• Verkeerd document? Gratis ruilen
  • Geschreven door studenten die geslaagd zijn
  • Direct beschikbaar na je betaling
  • Online lezen of als PDF
Verkopen
Kies je studieland
Kies je taal
Document preview thumbnail
Voorbeeld 10 van de 104 pagina's
Samenvatting

Samenvatting Algemene Rechtsleer | UGent |geslaagd 1ste zit | 2025/2026

Document preview thumbnail
Voorbeeld 10 van de 104 pagina's

Samenvatting voor het vak **Algemene Rechtsleer aan de Universiteit Gent**, gebaseerd op alle lessen. De slides vormen de rode draad, aangevuld met informatie uit het boek. Ik ben met deze samenvatting in eerste zit geslaagd. Ik raad wel aan om het boek zelf ook te lezen en tijdens de lessen eigen aantekeningen te maken bij de samenvatting. Zo verwerk je de leerstof actief en heb je een goede basis om mee te studeren!

Voorbeeld van de inhoud

ALGEMENE RECHTSLEER
Samenvatting




Oona Deneudt


, inleiding
HOOFDSTUK 1: OVERZICHT VAN DE LEERSTOF




Het recht ken je opdelen in 3 vragen: (1) Ontologische vraag (2) Functionele vraag (3) Structurele vraag

Recht = complex maatschappelijk fenomeen. Het doel van algemene rechtsleer is oog hebben voor de complexiteit maar
ook gemaakte keuzes in verband met benadering van recht duiden en bekritiseren.

FUNDAMENTELE VRAGEN BIJ ‘RECHT’

o Deel I: (1) Ontologische vraag: wat is recht? Doel = kritisch definities van recht kunnen bespreken.
 Elke definitie van recht maakt bepaalde keuzes. Welke? Welke elementen vallen daardoor ‘buiten het
recht’?
o Deel II: (2) Functionele vraag: functies en finaliteit van recht. Doel = kritisch toegeschreven functies en finaliteit
van recht kunnen bespreken
o Deel III: (3) Structurele vraag: waaruit bestaat recht. Doel = bestanddelen en samenhang kritisch kunnen
bespreken
 Recht is tot op zekere hoogte coherent, maar kan dat nooit helemaal zijn
 Elke interpretatie van het recht vereist ook persoonlijke waardering van uitlegger -> Rechtsvinding



DEEL 1: WAT IS RECHT?
INLEIDING: EEN MOEILIJKE VRAAG
Dit is een MOEILIJKE VRAAG want de ULTIME DEFENITIE ONTBREEKT, er is dus geen defenitie van recht die overal en altijd
geld.
o “nog steeds zoeken juristen naar een definitie van hun rechtsbegrip“ – Immanuel Kant (1724-1804)
o Ook de definitie uit Basisbegrippen is niet perfect!
 “een geheel van gedragsregels en ermee samenhangende institutionele voorschriften, uitgevaardigd en
gehandhaafd door of krachtens het maatschappelijk gezag, met het oog op een doeltreffende,
rechtszekere en rechtvaardige ordening van de maatschappij.”
 Recht wordt niet overal als een geheel van gedragsregels gzien
→ Na deel I van deze cursus moet je in staat zijn om aan te geven bij welke elementen van die definitie je vraagtekens kan
plaatsen!

HEBBEN WE WEL EEN DEFINITIE NODIG?
In sommige vakgebieden is er geen nood aan een definitie (bv, chemie: een chemicus kan perfect werken als chemicus
zonder zich ooit af te vragen wat precies ‘de chemie’ is).
Helaas moeten we in ons vakgebied wel blijven nadenken over een definitie:
o De rechter: moet ‘het recht’ toepassen (interpreteren en verder ontwikkelen). Hierbij is het natuurlijk wel
noodzakelijk om te weten wat het is dat je toepast.
o Zonder definitie kan onderzoek naar ‘het recht’ verkeerd begrepen worden, zonder begripsomschrijving loop je het
risico dat onderzoekers het onbewust over iets anders hebben!

