Vraag en Aanbod
Hoofdstuk 1
- De wet van de vraag: hoe hoger de prijs, hoe kleiner de gevraagde hoeveelheid.
- De individuele vraag: het aantal eenheden dat een consument ergens van wil kopen bij een bepaalde
prijs. Wordt door de volgende factoren beïnvloed:
o Individuele voorkeuren
o Beschikbare budget
o Aanwezigheid subsitueerbare producten (bevredigen dezelfde behoefte)
o Bestaan van complementaire producten (alleen in combinatie van elkaar)
o Exogene factoren (zoals het weer of de drukte)
- De collectieve vraag: de optelsom van alle individuele vragen. De collectieve vraaglijn heet ook wel de
prijs-afzetlijn.
- De betalingsbereidheid: de maximale prijs die een consument wil betalen voor 1 product bij een
gegeven aantal
- Het consumentensurplus: ontstaat wanneer consumenten bereid zijn om méér te betalen dan de
geldende prijs. (lengte x breedte x 0.5)
- het collectieve consumentensurplus: de optelsom van het individuele consumentensurplus van alle
individuen in de groep die het product kopen.
- De vraaglijn: lijn die het verband weergeeft tussen de gevraagde hoeveelheid en prijs
- Er zijn 4 soorten goederen:
o Normale goederen (kleding, eten, drinken, dagelijkse consumptie)
o Luxe goederen (dure auto, vakantie, dure kleding)
o Noodzakelijke goederen (eten en drinken)
o Inferieure goederen (slechtere kwaliteit goederen)
- Prijselasticiteit: geeft aan hoeveel procent de gevraagde hoeveelheid verandert als gevolg van een
prijsverandering.
Waarde prijselasticiteit Procentuele verandering Gevolg van prijsverhoging
Prijselasticiteit = 0 Gevraagde hoeveelheid veranderd niet bij een Omzet stijgt
procentuele verandering van de prijs.
-1 < prijselasticiteit < 0 De procentuele verandering van de gevraagde Omzet stijgt
hoeveelheid is kleiner dan de procentuele verandering
van de vraag: inelastisch
Prijselasticiteit = -1 De procentuele verandering van de gevraagde Omzet blijft gelijk
hoeveelheid is gelijk aan procentuele verandering van de
vraag: niet elastisch, niet inelastisch
Prijselasticiteit < -1 De procentuele verandering van de gevraagde Omzet daalt
hoeveelheid is groter dan de procentuele verandering
van de vraag: elastisch
Prijselasticiteit < -oneindig De procentuele verandering van de gevraagde Omzet verdwijnt
hoeveelheid is oneindig veel groter dan de procentuele
verandering van de vraag
- Inkomenselasticiteit: de procentuele verandering in de gevraagde hoeveelheid als gevolg van een
procentuele verandering in het inkomen.
Hoofdstuk 2
- Productiefactoren worden ingezet om een product of dienst voort te brengen. Er zijn 4 soorten: arbeid
(menselijk handelen), kennis (vaardigheden), kapitaal (grondstoffen) en locatie (bijv. een kantoor)
- Het productieproces vatten we samen in een productiefunctie: de wiskundige relatie tussen de inzet
van productiefactoren en de uiteindelijke productieomvang.
- Meeropbrengst: de extra opbrengst door de inzet van een extra eenheid:
o Toenemende meeropbrengsten: dezelfde verhoging van de productiefactor arbeid
geeft een steeds grotere stijging van de productie
o Afnemende meeropbrengsten: dezelfde verhoging van de productiefactor arbeid geeft een
steeds kleinere stijging van de productie.
, o Constante meeropbrengsten: dezelfde toename in de productiefactor arbeid, levert steeds
dezelfde productiestijging op.
- Toenemende schaalvoordelen: De kosten nemen minder toe met een uitbreiding van de productie
Afnemende schaalvoordelen: De kosten nemen meer toe met een uitbreiding van de productie
- Soorten kosten en opbrengsten:
Soort kosten Betekenis Voorbeeld / formule
Vaste kosten Kosten die niet veranderen als er meer of minder Huur van bedrijfspand, kosten van de
wordt geproduceerd machines
Variabele kosten Kosten die wel veranderen als er meer of minder Arbeidsloon, kosten van grondstoffen
wordt geproduceerd of energie
Totale kosten De optelsom van de variabete kosten en de vaste Vaste kosten + variabele kosten
(TK) kosten.
Gemiddeld totale kosten De totale kosten per geproduceerde eenheid.
(GTK) Nodig om te bepalen of de producent winst maakt
Marginale kosten De extra totale kosten die gemaakt worden om
(MK) een extra eenheid te produceren.
Gemiddelde opbrengst De opbrengst per verkochte eenheid
(GO)
Marginale opbrengst De opbrengst van de laatst verkochte eenheid
(MO)
Totale opbrengst De totale waarde van alle opbrengsten
(TO)
- In het break-evenpunt zijn de kosten precies gelijk aan de opbrengsten (TO = TK of GO = GTK).
- Het producentensurplus: de optelsom van het verschil tussen de prijs en wat de producent minimaal
wil ontvangen over alle geproduceerde eenheden.
- Het collectieve aanbod: de optelsom van wat alle individuele producenten aanbieden.
De collectieve aanbodlijn geeft aan hoeveel er in totaal geproduceerd wordt bij iedere prijs.
Het individuele aanbod: het aantal eenheden dat de producent zal aanbieden bij een bepaalde prijs.
Hoofdstuk 3
- In het marktevenwicht is de gevraagde hoeveelheid gelijk aan de aangeboden hoeveelheid. Bestaat uit
evenwichtsprijs en evenwichtshoeveelheid.
- Komt tot stand door vrije prijsvorming: samenspel tussen vraag en aanbod. Bij een aanbodoverschot
zal de prijs dalen tot de evenwichtsprijs, bij een vraagoverschot zal de prijs stijgen tot de
evenwichtsprijs. Dit proces wordt ook wel de onzichtbare hand genoemd.
Markt en overheid
Hoofdstuk 1
- Concrete markt: de plaats waar vragers en aanbieders elkaar ontmoeten. Bijvoorbeeld marktplaats.
Abstracte markt: alle factoren die te maken hebben met de verhandeling van het product.
Bijvoorbeeld de huizenmarkt of de arbeidsmarkt.
- De kenmerken van een markt vormen samen de marktstructuur. De drie belangrijkste kenmerken zijn:
o Het aantal aanbieders en hun marktaandelen (meer aanbieders is meer concurrentie en de
dominante aanbieder heeft het grootste marktaandeel)
o De toetredingsdrempels (hoe hoger de drempel, hoe moeilijker toetreding)
o De mate van productdifferentiatie (of de consument verschil ziet tussen de producten)
- Bij homogene producten ziet de consument geen verschil tussen verschillende versies van het product
(bijvoorbeeld elektriciteit)
- Bij heterogene producten ziet de consument wel verschil tussen verschillende versies van het product.
Dit geld voor de meeste producten (bijvoorbeeld fietsen, telefoons, chips, cafés, meubels)
- Gedifferentieerde producten: producten die substitueerbaar zijn maar in de ogen van de consument
wel van elkaar verschillen (bijvoorbeeld Cola en Sprite: anders maar vervullen wel dezelfde behoefte)
- Onafhankelijke producten: producten die onderling helemaal niet substitueerbaar zijn
- Er 4 verschillende soorten marktvormen: