Dr. Wim Bouckaert
Basale functies van levende organismen beschrijven
1) Reactievermogen
Organismen worden geprikkeld door veranderingen in hun
onmiddellijke omgeving.
Bijvoorbeeld: mensen die hun hand van een hete kachel
terugtrekken, honden die blaffen als er een vreemde aankomt,
vissen die schrikken van harde geluiden, …
Aanpassingsvermogen = bv een dier dat een dikkere vacht
krijgt als de winter eraan komt.
2) Groei
Toename van het aantal cellen van organismen.
Eencellige organismen groeien doordat de cel groter wordt,
terwijl meer complexe organismen voornamelijk groeien
doordat het aantal cellen toeneemt.
Differentiatie = meercellige organismen die zich ontwikkelen,
specialiseren zich zodat ze bepaalde functies kunnen
vervullen.
3) Voortplanting
Organismen planten zich voort en brengen steeds nieuwe
generaties van dezelfde organismen voort.
4) Beweging
Organismen vertonen beweging.
Inwendig transport van voedingsstoffen, bloed of andere
stoffen in het lichaam.
Uitwendig voortbeweging door de omgeving.
5) Stofwisseling
Organismen zijn afhankelijk van complexe chemische reacties
om energie te leveren die nodig is voor het reactievermogen,
de groei, de voortplanting en de beweging.
Synoniem = metabolisme
Respiratie = opname, vervoer en verbruik van zuurstof door
cellen.
Excretie = proces van uitscheiding uit het lichaam.
, De relatie tussen anatomie en fysiologie verklaren en
de verschillende specialisaties binnen elk van deze
disciplines beschrijven
Anatomie = studie van inwendige en uitwendige structuren & de fysieke
relaties tussen lichaamsdelen.
1) Macroscopische anatomie
Met het blote oog zichtbaar
VB: weefsel als geheel
2) Microscopische anatomie
Niet met het blote oog zichtbaar
VB: bacteriën onder microscoop
Fysiologie = studie van het functioneren van levende organismen.
De belangrijkste organisatieniveaus in organismen
kennen, vanaf het eenvoudigste tot het meest
complexe
1) Chemie
Chemisch niveau
Atomen verbinden zich met elkaar tot moleculen met een
complexe vorm.
2) Cytologie
Celniveau
Verschillende moleculen vertonen interactie, zodat grotere
structuren ontstaan.
Elke type structuur heeft een specifieke functie.
Bijvoorbeeld, in het hart vertonen verschillende typen
eiwitfilamenten interacties die leiden tot de contracties van
spiercellen.
3) Histologie
Weefselniveau
Bestaat uit cellen van hetzelfde type die samenwerken om een
specifieke functie uit te voeren.
Bijvoorbeeld, hartspiercellen vormen hartspierweefsel.