Hierover gelden er twee opvattingen:
(1) Essentialistische opvatting: recht heeft een essentie (= kernelement dat altijd en overal aanwezig is en dat toelaat
‘recht’ te onderscheiden van andere fenomenen). Deze opvatting zoekt naar de essentie die recht onderscheiden
van andere vakgebieden zoals bijvoorbeeld moraalfilosofie.
 PROBLEEM: die essentie is tot nu toe niet gevonden
(2) Conventionalistische opvatting: wat telt als ‘recht’ en wat niet, is een conventie (=afspraak tussen mensen)
waarvan de inhoud niet op voorhand vastligt.
 De bestempeling van wat recht is, is niet overal hetzelfde, recht is volgens deze opvatting een uiting van
keuzes die worden gemaakt in een samenleving.

,DEFENITIES VAN RECHT: VELE VORMEN

Het recht kent vele vormen, het is ongelofelijk moeilijk om een definitei te vinden die ELKE vorm van recht omvat:

(1) Statelijk recht: het geheel van gedragsvoorschriften dat door statelijke actoren is uitgevaardigd (zoals wetgevers,
rechters…).
(2) Gewoonterecht: het geheel van gedragsvoorschriften dat tot stand komt doordat deelnemers aan het
rechtsverkeer die voorschriften als verbindend beschouwen. Gewoonterecht wordt niet door concrete personen
uitgevaardigd, maar is het gevolg van langdurig gebruik door die deelnemers in de praktijk. -> volgens veel
auteurs en definities geen vorm van recht
(3) Religieus recht: het geheel van gedragsvoorschriften dat binnen een bepaalde religie geldt
 Bv. Onmogelijkheid tot scheiding in katholiek kerkelijk recht; tien geboden; 613 voorschriften in de
Thora…
(4) Natuurrecht: het geheel van gedragsvoorschriften dat afgeleid wordt uit een nauwkeurige observatie van de
menselijke natuur en dat geldt onafhankelijk van menselijke afspraken bv, mensenrechten
(5) Internationaal recht: het geheel van gedragsvoorschriften dat de internationale betrekking regelt (dus tussen staten
en andere actoren, zoals de Verenigde Naties en de Europese Unie)


DEFENITIES VAN RECHT: VERGELIJKING MET FAMILIES

Het probleem is dat defenities die men aan recht geft kunnen overlappen maar elkaar ook kunnen uitsluiten. Je zou de
definities kunnen vergelijken met de verbondenheid tussen familieleden, recht is verwand aan elkaar maar heeft geen
gemeenschappelijke essentie of eigenschap die de verschillende vormen met elkaar delen.

o Het gevolg hiervan: Recht heeft geen essentiële kenmerken die altijd en overal waar zijn MAAR is eerder wat
mensen door hun sociale praktijken identificeren en behandelen als recht.
 Dit is echter complex want wat wij hier beschouwen als recht, kan ergens anders niet zo beschouwd
worden! = maatschappijafhankelijk
 Probleem: Hoe weet een rechter nu welke regels ze moet toepassen? Hierbij zal vooral gefocust worden
op staatsrecht.
o RECHT= EEN CONVENTIE


RECHT IS STANDPUNT OF MAATSCHAPPIJAFHANKELIJK
Je kan niet spreken over wat geld als recht zonder zelf een standpunt in te nemen over wat recht is = standpuntafhankelijk:
o hangt af van standpunt dat men inneemt over het begrip ‘recht’;
o hangt af van omschrijving die men aan ‘recht’ geeft
 Of iets als ‘recht’ geldt, hangt af van het ‘familielid’ dat men voor ogen heeft
Bij moeilijke vragen zal je altijd een standpunt moet innemen over welk rechtsbegrip je gebruikt en vanuit welke
maatschappelijke context je redeneert.

(1) Algemene abstracte rechtsbegrip:
o Het universele idee van wat “recht” is
(2) De specifieke verschijningsvorm van recht
o hoe recht concreet wordt ingevuld in een bepaalde samenleving (bijv. religieuze of culturele systemen).
Recht is maatschappijafhankelijk: wat in de ene samenleving als recht wordt beschouwd, hoeft dat in een andere niet te
zijn.

Vraag: ‘Is abortus toegelaten volgens het recht?’ → ‘het’ recht vs. ‘welk’ recht Antwoord M1 (‘religieus recht’): ‘Neen, wie
dat zegt, heeft duidelijk de essentie van recht niet begrepen’
Antwoord M2 (‘Belgisch statelijk recht’): ‘Ja, althans onder bepaalde voorwaarden’
o hangt af van de wijze waarop een bepaalde maatschappij naar het recht kijkt.

,GEVOLGEN VAN DE CONVENTIONALISTISCHE OPVATTING

Recht = relatief naar plaats en tijd, met andere woorden recht is CONTEGENTISCH
o Doorheen de tijd, geografische ruimte, politieke, sociale en economische ontwikkelingen ONSTAAN
DIVERSE VORMEN VAN RECHT
o ‘Recht’ is een sociale constructie (geconstrueerd door handelingen van mensen die een geschiedenis
hebben) waardoor ze niet te definiëren valt.

Moeten we nu zwijgen over ‘recht’? Neen: wel andere focus
o NIET op essentie van recht (of recht in zijn universele en tijdloze geheel)
o WEL op diverse kenmerken die men met het rechtsbegrip in verband brengt




TITEL I : FUNDAMENTELE TRANSFORMATIES VAN MENSENMAATSCHAPPIJEN
Doorheen de geschidenis hebben we een grote diversiteit aan recht binnen verschillende samenlevingen gekent. En om te
kunnen discussieren over wat recht is moeten we er ook van bewustzijn in welke maatschappelijke context recht ontstond
en vorm kreeg. Mensen zijn sociale wezens: ons leven krijgt betekenis in relatie tot anderen.

Hoe word sociale ontwikkeling binnen een gemeenschap mogelijk? Gevolg/samenspel van:

(1) Materiële facetten (ecologische, technologische, economische…)
(2) Ideële facetten (kennis, overtuigingen, waarden, concepten, gewoonten verschillen…)
(3) Sociale instituten en praktijken (‘kinderopvang’, ‘onderwijs’, ‘gezondheidszorg’en met anderen wachten in de
wachtkamer bij de dokter)

Niet elke gemeenschap is sociaal even complex: Hoe groter een gemaanschap, hoe meer nood aan organisatorische
uitwerking! (opend de deur voor hiërarchie en leidershap)
o Hierarchie <>heterarchie= netwerk waarin meerdere gezachspersonen naast elkaar staan

Elk gemeenschap neemt basisbehoeften van maatschappij voor haar rekening
o watervoorziening, voedselbedeling, bescherming van gezondheid en veiligheid, het behoud van interne orde en de
verdediging tegen buitenstaanders…
o Deze behoeften worden in complexe sl ingevuld door SOCIALE INSTITUTEN, niet langer door het individu; hierbij
zien we twee vormen van SPECIALISATIE:

(1) Horizontale speciatie: Hierbij is de planning, inrichting, uitvoering verdeeld over functionele eenheden op
HETZELFDE NIVEAU
(2) Verticale specialisatie: Hierbij is de planning, inrichting, uitvoering verdeeld over HIËRARCHISCH VERSCHILLENDE
NIVEAUS
 Bv. Belgische staat; bedrijf; gezin

De betekenis en fuctie van recht hangt af van de organisatorische structuur van een gemeenschap, in minder complexe
gemeenschappen heeft ‘recht’ een geheel andere functie dan in complexe samenlevingen. We bekijken vier soorten
gemeenschappen met als doel aan te tonen dat recht niet alleen staatsrecht is:

(1) Samenlevingen van jager-voedselverzamelaars
(2) Chiefdoms
(3) Rijken
(4) Moderne staten

Chronologisch overzicht, maar NIET TELEOLOGISCH (=met bepaalde finaliteit of doel). ! Er is geen sociologische
evolutionaire wetmatigheid dat de staat een eindpunt is van sociologische evolutie!
 niet zo dat moderne staten ‘verder’ staan (slechts organisatorisch complexer)
 Sterk vereenvoudigd overzicht, realiteit is véél complexer

,SAMENLEVINGEN VAN JAGER-VOEDSEL-VERZAMELAARS (paleolithicum)

Wanneer? Vanaf ontstaan mensheid tot intrede landbouwsamenleving (+- 12.000 v.Chr.)
Kenmerken:
o Clans van +- 25 mensen (familiebanden)
o Clans maken deel uit van groter netwerk van naburige clans
o Grotendeels egalitair (geen hiërarchie → leiderschap? Enkel op beslissende momenten)
o Basis voor leiderschap: persoonlijke kwaliteiten (zeker niet erfelijk)
o Goederendeling en wederkerigheid: erg gebruikelijk

Centrale vraag: Kende deze samenleving ook recht?
o Als we deze vraag beantwoorden vanuit onze bril zou het antwoord nee zijn, ze kende enkel regels MAAR dat is te
kort door de bocht!
o Er zijn toch enkele afspraken die ze maakten die antropologen wel zouden beschouwen als recht! Het is redelijk
zeker dat de jvv regels en gebruiken hadden over het bezit en gebruik van goederen waar ook straffen tegenover
konden staan!

Ook regels en gebruiken over persoonlijk letsel, huwelijksbeperkingen…
 Bv. regels over diefstal, overspel, incest en fysiek geweld (doodslag, moord…)
Regels en gebruiken over bezit en gebruik van roerende goederen:

(1) Oogst (en wild), menselijke arbeid, heilige kennis, land en waterbronnen, roerende goederen (gereedschap,
wapens, kookgerei, vergaard voedsel…)` kende Individuele aanspraken/eigenaarschap (weerspiegelt investering
voor het werk dat je er had ingestoken)
- bv, bij arbeidsintensieve dingen krijgen mensen bepaald zeggenschap over het goed = basis voor ons
contractrecht = basis om roerende goederen te kunnen schenken en uitwisselen (ook tussen clans)

o → In SJVV: kosteloze hulpverlening in andere samenlevingen is dit dan weer uitgegroeid tot bijvoorbeeld het
contractenrecht dat we vandaag kennen

In deze periode bestonden TWEE SOORTEN CLANS, afhankelijk van korte- dan wel langetermijnoriëntatie
= mate waarin ze uitgestelde genoegdoening aanvaarden voor behoeften:




HOEZO: UITHUWELIJKEN = UITGESTELD WEDERKERIG?
Mannen beschikten over de bevoegdheid om hun vrouwelijke nakomelingen uit te huwelijken = investeren in de toekomst
door meerdere partijen
Hier: voorbeeld van huwelijk in samenlevingen van Aboriginals
(1) Door toekomstige man
o Voorafgaand: lange onderhandelingen + reeks giften en diensten (vlees, jagen)
o Toekomstige vrouw = economische waarde; vertegenwoordigt toekomstige opbrengsten
(arbeidskracht, voortbrengen van nageslacht…)
(2) Door toekomstige vrouw
o Soms ook giften aan toekomstige man

,CHIEFDOMS
Wanneer? Vanaf 5000 v.Chr is er spraken van chiefdoms
Hier zien we enkele nieuwe kenmerken en verschillen met jagers en verzamelaars:
o groepen van 100’en tot 10.000’en
o SEDENTAIR => ze verblijven allemaal op één plek en zijn niet meer nomadisch
o Er ontstaat erfelijke sociale stratificatie en meer ongelijkheid
 Er is een duidelijk onderscheiden rollen in chiefdoms
o Erfelijke leider (chef) en eliteklasse vs. krijgers, ambachtslieden, gewone mensen
o Chef? Aanzien als goddelijke persoon en maakt deel uit van een eliteklasse. (=klasse die ook
meer goederen verbruikt, lagere klasse staat goederen hieraan af)
 Waarom er zo een erfelijke sociale stratificatie was is onduidelijk, er bestaan wel verschillende
theorieën:
o Functioneel theorie: ‘noodzakelijk voor coördinatie’
o Conflict theorie: het komt door competitie in samenleving m.b.t. status, rijkdom en macht. De
winnaars rechtvaardigen zo hun leiderschap
=>Waarschijnlijk is het een combinatie van beide
(Er zijn ook hedendaagse voorbeelden van een Chiefdom, bijvoorbeeld de maffia,…)

