Samenvatting
Leereenheid 1......................................................................................................................................... 3
Brightspace..............................................................................................................................3
Boek....................................................................................................................................6
Kennisclip.....................................................................................................................24
Zelftoetsvragen..........................................................................................................27
Leereenheid 2....................................................................................................................................... 30
Brightspace............................................................................................................................30
Boek..................................................................................................................................35
Kennisclip.....................................................................................................................45
Zelftoetsvragen..........................................................................................................47
Leereenheid 3....................................................................................................................................... 50
Brightspace............................................................................................................................50
Boek..................................................................................................................................51
Kennisclip.....................................................................................................................57
Zelftoetsvragen..........................................................................................................60
Leereenheid 4....................................................................................................................................... 62
Brightspace............................................................................................................................62
Boek..................................................................................................................................64
Kennisclip.....................................................................................................................72
Zelftoetsvragen..........................................................................................................75
Leereenheid 5....................................................................................................................................... 78
Brightspace............................................................................................................................78
Boek..................................................................................................................................80
Zelftoetsvragen..........................................................................................................85
Leereenheid 6....................................................................................................................................... 87
Brightspace............................................................................................................................87
Boek..................................................................................................................................89
Kennisclip.....................................................................................................................98
Zelftoetsvragen........................................................................................................100
Leereenheid 7..................................................................................................................................... 102
Brightspace..........................................................................................................................102
Boek................................................................................................................................104
Kennisclip...................................................................................................................111
1
, Internationaal recht
Zelftoetsvragen........................................................................................................113
2
, Internationaal recht
Leereenheid 1
Brightspace
1.1 Aard en geschiedenis van internationaal recht
Zoals Nollkaemper in de eerste zin van hoofdstuk 1 aangeeft, is het internationaal recht een
omvangrijk rechtsgebied, niet alleen omdat het wereldwijd van toepassing is, maar ook door de
veelheid aan onderwerpen. Het internationaal recht kent een aantal specifieke deelgebieden, met
daarin subdeelgebieden. Een voorbeeld van een deelgebied is mensenrechten, maar daaronder valt
ook internationaal vluchtelingenrecht. Internationaal recht omvat veel onderwerpen, omdat veel
vraagstukken een internationale component hebben. Het effect van milieuvervuiling, armoede en
geweld stopt niet bij de grens. Zeker niet in een wereld waar staten nauw met elkaar verbonden zijn
en van elkaar afhankelijk zijn. Het is daarom van belang dat staten onderling afspraken met elkaar
maken en regels opstellen over hoe een bepaald vraagstuk aangepakt dient te worden en waar zij
zich aan dienen te houden. Staten sluiten als het ware overeenkomsten met elkaar waarin regels te
vinden zijn over hoe met een bepaald onderwerp omgegaan dient te worden en welke verplichtingen
er zijn. Hoewel het internationaal recht publiekrecht is, vertoont dit vakgebied veel overeenkomsten
met het privaatrecht. Het zijn echter staten die verplichtingen uit de overeenkomst dienen na te
komen.
Het stelsel van internationaal recht is ontwikkeld op het moment dat onafhankelijke en soevereine
staten ontstonden (zie Nollkaemper, nr. 5 en 6). Het Verdrag van Westfalen in 1648 wordt gezien als
het beginpunt van internationaal recht. Dit verdrag maakte een einde aan de Dertigjarige en
Tachtigjarige Oorlog en hield in dat ruim driehonderd politieke eenheden zich ontworstelden aan het
gezag van het Roomse Rijk en het kerkelijke gezag (Nollkaemper, nr. 6). Er werd namelijk
afgesproken om het beginsel van territoriale integriteit te respecteren. Er ontstond een systeem van
soevereine staten die rechtsbetrekkingen met elkaar aangingen. Het stelsel van internationaal recht is
in de loop van de jaren veranderd en uitgebreid. Het is bijvoorbeeld minder eurocentrisch, er zijn
andere actoren bijgekomen die een belangrijke rol spelen en internationaal recht gaat niet meer alleen
om de rechten van staten, maar ook individuen kunnen rechten ontlenen aan internationaal recht. De
wereld en wereldorde zien er immers anders uit dan in 1648. Hoewel het stelsel complexer en
uitgebreider is geworden, is de basis van het stelsel gelijk gebleven. De idee dat een staat soeverein
is en baas is binnen haar eigen grenzen is bijvoorbeeld terug te vinden in art. 2 lid 4 VN Verdrag. Hier
vindt u een historisch overzicht van de ontwikkeling van het stelsel van internationaal recht met
belangrijke mijlpalen.
