KANTITATIEVE ONDERZOEKSMETHODIEKEN EN TECHNIEKEN
1. HET SPECIFIEKE KARAKTER VAN CRIMINOLOGISCH ONDERZOEK
1.1. Enkele eigenaardigheden
1.1.1. Verborgen populaties
Hidden populations
1.1.2. Dark number en pakkans
1.1.3. Scheve verdeling
Gauss-verdeling = normale verdeling
1.2. Criminologische knopen om door te hakken
Experimenteel onderzoek
1.2.1. Ethische belemmeringen
Sociaal wenselijke antwoorden
1.2.2. Criminologie en multidisciplinariteit
Discipline= eigen materieel + eigen formeel voorwerp
Sellin: Bastard science, the criminologist is a king without a kingdom
Interdisciplinair vs multidisciplinair (Mucchielli)
Ecclectisme
Globale synthese
1.2.3. Beleidsgericht vs fundamenteel onderzoek
Intern en externe validiteit
Empiricism (fact-telling)
2. BAND TUSSEN THEORIE EN METHODEN
wetenschapsparadigma’s
the reductionists vs the innumerates
methodestrijd (dichotomie)
2.1. De relatie tussen theorie en methodologie
2.2. Neutraliteit van analysetechnieken
2.3. Theoretische en methodologisch pluralisme als gevolg van
maatschappelijke complexiteit
Methodologie
2.4. Verantwoord kiezen voor kwalitatieve of kwantitatieve methoden
Pires
1
,3 principes in wetensch. denken
2.5. Wetenschappelijkheid als inzet van een onvruchtbare discussie over het
groot gelijk
2.5.1. Neopositivisme vs constructivisme
2.5.2. Deductie vs inductie
Popper
Etic (outsider) vs emic (insider)
Trial and error
2.5.3. Onderzoekssubject (subjectivisme) vs onderzoeksobject (objectivisme)
Immersie (going native)
Overidentificatie
2.6. Hoe anders is anders?
2.6.1. Steekproeven: representativiteit en saturatie
Saturatie
2.6.2. Verificatie vs triangulatie
Triangulatie
2.6.3. Isomorfisme en credibiliteit
2.7. Theorie en methode: een nauwe band
3. FASEN IN HET CRIMINOLOGISCH ONDERZOEK
circulair
Popperiaans model
Falsificatie
Inductie vs deductie
Bunge: wetensch. realisme
Iteratief proces
3.1. Fasen in de onderzoekscyclus
3.1.1. De keuze van een onderzoeksprobleem
Hypothesen
3.1.2. Het creëren van een concreet onderzoeksontwerp (operationaliseren en
aanpak)
Operationaliseren
Confounders
Primaire vs secundaire data
Alea iacta est
3.1.3. Het verzamelen van ruwe data
3.1.4. Codering en analyse
Coderen
Multivariatie analyses
2
, 3.1.5. Interpreteren van de resultaten
3.1.6. Rapportering
Rapportering
Empirische generalisaties
3.2. Criminologisch onderzoek als cyclisch process
Toetsen
4. HET ONDERZOEKSPLAN EN ONDERZOEKSVRAGEN IN HET CRIMINOLOGISCH
ONDERZOEK
4.1. probleemformulering
4 bouwstenen
Deductief-nomologisch(DN-) model van Popper
4.1.1. probleemomschrijving en doelstelling
4.1.2. stand van zaken: nadruk op de literatuurstudie
4.1.3. onderzoeksvragen, probleemstelling en hypothesen
handelingsonderzoek/theoretisch onderzoek/leeronderzoek
beschrijvende-/verklarende-/waarderende (of toetsende)-/adviserende-/voorschrijvende
probleemstelling
4.1.3.1. beschrijvende, verkennende en verklarende onderzoeksvragen
genderratio probleem
4.1.3.2. fundamenteel vs praktijkgerichte onderzoeksvragen
4.1.3.3. onderzoeksvragen op verschillende aggregatieniveaus
aggregatieniveau
analyse-eenheden
mirco-, meso-, macroniveau
4.1.3.4. hoeveelheid vs ‘hoe- en waarom’ vragen
4.1.3.5. vragen naar verschillen vs veranderingen