Bij de chiefdoms zien we enkele regels en gebruiken over persoonlijk letsel, huwelijksbeperkingen…:
o Goederenverdeling? Hier zien we enkele verschillen met de SJVV:
 Er is GEEN sprake van WEDERKERIGHEID → WEL hiërarchisch geregeld (meer voor elite) op basis van
tribuut (belastingen)
Verklaring verschil in goederenverdeling? Hierbij speelt de sedentaire samenleving een belangrijke rol: door de beperkte
mobiliteit, word er een grotere controle vereist over grond en rijkdommen.

Er ontstaat een CHEF die:
 Een bovenmenselijke status en uitzonderlijke krachten heeft (legitimeert zeggenschap): zorgen voor
voortbestaan
 Anderen: in ruil arbeid, goederen… verschuldigd => dit toont aan dat de goederenverdeling ook als doel heeft
de hiërarchie te onderhouden en de politieke activiteitene van de ilite te financiëren.
 Er hangt natuurlijk ook een risico vast aan chef zijn: bij rampspoed en schaarste krijgt chef de schuld
Er bestaan dus wel al maatschappelijke regels maar nog geen uitgesproken onderscheid tussen verschillende soorten
normen.


RIJKEN (BESCHAVINGEN, EMPIRES,…)

Wanneer? Vanaf 4000-3000 v.Chr., zien we op meerdere plekken rijken ontstaan (Mesopotamië, Egypte, de Indusvallei,
China, Peru, Midden-Amerika)
o Een rijk omvat grote bevolkingsgroepen tot meer dan 100.000 mensen
o Het functioneren van een rijk werd mogelijk dankzij:

 Schrift (→ bureaucratische organisatie), dwingend retributiesysteem: belastingen!, staatsreligie, landbouw,
ambachtelijke productie en handelsnetwerk, leiders staan in voor grote projecten (aanleg irrigatie,
transportwegen), kunnen geweld georganiseerd uitoefenen én rechtbanken organiseren

o Waarom rijken ontstonden blijft onduidelijk (ook hier functionele= maatschappelijke behoefte & conflicttheorieën=
macht)

De regels zijn al meer uitgebouwd en onderverdeeld MAAR zijn nog steeds sterk verbonden met religieuze en
bovennatuurlijke overtuigingen:
 Ze werden beschouwd als ‘Afkomstig van de goden, aan leider geopenbaard’
 De regels dienden om de menselijke samenleving te ordenen, maar ook om die in overeenstemming te
brengen met de ‘kosmische orde’ — de natuurlijke en goddelijke orde die boven de mens staat.

!!! VOORBEELD REGELS EN RELIGIE: Codex Hammurabi (+- 1754 v.Chr.) Deze illudtreerd hoe dergelijke samenlevingen
omgaan met zulke rechtsregels.
o Aanhef: koning H heeft codex samengesteld op bevel van god Utu
o 282 regels over prijzen, handel, huwelijk en echtscheiding, misdrijven en burgerlijk recht (m.i.v. slavernij en
schulden)
 Inhoud regels: de rechtsregels zijn vaak moeilijk te onderscheiden van religieuze voorschriften

, Ander doel van de codex was de handhaving sociale hiërarchie en het vastleggen van de verschillen
in status → veel regels maken onderscheid naargelang de status van de betrokkenen
 § 6: “Als iemand eigendom van een tempel of het hof steelt, dan zal hij worden gedood,
evenals diegene die het gestolen ding ontvangt.”;
o De handhaving door de staat is in dit soort samenlevingen echter beperkt (zware straffen = indicatie van zwakke
handhaving) → aanmoediging zelfregulering (conflict oplossen binnen de familie of op lokaal niveau)