Een korte samenvatting van belangrijke punten:
De structuur van de internationale rechtsorde is fundamenteel verschillend van die van de
nationale rechtsstelsels. Het stelsel van internationaal recht wordt gekenmerkt door de
afwezigheid van een centraal wetgevend orgaan, dat wil zeggen het equivalent van een
nationaal parlement. Bovendien is er geen internationale politie, leger of algemeen internationale
rechter om de orde te handhaven en sancties op te leggen.
Als zodanig wordt internationaal recht beschouwd als een systeem dat is gebouwd op, en
afhankelijk is van, de instemming van staten. Zowel de handhaving als de beoordeling van
internationale regels zijn afhankelijk van de instemming van de betrokken staten. Staten profiteren
van de beginselen van soevereine gelijkheid tussen hen en het recht op non-interventie in hun
interne aangelegenheden.
3
, Internationaal recht
1.2 Bronnen van internationaal recht
Dit onderwerp gaat over de wijze waarop de regels en principes van internationaal recht worden
gemaakt en waar deze regels en principes te vinden zijn. Het uitgangspunt bij dit onderwerp is art. 38
van het Statuut van het Internationaal Gerechtshof, 1945 (ICJ-statuut). Dit is de meest
gezaghebbende bron. Art. 38 bepaalt:
1. Het Hof, dat tot taak heeft de aan hem voorgelegde geschillen te beslechten overeenkomstig het
internationaal recht, doet dit met toepassing van:
a) Internationale verdragen, zowel van algemene als van bijzondere aard, waarin regels worden
vastgelegd die uitdrukkelijk door de bij het geschil betrokken staten worden erkend;
b) Internationale gewoonten, als blijk van een als recht aanvaarde algemene praktijk;
c) De door beschaafde naties erkende algemene rechtsbeginselen;
d) Onder voorbehoud van de bepalingen van art. 59, rechterlijke beslissingen, alsmede de
opvattingen van de meest bevoegde schrijvers der verschillende naties, als hulpmiddelen voor
het bepalen van rechtsregels.
2. Deze bepaling laat onverlet de bevoegdheid van het Hof een beslissing ex aequo et bono te
geven indien de partijen daarmee instemmen.
De formele bronnen van internationaal recht zijn dus verdragen, internationaal gebruik en algemene
rechtsbeginselen. Er is geen hiërarchie tussen de formele bronnen, vooral tussen gebruik en
verdrag; het is aanvaard dat deze naast elkaar kunnen bestaan.
Een nuttig middel om de bronnen in art. 38, lid 1, van het ICJ-statuut te begrijpen, is het onderscheid
tussen formele en materiële rechtsbronnen te begrijpen door te kijken naar de functie van de bron.
Als de bron probeert bindende wetgeving te creëren/definiëren, is het een formele bron (een
voorbeeld van nationale wetgeving die naar behoren is vastgesteld door de Staten-Generaal en
die een koninklijke instemming heeft gekregen).
o Verdragen, gewoonterecht en algemene rechtsbeginselen zijn allemaal formele
rechtsbronnen.
Als een bron geen wet creëert, maar ernaar streeft de inhoud en reikwijdte ervan te definiëren, is
het alleen een materiële bron: het identificeert de wet, maar creëert niet de wet.
o Deze categorie omvat met name gerechtelijke beslissingen en de wetenschappelijke
geschriften van ‘publicisten’ (academici en andere internationale juridische experts).
Een aantal aanvullende bronnen is onder de aandacht van internationale juristen gekomen. Deze
omvatten unilaterale statenhandelingen, die verplichtingen voor de staten kunnen creëren;
resoluties van organen van internationale organisaties, met name die van de Algemene
Vergadering en de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties; en het werk van de International Law
Commission, een ondergeschikt orgaan van de Algemene Vergadering waarvan de rapporten
gericht zijn op de codificatie en de geleidelijke ontwikkeling van het internationale recht. Deze
worden niet opgesomd in art. 38, maar zijn vaak relevant bij de bepaling en identificatie van
internationaal recht en kunnen verdere ‘hulpbronnen’ zijn. De vraag blijft echter of ze meer zijn
dan dat.
Naast deze formele bronnen erkent de praktijk ook de zogenaamde ‘soft law’. Soft law-normen
zijn als zodanig niet bindend, maar kunnen soms worden beschouwd als overtuigend.
o Voorbeelden van zachte wetgeving zijn belangrijke resoluties van de Algemene
Vergadering van de VN en resoluties van technische/deskundige instanties zoals de
Wereldgezondheidsorganisatie of het Milieuprogramma van de Verenigde Naties. Hoewel
ze in eerste instantie niet bindend zijn, kunnen deze door consequent oefenen en gebruik
wel worden omgezet in een bindende of ‘harde’ wet.
4