Geestelijke gezondheidszorg
Biopsychosociaal model -> bij elke psychiatrische aandoening zijn deze 3
symptomen aanwezig op een op andere manier
Bv. Depressie – genetische factoren neuropsychologie (bio), psychosociaal
(karakter, perfectionistisch), sociaal (bv. Je wordt ontslagen, je huis is afgebrand)
- Serotonine, dopamine, noradrenaline (hersenen beïnvloeden, overdracht
beïnvloeden)
Behandelen is op deze 3 factoren interveniëren (medicatie, therapie en
omgevingsfactoren aanpassen)
Doelen:
- Na het volgen van de lessen is de cursist in staat om van de meest
relevante psychofarmaca:
- de belangrijkste werking en bijwerkingen te verklaren vanuit het
werkingsmechanisme;
- de effectiviteit zowel kwalitatief als kwantitatief te beschrijven;
- complexere farmacotherapie te analyseren;
- De patiënt inhoudelijk te informeren betreffende de psychofarmaca die hij
neemt.
PSYCHOFARMACA
medicijnen -> invloed hebben op het centrale zenuwstelsel
indicatie -> behandeling van psychische aandoeningen
belangrijkste groepen psychofarmaca:
- Benzodiazepines (anxiolitica + hypnotica)
- Antidepressiva
- Antipsychotica (neuroleptica)
- Lithium
- methylfenidaat.
Al de benzodiazepines zijn ofwel anxiolitica of hypnotica
(maar in de groep van hypnotica bestaan er ook andere hypnotica dan
bezodiazepines)
(zoeken naar een stof die je manier van zijn/denken veranderd)
Sint-Jans kruid – werkt mild antidepressief
Lithium -> enkel voor mensen met een bipolaire stoornis
• 1958: haloperidol– standaard maat - stabiel
• 1969: clozapine = leponex (voor schizofrenie) – gaat WBC aantasten
• 1971: carbamazepine bij manie– anti-elepticum (bij manische episode)
• 1978: carbamazepine bij manie
• 1981: zimeldine (SSRI) – selectieve serotonine heropname remmers
• 1988: herontdekking clozapine
• 1991: moclobemide (RIMA) MAO-B remmer
• 1993: R 64766 (risperidon) atypische antipsychotica
• 1994: mirtazapine, venlafaxine (dual action antidepressant)
• 1996: olanzapine
• 1996: sertindole
• 1998: quetiapine (voor slapen bij oudere, maakt hoofd rustiger)
• 2005: duloxetine
,Chemische substanties die de werking van hersencellen beïnvloeden.
- door reguleren van onderlinge communicatie (neurotransmittors).
- door wijzigen van prikkelbaarheid van de cel
CATEGORIEËN
Antipsychotica
Antidepressiva
Lithium en overige stemmingsstabilisatoren
Benzodiazepines, slaap- en kalmeermiddelen
Stimulantia
Overige: correctoren, adjuvantia, antiverslavingsmiddelen, somatische medicatie
ANTIPSYCHOTICA
= psychotische symptomen te behandelen
- wanen, hallucinaties en ernstige denkstoornissen
- vooral voorgeschreven bij schizofrenie, bipolaire stoornis en ernstige
depressies met psychotische kenmerken
Antipsychotica helpen dus psychotische symptomen te verminderen door de
dopamine- en serotoninehuishouding in de hersenen te beïnvloeden. De keuze
van het middel hangt af van de specifieke klachten en de balans tussen
werkzaamheid en bijwerkingen
Wanen = fout in het denken
Hallucineren = waarnemen
Aard hallucinatie beïnvloed door cultuur en tijdsgeest
Veel nevenwerkingen lijken op Parkinson nevenwerkingen
WERKING VAN ANTIPSYCHOTICA
Antipsychotica beïnvloeden de neurotransmitters in de hersenen, met name
dopamine. Dopamine is een boodschapperstof die betrokken is bij motivatie,
beloning en het reguleren van gedachten en perceptie
DOPAMINEHYPOTHESE
- Psychotische symptomen worden vaak geassocieerd met een overactiviteit
van dopamine in bepaalde hersengebieden, vooral in het mesolimbische
systeem (betrokken bij emoties en motivatie).
- Antipsychotica werken door dopamine-receptoren (voornamelijk D2-
receptoren) te blokkeren, waardoor de overmatige dopaminesignalering
afneemt.
Al de antipsychotica blokkeren dopamine (vooral in het mesolimbisch systeem –
emoties)
TYPEN ANTIPSYCHOTICA
Typische (eerste generatie) antipsychotica
- Bijvoorbeeld haloperidol en chloorpromazine.
- Blokkeren vooral de D2-receptoren en zijn effectief tegen positieve
symptomen (zoals hallucinaties en wanen).
