeten
- Verschil tussen bevindingen (objectieve feiten) en interpretatie (subjectief)
Types onderzoeken
1) Natuurlijk voorkomende ziekte: vaak voorkomende aandoeningen
2) Forensisch: vermoeden dierenmishandeling
➔ Fotografisch documenteren
➔ Bijkomende informatie voor onderzoek (tijdstip, ouderdom letsels)
➔ Staalname voldoende lang bewaren
3) Dood tijdens of na anesthesie
➔ Meestal geen lesies: antwoord niet gevonden, maar wel uitsluiten
➔ Juridische complicaties: alles documenteren
➔ Verhoogde gevoeligheid: kan dat dier kwetsbaarder is voor anesthesie door onderliggende
aandoeningen bv. cardiomyopathie, brachycephaal, systemische aandoening
4) Experimentele ziekte/toxicoptahologie
➔ Vereist dat patholoog betrokken is: gestandaardiseerd autopsieprotocol & staalname
volgens GLP (Good Laboratory Practice)
➔ Scoring van de letsels en controlegroep vergelijken
5) Telepathologie
➔ Virtuele microscopie en slide scanners (internationalisering, interdisciplinair)
3
, Macroscopisch onderzoek
= alles met het blote oog waarneembaar
Systematische benadering
= gestandaardiseerde werking volgens protocol en zonder achtergrondinformatie
Snijvaardigheden → kijken & palperen → beschrijven → interpreteren → diagnose
➔ Morfologische/pathologische diagnose = interpretatie feiten (≠ etiologische diagnose ~
oorzaak) → locatie letsel en aard respons tov noxe
1) Patroonherkenning: herkenning → interpretatie → correlatie
2) Hypothetisch-deductief: geen directe herkenning lesie → categorisatie lesie ~
respons op noxe
Probleem-georiënteerd werken
= probleem gegeven/gekend
➔ Volledige autopsie doen maar specifieke aandacht voor bepaalde organen
➔ Bij voldoende anamnese of bij wetenschappelijk onderzoek
Ouderdomsgerelateerde veranderingen en andere incidentele lesies
= veranderingen gerelateerd aan de ouderdom, maar niet per se
gelinkt aan sterfte dier
Vb: cholesteatoma = cholesterol granuloma’s thv plexus
choroideus: pathologisch vanaf bepaalde grootte (druk op
hersendelen) → meeste paarden niet pathologisch!
Vb: siderofibrose milt hond
Postmortemveranderingen
= letsels veroorzaakt door de dood en niet te verwarren is met premortem letsels → opgenomen
in verslag
~ sterfte, lichaamsT, omgeving
➔ Onderscheid maken: bij letsels, scheuren verwacht je premortem bloedingen errond
Staalname en bewaring
Zie later
4
1
,I. Definities en diagnostisch proces
Definities
Sowieso vragen op het examen van!
2
,Diagnostisch proces
Methoden
- Belangrijke partnership tussen dierenarts en patholoog → zo veel mogelijk informatie
geven voor diagnose van de patholoog.
- Gestandaardiseerde protocol om niets te vergeten
- Verschil tussen bevindingen (objectieve feiten) en interpretatie (subjectief)
Types onderzoeken
1) Natuurlijk voorkomende ziekte: vaak voorkomende aandoeningen
2) Forensisch: vermoeden dierenmishandeling
➔ Fotografisch documenteren
➔ Bijkomende informatie voor onderzoek (tijdstip, ouderdom letsels)
➔ Staalname voldoende lang bewaren
3) Dood tijdens of na anesthesie
➔ Meestal geen lesies: antwoord niet gevonden, maar wel uitsluiten
➔ Juridische complicaties: alles documenteren
➔ Verhoogde gevoeligheid: kan dat dier kwetsbaarder is voor anesthesie door onderliggende
aandoeningen bv. cardiomyopathie, brachycephaal, systemische aandoening
4) Experimentele ziekte/toxicoptahologie
➔ Vereist dat patholoog betrokken is: gestandaardiseerd autopsieprotocol & staalname
volgens GLP (Good Laboratory Practice)
➔ Scoring van de letsels en controlegroep vergelijken
5) Telepathologie
➔ Virtuele microscopie en slide scanners (internationalisering, interdisciplinair)
3
, Macroscopisch onderzoek
= alles met het blote oog waarneembaar
Systematische benadering
= gestandaardiseerde werking volgens protocol en zonder achtergrondinformatie
Snijvaardigheden → kijken & palperen → beschrijven → interpreteren → diagnose
➔ Morfologische/pathologische diagnose = interpretatie feiten (≠ etiologische diagnose ~
oorzaak) → locatie letsel en aard respons tov noxe
1) Patroonherkenning: herkenning → interpretatie → correlatie
2) Hypothetisch-deductief: geen directe herkenning lesie → categorisatie lesie ~
respons op noxe
Probleem-georiënteerd werken
= probleem gegeven/gekend
➔ Volledige autopsie doen maar specifieke aandacht voor bepaalde organen
➔ Bij voldoende anamnese of bij wetenschappelijk onderzoek
Ouderdomsgerelateerde veranderingen en andere incidentele lesies
= veranderingen gerelateerd aan de ouderdom, maar niet per se
gelinkt aan sterfte dier
Vb: cholesteatoma = cholesterol granuloma’s thv plexus
choroideus: pathologisch vanaf bepaalde grootte (druk op
hersendelen) → meeste paarden niet pathologisch!
Vb: siderofibrose milt hond
Postmortemveranderingen
= letsels veroorzaakt door de dood en niet te verwarren is met premortem letsels → opgenomen
in verslag
~ sterfte, lichaamsT, omgeving
➔ Onderscheid maken: bij letsels, scheuren verwacht je premortem bloedingen errond
Staalname en bewaring
Zie later
4