HOOFDSTUK 1: DEFINITIES EN THEORIEËN VAN MOTORISCHE
CONTROLE EN LEREN
1.1MOTORISCH LEREN EN MOTORISCHE CONTROLE
DEFINITIE MOTORISCH LEREN
“motor learning is a set of internal processes associated with practice or experience
leading to relatively permanent changes in the capability for responding” - Schmidt
1988
het onderliggende proces van leren ligt in de veranderingen in de hersenen =>
plasticiteit
leren:
- Is niet direct observeerbaar, maar wordt afgeleid uit de prestatie
o Probleem: andere factoren beïnvloeden prestatie ook, bv. alcohol,
vermoeidheid, …
- Is het resultaat van welbepaalde ervaringen, niet van gelijk welke ervaringen
- Is een relatief stabiele mogelijkheid om een antwoord te genereren (relatief
permanent)
opslag en retrievel van de relatief permanente gedragsveranderingen, leren en
geheugen zijn sterk met elkaar verbonden:
leren betreft het verwerven van een relatief permanente dispositie om te
antwoorden, terwijl geheugen betrekking heeft op het vastleggen van het
geleerde doorheen de tijd en de activatie van het geleerde wanneer het
betreffende gedrag terug nodig is
studie van motorisch leren in stappen (volgens Adams):
1) Identificatie van de afhankelijke variabele (= het doel)
2) Manipulatie van de onafhankelijke variabelen
3) Opstellen van een leeromgeving
4) Observatie van veranderingen in motorisch antwoord ten gevolge van oefening
5) Tijdelijke en permanente veranderingen scheiden (prestatie vs. leren)
6) Verbetering van de nauwkeurigheid en consistentie van het antwoord ( leren)
DEFINITIE VAN MOTORISCHE CONTROLE
studie van motorisch leren ≠ studie van motorische controle
- Beschrijft en verklaart op welke wijze bewegingen tot stand komen met speciale
interesse voor de vereiste posturale adaptaties die daarmee gepaard gaan.
- De aandacht is hoofdzakelijk gericht op de organisatie en controle van het
motorische apparaat
- Onderzoek naar op welke wijze sensorische processen samenhangen met
motorische handelingen
- Interdisciplinair karakter
, - Centraal thema: het bepalen van de locus waar de organisatie en controle van de
motoriek plaatsgrijpt
o perifere uitgangspunt controle door combi van feedback van de spieren
en gewrichten, de vestibulaire, auditieve en visuele systemen
o centrale uitgangspunt beweging wordt vooraf gestructureerd, geen
feedback nodig
2 manieren van bewegingscontrole:
1) vaak zeer snelle, ballistische
bewegingen waarbij je geen tijd
hebt voor feedback, bv. snelle
opslag
2) tragere bewegingen zoals een
kopje thee volschenken, je hebt
de tijd om feedback te gebruiken
om beweging aan te sturen en te
optimaliseren
tijdens het leren van een
beweging zal er dikwijls een evolutie
van gesloten- naar openluscontrole
plaatsvinden (FB minder nodig),
maar kan ook omgekeerd bij bv.
Parkinson
1.2THEORIEËN VAN MOTORISCHE CONTROLE EN LEREN
motorprogramma-theorieën
Gaan uit van het bestaan van een centraal commandocentrum in de hersenen, dat
verantwoordelijk is voor het plannen en aansturen van bewegingen
- Motorische handelingen worden gestuurd door vooraf geprogrammeerde
instructies die in het geheugen zijn opgeslagen
- Bv. geslotenlustheorie van Adams en schematheorie van Schmidt
dynamische interactietheorieën
Vaardig bewegen ontstaat uit een dynamische interactie tussen talloze factoren:
de eigenschappen van het lichaam, de omgeving en de kenmerken van de taak of
de vaardigheid zelf
- Bv. dynamische patroontheorie
GESLOTENLUSTHEORIE VAN ADAMS (1971)
- Theorie gebasseerd op het geslotenlusprincipe, waarbij feedback van groot belang
is
- Er moet een referentiemechanisme zijn om te bepalen wat correct is en niet
correct centrale rol voor kennis van resultaten (KR)
- Detectie en correctie van fouten => trial-and-error motorisch leren wordt
gezien als probleemoplossend gedrag
- de theorie was vooral toegespitst op het leren van eenvoudige vrijwillige
bewegingen
2 sporen:
- Geheugen spoor:
Selectie en initiatie
beweging
- Perceptuele spoor:
, Evaluatie van de
beweging
kritiek:
- Stockageprobleem?
o Is er opslag genoeg om voor elke beweging een specifiek groot motorisch
programma op te slagen in de hersenen?
- Nieuwigheidsprobleem?
o Je begint niet bij elke nieuwe beweging vanaf 0, er moet dus iets
ondersteunend zijn wat je kan aanpassen om een nieuwe beweging aan te
leren terwijl de theorie zegt dat er bij elke beweging telkens een nieuw
programma wordt aangemaakt
- Theorie vooral gebaseerd op “trage” positioneringstaken, wat met snelle
bewegingen?
SCHEMATHEORIE VAN SCHMIDT (1975)
er is een centraal motorisch programma (gelijkend op het geheugenspoor van Adams)
dat centraal staat en er is minder focus op de rol van feedback
motorisch programma => een stel gestockeerde spiercommando’s die gelijk wanneer
opgeroepen kunnen worden om tot handelen over te gaan
BEWIJS VOOR HET BESTAAN VAN CENTRALE MOTORISCHE PROGRAMMA’S
1) Tijdens de uitvoering van zeer snelle ballistische bewegingen kunnen uitvoerders
bewegingen in 150ms initiëren, uitvoeren en beëindigen. Die tijdsperiode zou te
kort zijn om de beweging te kunnen sturen op basis van feedback
(geslotenluscontrole)
2) Bewegingen kunnen vooraf gepland worden zonder tussenkomst van feedback
tijdens de bewegingsuitvoering
o Centrale patroon generator (CPG) voor stappen
Autonoom oscillatorisch spinaal circuit verantwoordelijk voor
alternerende flexie en extensie
Bewijs: na transectie van het ruggenmerg bij katten vertonen de
achterpoten nog gecoördineerde stapbewegingen op loopband
(EMG activiteit)
o Bv. je staat aan kruispunt en gaat een manouver doen na links en rechts te
hebben gekeken, plots zie je een auto die komt aangereden. Gedurende
enkele miliseconden ben je echter niet in staat om de geplande handeling
af te breken, ondanks het feit dat je de aankomende auto al had
geobserveerd voor de aanvang van de beweging
3) Gedeafferentieerde dieren en mensen kunnen vaardig motorisch gedrag vertonen
MOTORISCH PROGRAMMA: DEFINITIES
er is een evolutie in definities
1) => een verzameling spiercommando’s …
o Die gestructureerd zijn voordat een beweging begint
o Die het toelaten om een sequentie van bewegingen uit te voeren zonder
dat hiervoor perifere feedback wordt gebruikt
2) Later aangepast:
, o Feedback kan niet gebruikt worden om correcties door te voeren in het
selecteren van bewegingen
o Feedback kan wel gebruikt worden om correcties door te voeren in de
uitvoering van een beweging
3) Gegeneraliseerd motorisch programma (GMP) => een programma
verantwoordelijk voor een
klasse van bewegingen
o Geen
stockageprobleem
o Oplossing voor
nieuwigheidsprobleem
o Parameters en
invariante kenmerken
bewegingen genereren:
1) Het gewenste motorische programma oproepen
2) De juiste parameters mee geven aan dit motorisch programma
studies:
o Vertragen van bewegingssequentie gehele sequentie van
contracties wordt vertraagd, doch fasering blijft gelijk
Parameter: totale duur van de beweging
Invariant kenmerk: fasering
o polsrotatieuitvoering met 9 segmenten
parameter: snelheid van uitvoering (test,
compressed, speeded up)
invariant kenmerk: relatieve duur
zelfde als paramter de uitvoerende hand is
bepalen van parameters:
o relatie tussen vroegere bewegingservaringen en huidige gewenste
beweging zit opgeslagen aan de hand van 4 informatiebronnen:
1) intitiële condities
info over het individu (uitgangshouding) en de omgeving
2) antwoordkarakteristieken/ vroegere antwoordkenmerken
parameters die vereist zijn om de beweging te specificeren
zoals tijd, kracht, …
3) antwoordresultaat
succes van de beweging in functie van het doel ervan
4) sensorische gevolgen
sensaties als gevolg van uitvoeren van een beweging
3 belangrijke schema’s
1) herinneringschema voor aanvang van de beweging
relatie tussen initiële condities, vroegere
antwoordresultaten en vroegere
antwoordspecificaties