, - Nadeel: hoge kans op bijwerkingen zoals parkinsonachtige
bewegingsstoornissen (extrapiramidale symptomen).
Atypische (tweede generatie) antipsychotica
- Bijvoorbeeld risperidon, olanzapine en clozapine.
- Werken naast dopamine ook op serotonine (5-HT2A-receptoren), wat
mogelijk helpt bij negatieve symptomen (zoals apathie en sociaal
terugtrekgedrag).
- Minder extrapiramidale bijwerkingen, maar kunnen gewichtstoename en
metabole problemen veroorzaken.
We gebruiken het voor wanen en hallucinaties
We gebruiken dit ook omwille van een nevenwerking (bv. Sederend –
slaapverwekkend)
- Soms geven bij agressie
- Gedrag of persoonlijkheid wordt beïnvloed – je wordt daar minder scherp
van in persoonlijkheid (je wordt meer meewerkend)
Benzodiazepines mag je niet combineren met alcohol, drugs
Antipsychotica kan je wel combineren (en is dus veiliger)
Extrapiramidale symptomen (al de symptomen die mensen met parkinson ook
hebben)
- Negatief symptoom: iets gaat weg zodat je beter kunt functioneren
- Positief symptoom: iets komt er bij
Atypische antipsychotica (invloed op negatieve symptomen)
Atypische antipsychotica:
Metabool syndroom ontwikkelen: bestaat uit 4 subproblemen -> vergroot risico
op cardiovasculaire problemen
- Gewichtstoename (vooral rond de buik)
- Glycemie stijgt
- Bloeddruk stijgt
- Sterke verhoging van triglyceriden en cholesterol
2 hulpmiddelen (metformine + ozempic + systematish cholesterolremmers)
Hormonale nevenwerkingen
TYPISCHE ANTIPSYCHOTICA (EERSTE GENERATIE)
Werkingsmechanisme
- Blokkeren dopamine D2-receptoren sterk in het mesolimbische systeem,
waardoor positieve symptomen zoals wanen en hallucinaties afnemen.
- Hebben weinig effect op serotonine (5-HT) en beïnvloeden vooral de
dopaminebanen.
- Kunnen leiden tot extrapiramidale bijwerkingen door dopamineblokkade in
het nigrostriatale systeem.
VOORBEELDEN VAN TYPISCHE ANTIPSYCHOTICA
Hoogpotente middelen (sterke D2-blokkade, hoge kans op
bewegingsstoornissen)
- Haloperidol (Haldol)
- Flupentixol
- Flufenazine
, Laagpotente middelen (minder sterke D2-blokkade, meer sedatie en
anticholinerge bijwerkingen)
- Chloorpromazine
- Levomepromazine
Voordelen
- Effectief tegen positieve symptomen (hallucinaties, wanen).
- Goedkoop en al lang in gebruik.
Nadelen
- Hoge kans op extrapiramidale bijwerkingen (tremor, stijfheid, akathisie,
tardieve dyskinesie).
- Minder effectief tegen negatieve symptomen (apathie, sociale
terugtrekking).
- Kunnen het cognitief functioneren verslechteren. (vertraagt het denken)
ATYPISCHE ANTIPSYCHOTICA (TWEEDE GENERATIE)
Werkingsmechanisme
- Blokkeren zowel dopamine D2-receptoren als serotonine 5-HT2A-
receptoren.
- De serotonineblokkade zorgt ervoor dat er minder dopamineblokkade in
bepaalde hersengebieden plaatsvindt, waardoor de kans op
extrapiramidale bijwerkingen afneemt.
- Hebben een breder werkingsprofiel, waardoor ze mogelijk ook negatieve
symptomen en cognitieve stoornissen verbeteren.
Voorbeelden van atypische antipsychotica
- Dopamine-serotonine antagonisten (DSA)
- risperidon
- olanzapine
- quetiapine
- Dopamine-partiële agonisten (DPA) (reguleren dopamine in plaats van
volledig te blokkeren)
- aripiprazol
- Brexpiprazol
- Specifiek geval: clozapine
- Het meest effectieve middel bij therapieresistente schizofrenie.
- Heeft het laagste risico op extrapiramidale bijwerkingen, maar kan
ernstige bijwerkingen geven zoals agranulocytose (onderdrukking
van het immuunsysteem).
Voordelen
- Minder extrapiramidale bijwerkingen.
- Kunnen helpen bij negatieve symptomen en cognitieve stoornissen.
- Clozapine is zeer effectief bij therapieresistente patiënten.
Nadelen
- Hogere kans op metabole bijwerkingen (gewichtstoename, diabetes,
verhoogd cholesterol, hypertensie).
- Sommige middelen veroorzaken sedatie en orthostatische hypotensie.
- Clozapine vereist regelmatige bloedcontroles vanwege het risico op
agranulocytose.
CONCLUSIE