Dierkunde
HOOFDSTUK 1: INLEIDING
Wat is Biologie?
- Vroeger: dieren die nuttig zijn voor mensen, om er zelf een voordeel uit te halen vb. wat leren, kleren,...
- Nu: gebruikt voor fundamentele wetenschappelijke vragen
- Wat is een levend organisme? Wanneer leeft iets
- Bouwstenen kunnen levende organisme zelf bouwen of afbreken en inbouwen in hun lichaam
- Binnen dierkunde zijn er talloze disciplines die in praktijk gecombineerd worden
Wat is leven?
“Leven” karakteriseren a.d.h.v. volgende eigenschappen:
Unieke chemische samenstelling
- Alle levende systemen bevatten complexe macromoleculen:
● nucleïnezuren (RNA en DNA),
● aminozuren (proteïnen/ eiwitten),
● koolhydraten (suikers),
● lipiden (vetten)
Hiërarchische organisatieniveaus
- Leven bestaat uit macromoleculen en die vormen de organellen terug te vinden in cellen.
moleculen (subcellulaire-moleculaire (niveau) → cellen (cellulair niveau) → weefsels → organen → stelsels → individuen → populaties
→ gemeenschappen → ecosystemen
● Hoger niveau beïnvloed door lager niveau, maar hoger niveau vertonen eig. die niet bestaan op lager niveau.
Voortplanting
- op verschillende organisatieniveaus, vb. cellen maken andere cellen, individuen produceren andere individuen, …
● nakomelingen hebben dezelfde eig. als ouder → erfelijkheid
● reproductie van info met evt “fouten” → variatie
→ samenspel = cruciaal voor proces van biologische evolutie
Genetische code
- nucleïnezuur voor meeste organismen = DNA → lange keten nucleotiden dragen 1 van 4 stikstofgroepen → volgorde bepaalt welke
aminozuren samengevoegd tot eiwitten
- DNA = basis genetische code
Metabolisme
- opnemen en afbreken van voedingsstoffen. Na afbraak = energie en bouwstoffen
- vertering, respiratie, synthese van nieuwe moleculen
Ontwikkeling
- typische levenscyclus: ontwikkelen en groeien, vb. rups → vlinder (metamorfose = gedaantewisseling), puppy → Hond
Wat is een dier?
Indeling van levende organismen
- Prokaryoot en Eukaryoot: (BAFPAP) EuBacteria, Archaebacteria, Fungi, Protista, Animalia, Plantae
1
, Lin Wachters ~ 2025-2026
Diagnose van de grote onderverdeling
Eukaryoten: 1 domein → volledige cellulaire infrastructuur
● Eukarya:
- Protista
● unicellulair met complexe celbouw + microscopisch klein
● voeding: foto-autotroof Algae ( bevatten chloroplasten en chlorofyl) + heterotrofe Protozoa
● Basisgroep waaruit Plantae, Fungi, Animalia
- Fungi
● Geen fotosynthetische pigmenten → heterotroof
● leven in dood materiaal
● meestal saprofaag (paddenstoelen), soms parasitair
● 2 groepen: Myxomycophyta (slijmzwammen zonder celwanden) en Eumycophyta (echte zwammen, stijve
celwanden)
- Plantae
● multicellulair
● foto-autotroof → fotosynthese (chloroplasten)
● meestal niet mobiel + stijve celwand (in de plant wel beweging)
● Koolhydraten opgeslagen onder vorm v zetmeel
- Animalia
● multicellulair
● heterotroof
● koolhydraten opgeslagen als glycogeen
● geen celwand wel celmembraan (cellen in zeer nauwe connectie, communicatie door dunnen celmembranen)
● spiercellen en zenuwcellen → autonoom verplaatsen
● meestal sexuele voortplanting
● embryonale ontwikkeling met regelmatige klievingspatronen
Prokaryoot: 2 domeinen → onvolledige celbouw: geen organellen, geen kern, celwand
● Eubacteria
- microscopisch klein, eencellig meestal
- autotroof (zelf): chemo-troof (chemische verbindingen) en foto-troof (fotosynthese) en heterotroof (voeding uit andere
organisme)
- meestal saprotroof (leven van dood organisch materiaal) of parasitair
- overal te vinden= ubiquist
- beweeglijk/onbeweeglijk
- problematische systematiek
→ Cyanobacteriën of blauwwieren:
- fotosynthese → zuurstof produceren
- vaak in kolonies
- endosymbiont in eukaryote cellen? Theorie: prokaryoten in ander prokaryoten verder functioneren ⇒ eukaryote cel
gedragen = organel (ontstaan van chloroplast in plantencel?)
2
, Lin Wachters ~ 2025-2026
- endosymbiont als chloroplast in eukaryoten → bewijslast: gelijkaardig DNA
- (endo) - symbiose= organismen die samenleven waarvan voordeel wordt ervaren
endo = inwendig
- parasitair = organismen die samenleven waarvan nadeel wordt ondervonden
→ Proteobacterie of purperbacterie (salmonella, Yersinia, …)
- endosymbiont als mitochondria in eukaryoten → bewijslast: gelijkaardig DNA
● Archaebacteria
- meestal anaëroob (geen zuurstof)
→ Methanogene bacteriën (meest voorkomende)
- compleet anaëroob
- reduceren CO2 en CH4 (methaan)
- In maag van runderen, stilstaand water, darm van vele dieren, oceaanbodem
- Niet goed in afbreken van grassen want niet de juiste enzymen want dikke celwand en bevat cellulose
- Methaanproductie door koeien (boeren of winden) → bijdragen aan klimaatverandering
→ Extreem halofiele bacteriën → in zeer hoge zoutconcentraties (roze kleur)
→ Thermofiele non-methanogene bacteriën → in extreem zure omstandigheden of hete zwavelhoudende bronnen
Fylogenetische boom
- verwantschappen tussen verschillende soorten. Sommige dichter bij elkaar dan andere → visuele logica (hoe verder groepen zich van
elkaar bevinden, hoe verder ze zich in tijd begeven)
- Gemeenschappelijke voorouders → veel tijd tss
Wat is een dier?
- Pantoffeldiertje ≠ dier want ééncellig
- je hoeft geen kop te hebben om een dier te zijn (koraal en spons)
3
, Lin Wachters ~ 2025-2026
Levende organismen of niet?
Entiteiten die niet beschouwd worden als leven
- Virussen:
● Niet-levende eig.:
- acellulair, geen eigen metabolisme (geen eiwitten maken),
- dubbele/ enkele DNA-streng OF dubbele/ enkele RNA-streng,
niet beide
● levende eig. :
- reproductie in gastheercel,
- mutaties mogelijk (evolutie)
● Bouw: genoom + eiwitmantel + soms enveloppe (stuk plasmamembraan van gastheercel ⇒ binnendringen volgende w
makkelijker)
- Viroïden: kleine stukken infectieus RNA die normale werking v cel in war brengen
- Prionen: infectieuze eiwitten (induceren malformatie van zelfde proteïnen) vb. hersenaandoening
Verschillende organisatieniveaus
moleculair en cellulair: specialisaties van cellen
weefsels en organen: Morfologie: vorm en Fysiologie: functie
individuen en populaties
dier en zijn omgeving (impact):
- Biotische en abiotische factoren
- Habitat = omgeving waarin dier normaal leeft > Biotopen = plaatsen met gelijkaardige (a)biotische factoren
- Gemeenschap = verschillende dieren samenleven in gebied
- Ecosysteem = geheel gemeenschap en omgeving
Interactie tss niveaus
Grote diversiteit
- Arthropoda = geleedpotigen = insecten
- Gewervelde (groen)
- Mollusken = weekdieren (inktvissen, slakken)
4