Rechtsregels die vaak worden aangetroffen in dergelijke samenlevingen kunnen ondergebracht worden in acht brede
categorieën. Ze hebben betrekking op:

(1) Onderhouden staatsapparaat (belastingen, verplichte onbetaalde arbeid…)
(2) Afdwingen sociale en economische hiërarchie (weeldewetten, verschillende rechten/plichten naar gelang rang en
status)
(3) Magische en religieus-ideologische overtuigingen (wat je mag en niet mag geloven → heiligschennis, hekserij…)
(4) Familie- en seksuele verhoudingen (overspel, wie beslist wie met wie mag huwen, leeftijdsbeperkingen,
verkrachting…)
(5) Lichamelijke schade (moord, doodslag, verwondingen…)
(6) Toebedeling van goederen en behoud (diefstal, schade aan goederen…)
(7) Arbeid (wie mag welk verrichten, verplichte arbeid…)
(8) Economische transacties (gevolgen niet-naleving afspraken tussen handelaars, misleiding van kopers…)

Merk op: de meeste onderwerpen uit deze categorieën worden ook vandaag nog gereguleerd, dit wijst op bepaalde
constanten in maatschappelijke regulering:

 Reguleringsconstanten en hun evolutie bij de overgang naar de moderne staat: Vermoedelijk waren
er reguleringsconstanten, regels die voortvloeiden uit algemene menselijke behoeften, daarnaast is het zo dat
vanaf we een statelijk bestuursaparaat hebben, deze regels gebruikt om zijn macht te beschermen.

Tijdens de uitbouw tot de moderne staat ondergingen deze constanten een aantal belangrijke evoluties:
o Zodra er een overkoepelend bestuurlijk apparaat ontstond, begon dit zichzelf te beschermen en te consolideren.
o Er kwam een groei in omvang en bereik:
 Zie nrs. 1 en 8: Onderhouden staatsapparaat + economische transacties
o In de rijken was sociale status erfelijk maar in de staten werd status bepaald door rijkdom en beroep
 Nr. 2: afdwingen sociale en economische hiërarchie → Erfelijke sociale status = regels over rangen en
standen verliezen relevantie
o Onder invloed van de Verlichting (komt op tegen einde 17e eeuw) daalde het belang van magie en religie (nr. 3)


MODERNE STATEN

(1) ONTWIKKELING VAN MODERNE STATEN
Wat is een moderne staat nu precies?
o Een moderne staat oefent SOEVEREINE MACHT uit over een bepaald grondgebied (dit betekend dat ze
onafhankelijk eigen beslissingen nemen)
o Tijdens de ‘lange 16e eeuw’ (ca. 1450–1650) nam het belang van territoriale grenzen toe en ontstond
een gecentraliseerd bestuur.

Enkele verschillen met eerdere vormen van organisatie:
 In Chiefdoms valt de politieke macht samen met cultuur-etnische eenheid
 In Rijken zijn vooral economische grenzen belangrijk
 MS: - - territoriale grenzen
In 1648 maakte de vredesverdragen een einde aan meerdere oorlogen (Dertigjarige Oorlog 1618-1648; Tachtigjarige Oorlog
1568-1648). Dit leidde tot het systeem van territoriale staten!
o In theorie stonden deze staten op voet van gelijkheid (denk aan het principe van niet-inmenging) MAAR gebieden
die nog geen staatsgezag kenden, werden beschouwd als staatsvrije ruimten, wat ze tot doelwit van
kolonisering maakte.

Om de soevereine macht over grondgebied uit te oefenen heb je GEWELDMONOPOLIE nodig!!
o Dit is echter moeilijk te verwerven en te behouden
o Er is behoefte aan middelen (belastingen) en mensen (bv. verplichte legerdienst) die snel inzetbaar zijn
 Om die snelle beschikbaarheid te garanderen, was centralisatie van kennis en de uitbouw bestuurlijke
capaciteit noodzakelijk.