3
1. HET SPECIFIEKE KARAKTER VAN CRIMINOLOGISCH ONDERZOEK
1.1. Enkele eigenaardigheden
1.1.1. Verborgen populaties
Hidden populations
1.1.2. Dark number en pakkans
1.1.3. Scheve verdeling
Gauss-verdeling = normale verdeling
1.2. Criminologische knopen om door te hakken
Experimenteel onderzoek
1.2.1. Ethische belemmeringen
Sociaal wenselijke antwoorden
1.2.2. Criminologie en multidisciplinariteit
Discipline= eigen materieel + eigen formeel voorwerp
Sellin: Bastard science, the criminologist is a king without a kingdom
Interdisciplinair vs multidisciplinair (Mucchielli)
Ecclectisme
Globale synthese
1.2.3. Beleidsgericht vs fundamenteel onderzoek
Intern en externe validiteit
Empiricism (fact-telling)
2. BAND TUSSEN THEORIE EN METHODEN
wetenschapsparadigma’s
the reductionists vs the innumerates
methodestrijd (dichotomie)
2.1. De relatie tussen theorie en methodologie
2.2. Neutraliteit van analysetechnieken
2.3. Theoretische en methodologisch pluralisme als gevolg van
maatschappelijke complexiteit
Methodologie
2.4. Verantwoord kiezen voor kwalitatieve of kwantitatieve methoden
Pires
1
,3 principes in wetensch. denken
2.5. Wetenschappelijkheid als inzet van een onvruchtbare discussie over het
groot gelijk
2.5.1. Neopositivisme vs constructivisme
2.5.2. Deductie vs inductie
Popper
Etic (outsider) vs emic (insider)
Trial and error
2.5.3. Onderzoekssubject (subjectivisme) vs onderzoeksobject (objectivisme)
Immersie (going native)
Overidentificatie
2.6. Hoe anders is anders?
2.6.1. Steekproeven: representativiteit en saturatie
Saturatie
2.6.2. Verificatie vs triangulatie
Triangulatie
2.6.3. Isomorfisme en credibiliteit
2.7. Theorie en methode: een nauwe band
3. FASEN IN HET CRIMINOLOGISCH ONDERZOEK
circulair
Popperiaans model
Falsificatie
Inductie vs deductie
Bunge: wetensch. realisme
Iteratief proces
3.1. Fasen in de onderzoekscyclus
3.1.1. De keuze van een onderzoeksprobleem
Hypothesen
3.1.2. Het creëren van een concreet onderzoeksontwerp (operationaliseren en
aanpak)
Operationaliseren
Confounders
Primaire vs secundaire data
Alea iacta est
3.1.3. Het verzamelen van ruwe data
3.1.4. Codering en analyse
Coderen
Multivariatie analyses
2
, 3.1.5. Interpreteren van de resultaten
3.1.6. Rapportering
Rapportering
Empirische generalisaties
3.2. Criminologisch onderzoek als cyclisch process
Toetsen
4. HET ONDERZOEKSPLAN EN ONDERZOEKSVRAGEN IN HET CRIMINOLOGISCH
ONDERZOEK
4.1. probleemformulering
4 bouwstenen
Deductief-nomologisch(DN-) model van Popper
4.1.1. probleemomschrijving en doelstelling
4.1.2. stand van zaken: nadruk op de literatuurstudie
4.1.3. onderzoeksvragen, probleemstelling en hypothesen
handelingsonderzoek/theoretisch onderzoek/leeronderzoek
beschrijvende-/verklarende-/waarderende (of toetsende)-/adviserende-/voorschrijvende
probleemstelling
4.1.3.1. beschrijvende, verkennende en verklarende onderzoeksvragen
genderratio probleem
4.1.3.2. fundamenteel vs praktijkgerichte onderzoeksvragen
4.1.3.3. onderzoeksvragen op verschillende aggregatieniveaus
aggregatieniveau
analyse-eenheden
mirco-, meso-, macroniveau
4.1.3.4. hoeveelheid vs ‘hoe- en waarom’ vragen
4.1.3.5. vragen naar verschillen vs veranderingen
3