H1 – MACRO-ECONOMIE EN MACRO-
ECONOMISCHE VRAAGSTUKKEN
1 .1 W AT I S MACRO-ECONOMI E
- = Vragen stellen over verloop van – en samenhang tussen – geaggregeerde variabelen
- Tweedeling tss macro- en micro economie is zinvol, maar dient niet overdreven te worden
o Er zijn veel raakpunten
- John Maynard Keynes
o = vader vd macro-economie
o Pleite als eerste voor globale analyse/aanpak
1 .2 MACRO- ECONOMI SCH E G ROOTH EDEN EN VERBAN DEN
HET REËEL P ROD UCT OF REËEL INKOM EN
HET REËEL P ROD UCT OF REËEL INKOM EN
Het reëel product/de reële output = het volume finale goederen en diensten die een economie in loop
van bepaalde periode (meestal 1j) produceert
- 𝑟𝑒ë𝑒𝑙 𝑝𝑟𝑜𝑑𝑢𝑐𝑡 𝑖𝑛 𝑗𝑎𝑎𝑟 𝑡 = ∑𝒊 𝒒𝒊𝒕 𝒑𝒊𝟎
- = product in vaste of constante
prijzen
- Is per definitie gelijk aan het reëel
inkomen = de door de economie
gecreëerde koopkracht
Feitelijk (Y) vs potentieel product (Y*)
- Y* = normale inzet van PF -> evenwichtsniveau
o Noch overuren, noch werkloosheid -> noch opwaartse, noch neerwaartse druk op lonen
- Outputkloof = de procentuele afwijking tss het feitelijk en het potentieel outputniveau
o = (reëel product – potentieel reëel product)/(potentieel reëel product) . 100
1
, → Zo goed als ononderbroken groei
vd reële output in België
Variabiliteit op verschillende vlakken
- Hoog-/laagconjunctuur
o Merk op: conjunctuur in
België wordt grotendeels
internationaal bepaald
- Fluctuatie v feitelijke reële
economische groei rond potentiële groei
- Daling vd potentiële groeivoet zelf (zie figuur 3)
o Economische terugval na financiële crisis
o Vrees voor
langdurige stagnatie
(secular stagnation)
▪ Tijdelijke
afname:
hysteresis
▪ Permanente
afname:
super-
hysteresis
- Verschillen tussen landen (bv
niveau vh inkomen per capita)
∑𝒊 𝒒𝒊𝒕 𝒑𝒊𝟎
de index vr het reëel product in jaar t =
∑𝒊 𝒒𝒊𝟎 𝒑𝒊𝟎
HET NOM INAAL P RODUCT
Het nominaal product = de geldwaarde van alle geproduceerde (finale) goederen en diensten
- 𝑛𝑜𝑚𝑖𝑛𝑎𝑎𝑙 𝑝𝑟𝑜𝑑𝑢𝑐𝑡 𝑖𝑛 𝑗𝑎𝑎𝑟 𝑡 = ∑𝒊 𝒒𝒊𝒕 𝒑𝒊𝒕
- = product in werkelijke of lopende prijzen
→ GEEN goede indicator voor welvaart
∑𝒊 𝒒𝒊𝒕 𝒑𝒊𝒕
De index vr het nominaal product in jaar t =
∑𝒊 𝒒𝒊𝟎 𝒑𝒊𝟎
D E DEF LATO R/ IMP LICIET E P RIJ SIND EX
∑𝒊 𝒒𝒊𝒕 𝒑𝒊𝒕
- De deflator in jaar t = = nominaal product/reëel product
∑𝒊 𝒒𝒊𝒕 𝒑𝒊𝟎
2
, → Deflator in jaar t drukt uit in welke mate de gewogen gemiddelde prijs v alle in de economie
geproduceerde (finale) goederen en diensten is veranderd tov het basisjaar
o Groeipercentage van jaar op jaar = inflatie
D E SAMENHA NG
𝒏𝒐𝒎𝒊𝒏𝒂𝒂𝒍𝑷𝒓𝒐𝒅𝒖𝒄𝒕
= 𝒓𝒆ë𝒆𝒍𝑷𝒓𝒐𝒅𝒖𝒄𝒕
𝒅𝒆𝒇𝒍𝒂𝒕𝒐𝒓
- Geldt ook vr indexcijfers
→ Vuistregel: groeipercentage vh nominaal product – inflatiepercentage ≈ groeipercentage vh
reëel product
o Bij kleine percentages, anders wordt nominale groei onderschat
INF LAT IE
BEGRIPP EN
- Inflatie = aanhoudende stijging vh algemeen prijspeil in de economie
o omgekeerd = deflatie ≠ desinflatie!!
- Inflatiepercentage in bep jaar = procentuele verandering vh algemeen prijspeil in dat jaar tov
het vorige jaar
“SOORT EN” INF LAT IE
inflatie gementen als procentuele groei vd
bbp-deflator ---------------------------------------->
- Doelstelling ECB = 2%
Consumptieprijsinflatie = stijgingspercentage
vd CPI (=consumptieprijsindex)
- CPI = verloop vd gewogen gem prijs ve
vaste korf v consumptiegoederen en diensten die representatief is vr bestedingen v modaal gezin
→ Houdt dus meer rekening met consumptie, energieprijzen… -> volatieler dan adhv bbp-deflator
Kerninflatie = adhv evolutie v consumptieprijzen, maar zonder volatiele componenten energie en
onbewerkte voeding
→ Stabieler, sluit dichter aan bij inflatie adhv bbp-deflator
o Beide zijn sterker bepaald door structurele factoren -> capteren beter diepere
inflatietendenzen
3
, HET V ERLOOP VA N INFLATIE
Hangt vast met conjunctuur
→ Hoogconjunctuur (positieve outputkloof) => stijgende inflatie
→ Laagconjunctuur (negatieve outputkloof) => dalende inflatie
MAAR: deze verklaring is onvolledig, aangezien dit soms niet zo is -> gaan we dieper op in in H15
- Inflatieverwachtingen, heersende politiek, monetair regime, onafhankelijkheid vd CB
W ERKLOO SHEID EN W ERKGELEGENHEID
D E WERKLO OSHEIDSGRAA D
𝑼 𝑎𝑎𝑛𝑡𝑎𝑙 𝑤𝑒𝑟𝑘𝑙𝑜𝑧𝑒𝑛
𝑳𝒔𝒕
⋅ 100 = 𝑏𝑒𝑟𝑜𝑒𝑝𝑠𝑏𝑒𝑣𝑜𝑙𝑘𝑖𝑛𝑔
. 100
- Lst = al wie werkt + al wie werkloos is
- Werkloos (volgens internationaal
Arbeidsbureau) -> 3 criteria:
o Geen werk
o Beschikbaar
o Actief zoekende nr werk
→ Adhv enquêtemethode of adhv administratieve berekeningsmethoden
o Statuut v oudere werkloze, niet-werkzoekenden met uitkering…
- Hier ook schommelingen die vast hangen met conjunctuur (zien we later)
D E WERKGELEGENHEID SGRAAD
- Werkloosheidscijfer kan administratief worden beïnvloed
- Laag werkloosheidspercentage ≠ sterkte indien te wijten aan uittrede v mensen op
arbeidsleeftijd
Opl: Werkgelegenheidsgraad
WERKGELEGENHEIDSGRAAD IN PERSONEN
𝑳 𝑎𝑎𝑛𝑡𝑎𝑙 𝑤𝑒𝑟𝑘𝑒𝑛𝑑𝑒𝑛
𝑵
⋅ 100 = 𝑏𝑒𝑣𝑜𝑙𝑘𝑖𝑛𝑔 𝑜𝑝 𝑎𝑟𝑏𝑒𝑖𝑑𝑠𝑙𝑒𝑒𝑓𝑡𝑖𝑗𝑑 . 100
- Zeer laag in België
- Lager dan gem bij jongeren, ouderen en mensen zonder hoger secundair diploma
o Kloof in België heel groot
4