,GESCHOOLDE AMBTENAREN hadden een heel erg belangrijke rol (bv. juristen) bij de UITBOUW VAN BESTUURLIJKE
INSTELLINGEN
o Een voorbeeld hiervan is de ontwikkeling van de Grote Raad van Mechelen vanaf 1435, die diende als een vroege
vorm van een centrale gerechtelijke instelling.

(2) VERDERE ONTWIKKELING

1. Territoriale staat
o De nadruk ligt hier op een afgebakend grondgebied
o De staat kan haar soevereine macht uitoefenen dankzij: militaire bezetting, belastingen heffen en innen, één
centrale gezagsinstantie: leger, politie, gevangenissen…maken soevereine machtsuitoefening mogelijk
2. Natiestaat
o In de 19e eeuw kreeg de staat een grotere invloed op het dagelijks leven.
o Er ontstond een koppeling tussen grondgebied (‘territorium’) en nationale identiteit.
o Burgers begonnen zich meer te identificeren met hun natie.
3. Welvaarts- of verzorgingsstaat
o In 19e eeuw ontstonden sociale spanningen en een welvaartsideologie
→ ‘economische groei zorgt voor voldoende middelen om iedereen bepaald welvaartspeil te garanderen’
o Burgers moesten meer bijdragen, maar kregen ook meer politieke en sociale rechten van de staat
4. Actieve welvaartsstaat
o Jaren 1980 kwamen er budgettaire problemen en langdurige hoge werkloosheid, waardoor de grenzen van de
klassieke welvaartsstaat duidelijk werden.
o Vandaag: budgettaire problemen + vergrijzing + globalisering = zelfde resultaat (sociale zekerheid onder druk)
o Reactie: ‘participatiesamenleving’ → mensen langer (en meer) aan het werk
 Wat door de staat werd gedaan (‘publiek’), wordt nu van meer en meer van burgers verlangd (‘privaat’)

(3) GOVERMENT → GOVERNANCE
In de tweede helft van de 20e eeuw verliest de soevereine staat aan macht. De klassieke welvaartsstaat kan niet langer alle
verwachtingen inlossen, waardoor meer zelfregulering en zelfbestuur ontstaan. In België krijgen gewesten en
gemeenschappen eigen bevoegdheden, en internationaal beperken verdragen en supranationale instellingen de exclusieve
rol van de nationale wetgever. Hierdoor verschuift het denken van government naar governance.


GOVERNMENT: de nadruk op staat en haar instituten
De staat is soeverein en de machten zijn strikt gescheiden (wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht) en een
wetgever als hoogste autoriteit
o De wetgever stelt gedragsregels op en controleert de naleving ervan.
o De wetgever bepaalt ook de inhoud van het recht → men spreekt van prescriptief recht (voorschrijvend recht).
 Voorbeeld: milieuregelgeving die een grens stelt aan de CO₂-uitstoot van fabrieken.
o De beslissingsmacht ligt bij de wetgever, die optreedt als vertegenwoordiger van de natie.
o Er zijn duidelijke grenzen tussen staten, maar ook tussen staat, markt en maatschappij.

GOVERNANCE: de nadruk ligt op het bestuurlijke proces in de plaats van staatsstructuren
Governance verwijst naar het geheel van bestuurlijke en regulerende processen, ongeacht van wie ze uitgaan en tot wie ze
gericht zijn.
o De staat blijft belangrijk, maar is afhankelijk van andere actoren (bedrijven, organisaties, internationale instellingen,
burgers).
o Er is sprake van ‘spreiding der machten’ in plaats van een strikte scheiding: verschillende actoren werken samen in
besluitvorming.
o De wetgever trekt zich gedeeltelijk terug en creëert vooral randvoorwaarden waarbinnen anderen mogen
handelen.
o Dit heet reflexief recht, waarbij ruimte ontstaat voor zelfregulering en regulerende agentschappen.
o Voorbeeld: het milieumanagementsysteem ISO 14001, dat organisaties zelf laat bepalen hoe ze hun milieubeleid
uitvoeren binnen bepaalde standaarden.
o De beslissingsmacht is verspreid over vele actoren.
o Voorbeeld universiteit: regels ontstaan uit samenwerking tussen raden, geledingen en besturen.
o Voorbeeld monetair beleid: grotendeels uitbesteed aan de Nationale Bank van België en de Europese Centrale
Bank.
Territoriale grenzen verliezen steeds meer aan belang, bijvoorbeeld bij duurzame viskweek of andere grensoverschrijdende
thema’s.

,
,TITEL II: KENMERKEN VAN RECHT

PROLOOG : TWEE BENADERINGEN


RECHT EN (STROOMLIJNING) MENSELIJK GEDRAG
Recht heeft zoals we net zagen iets te maken met menselijke gedragingen.
Wanneer je wilt gaan kijken naar menselijk gedrag en de manier waarop gedrag door (bv.) regels wordt gestroomlijnd zien
we twee benaderingen die beide een andere houding aannemen tegenover regels en gedrag:
(1) Focus op (abstracte, ideële) regels → regelgeoriënteerde of doctrinaire benadering (RB)
(2) Focus op (concreet, feitelijk) gedrag → gedragsgeoriënteerde benadering (GB)


RB – REGELGEORIËNTEERDE BENADERING

Recht is volgens deze stroming het geheel van regels (in de zin van: gedragsvoorschriften)
- De nadruk ligt hier op de regel zelf en de samenhang met andere regels. Centraal staat hoe mensen zich horen te
gedragen, dit noemt = PRESCRIPTIEVE/NORMATIEVE INTERESSE
o Hoe mensen zich feitelijk gedragen is minder belangrijk!

Er bestaan TWEE STROMINGEN binnen deze benadering :
(1) Geschreven stroming: ‘recht is een geheel van (doorgaans geschreven) uitdrukkingen’
o Klemtoon op de vorm waarin een voorschrift wordt uitgedrukt (wetgeving, rechtspraak…), volgens hun
is het geschreven recht de voornaamste verschijningsvorm.
(2) Ongeschreven stroming: ‘recht is een geheel van (nog niet uitgedrukte) waarden’
o Klemtoon op de waarden die ten grondslag liggen aan de vorm (nadruk op algemene rechtsbeginselen
en gewoonten)


GB - GEDRAGSGEORIËNTEERDE BENADERING

Recht is volgens deze benadering het geheel van gedragspatronen (die mensen stellen wanneer ze bepaalde
maatschappelijke problemen aanpakken en waar ze betekenis aan hechten)
o De nadruk ligt hier op concreet gebruik van regels (= gedragspatronen) en op hoe mensen zich dus effectief
gedragen (=empirische interesse)
o De regel op papier is van ondergeschikt belang; belangrijker is hoe regels werkelijk functioneren in het
dagelijks leven. Hoe regels concreet gebruikt worden in de realiteit, het draait om het gedrag dat mensen
verrichten en de betekenis die andere mensen aan dat gedrag geven.

 Recht is hier dus een ‘soiale praktijk’ dit is een geheel van praktijken die gedrag en betekenis
combineren. Gedrag en betekenis zijn met elkaar verbonden door regels en handelingspatronen.
Deze sociale praktijken hebben geschiedenis en komen ergens vandaan, dit wilt ook zeggen dat ze
veranderd kunnen worden naar de toekomst toe.
 Deelnemen aan een praktijk wilt zeggen dat je de regels van die praktijk aanvaard. (bv op
kraambezoek de ouders zeggen dat hun baby prachtig is ookal is het lelijk = sociale praktijk van het
kraambezoek)

Gekoppeld boek
 image
Uitgever: Onbekend ISBN: 9789463712743 Druk: 1

Documentinformatie

Heel boek samengevat?
Ja
Geüpload op
25 september 2026
Aantal pagina's
104
Geschreven in
2025/2026
Type
Samenvatting
€12,96

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kan je een ander document kiezen. Je kan het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Verkocht
1
Volgers
0
Items
2
Laatst verkocht
1 jaar geleden



Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via Bancontact, iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo eenvoudig kan het zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen