!025
2026
SCHAKEL %'()*"+"$,#
NEUROPSYCHOLOGY &
PSYCHOPHARMACOLOGY
DEEL NEUROPSYCHOLOGY
,NEUROPSYCHOLOGIE: LES 1 - INTRODUCING COGNITIVE
NEUROSCIENCE + THE LESIONED BRAIN
HOOFDSTUK 1: COGNITIVE NEUROSCIENCE
= hee% als doel een hersengebaseerde verklaring te geven voor cogni2eve en gedragsma2ge
processen (zoals waarnemen, herinneren, denken, ...).
- Dit werd mogelijk gemaakt door technologische vooruitgang in het onderzoek van de
hersenen.
1. THE MIND-BOCY PROBLEM
Het mind-body probleem stelt de vraag hoe een fysiek systeem, zoals de hersenen en het lichaam,
mentale ervaringen kan voortbrengen. Reeds de oude Grieken discussieerden hierover: Aristoteles
situeerde mentale processen in het hart, terwijl Plato ze in de hersenen plaatste.
- Er werden verschillende filosofische en wetenschappelijke benaderingen ontwikkeld om
deze vraag te beantwoorden.
1.1. PHILOSOPHICAL APPROACHES TO MIND AND BRAIN
- Dualisme (Descartes): stelt dat geest (mind) en lichaam (body) twee afzonderlijke substanSes
zijn. Er bestaan specifieke structuren in het lichaam (zoals de pijnappelklier of pineal gland)
die de interacSe tussen beide mogelijk maken.
- Dual-aspect theory (Spinoza): geest en lichaam zijn twee manieren om hetzelfde fenomeen
te beschrijven.
- Reduc2onisme (Churchland): mentale processen kunnen volledig verklaard worden door
biologische en fysieke processen.
Þ Huidige visie: ligt het dichtst bij de dual-aspect theory.
1.2. SCIENTIFIC APPROACHES TO MIND AND BRAIN
- Vroege anatomen geloofden dat de ventrikels het belangrijkste deel van de hersenen waren.
- Tot de 18e eeuw werd de cortex vaak schemaSsch of zelfs fouSef afgebeeld, bijvoorbeeld als
darmen.
- Gall en Spurzheim (1810) maakten de eerste nauwkeurige beschrijving van de kenmerken
van de hersenen.
1.2.1.PHRENOLOGY
= een wetenschappelijke benadering die de vorm van de schedel gebruikt om mentale processen te
bestuderen.
3 kernassump2es
Assump2e 1 – Func2onal specializa2on
• Verschillende delen van de cortex hebben verschillende funcSes.
• Er zouden specifieke gebieden bestaan voor bijvoorbeeld taal, muziek of andere mentale
funcSes.
Assump2e 2 – Persoonlijkheidsverschillen
• Verschillen in persoonlijkheid worden veroorzaakt door verschillen in groo[e van
hersengebieden.
• Hoe sterker een funcSe ontwikkeld is, hoe groter het corresponderende hersengebied.
• Volgens frenologen veroorzaakten grotere hersengebieden bulten op de schedel.
Assump2e 3 – Indeling van psychologische kenmerken
• Psychologische eigenschappen werden opgedeeld in afzonderlijke kenmerken.
• Voorbeelden: liefde voor dieren, religiositeit, agressie.
• Deze indeling was niet gebaseerd op wetenschappelijk bewijs.
1
, Þ Belangrijk: de conclusies van de frenologie waren fout, maar het idee van func2onele
specialisa2e bleek juist.
1.2.2. FUNCTIONAL SPECIALIZATION
d: toonde aan dat verschillende delen van de cortex verschillende func2es hebben.
- Hij deed dit door Sjdens operaSes de cortex elektrisch te sSmuleren.
- Voorbeelden:
• SSmulaSe achteraan in de hersenen veroorzaakt visuele sensa2es.
• SSmulaSe bovenaan de hersenen veroorzaakt motorische bewegingen.
• SSmulaSe van bepaalde gebieden aan de rechterzijde kan audi2eve
ervaringen uitlokken.
- Tegenwoordig wordt deze methode weinig gebruikt omdat ze zeer invasief is.
Zijn bevindingen waren echter van groot belang voor de ontwikkeling van de cogniSeve
neurowetenschap.
Broca: beschreef een paSënt die niet kon spreken maar taal wel begreep.(taalbegrip) à De
beschadigde regio werd later bekend als Broca's area.
Wernicke: beschreef een paSënt met een slecht taalbegrip maar een relaSef goede spraakproducSe.
Þ
• Er bestaan minstens twee taalfunc2es in de hersenen, namelijk taalproduc2e en taalbegrip
• Deze func2es kunnen ona]ankelijk van elkaar beschadigd raken.
Conclusie: verschillende delen van de cortex zijn gespecialiseerd in verschillende func2es àdit
vormt de basis van cogniteve neuropsychologie.
2. MODELS FOR COGNITION
2.1. MINDS WITHOUT BRAINS: THE COMPUTER METAPHOR
- Het grootste deel van de psychologie in de 20e eeuw rich[e zich op het observeren
van gedrag, en niet op het bestuderen van de hersenen Sjdens dat gedrag.
Hierdoor ontstonden modellen van cogniSe die niet rechtstreeks naar de hersenen
verwijzen. (bv. de informa2on-processing models uit de jaren 1950)
Verwerkingsketen:
Computer methapor: De computer metafoor beschouwt de geest als een systeem dat informa8e verwerkt via
een reeks rou/nes (seriële stappen), vergelijkbaar met een computer, zonder verwijzing naar de onderliggende
hersensructuren.
2.2. MINDS WITH VERY ABSTRACT BRAINS: THE CONNECTIONIST MODEL
Connec/onis/sch model:
- Connec8onis8sche modellen zijn computa/onele
(wiskundige) modellen.
- Cogni8e ontstaat door parallelle verwerking in een
netwerk van onderling verbonden eenheden.
- Er zijn geen vaste, seriële verwerkingsstappen.
Conclusie: cogni8e ontstaat uit de interac8e tussen vele
verbonden eenheden en niet uit een opeenvolging van
afzonderlijke rou8nes.
2
, 3. THE BIRTH OF COGNITIVE NEUROSCIENCE
- 1970’s: structurele beeldvormingstechnieken (CT en MRI) maakten het mogelijk om
nauwkeurige beelden van de hersenen en hersenletsels te verkrijgen.
- Jaren 1980: PET werd toegepast op cogniSeve modellen die door psychologen waren
ontwikkeld.
- 1985: TMS (Transcranial Magne2c S2mula2on) werd voor het eerst gebruikt. Dit was een
niet-invasief en veiliger alternaSef voor de eerdere studies van Penfield.
- Jaren 1990: het zuurstofgehalte in het bloed werd gebruikt als maat voor cogniSeve acSviteit.
Dit vormt de basis van fMRI. Deze periode wordt vaak de "Decade of the Brain" genoemd.
Conclusie: de ontwikkeling van beeldvormingstechnieken en hersensSmulaSe maakte het mogelijk
om cogniSeve processen rechtstreeks te koppelen aan hersenacSviteit. Hierdoor ontstond de
moderne cogniSeve neurowetenschap.
3.1. METHODS OF COGNITIVE NEUROSCIENCE
METHODE TYPE INVASIVITEIT BRAIN PROPERTY USED
EEG/ERP recording non-invasief electrical
Single-cell (and mulF-unit) recording invasief electrical
recordings
TMS sFmulaFon non-invasief electromagneFc
tES sFmulaFon non-invasief electrical
MEG recording non-invasief magneFc
PET recording licht invasief hemodynamic
(radioacFeve tracer)
fMRI recording non-invasief hemodynamic
fNIRS recording non-invasief hemodynamic
Temporal resolu2on
• De temporale resolu2e (X-as) verwijst naar de
nauwkeurigheid waarmee men kan
meten wanneer een gebeurtenis plaatsvindt.
• Hoe beter de temporale resoluSe, hoe
nauwkeuriger men de Sming van hersenacSviteit
kan bepalen.
Spa2al resolu2on
• De spa2ële resolu2e (Y-as) verwijst naar de
nauwkeurigheid waarmee men kan
meten waar een gebeurtenis plaatsvindt.
• In deze figuur wordt dit weergegeven door het
niveau waarop geregistreerd wordt (hersenen,
gebied, kolom, neuron, synaps, ...).
• Hoe hoger in de figuur, hoe groter het hersengebied dat gemeten wordt.
3
2026
SCHAKEL %'()*"+"$,#
NEUROPSYCHOLOGY &
PSYCHOPHARMACOLOGY
DEEL NEUROPSYCHOLOGY
,NEUROPSYCHOLOGIE: LES 1 - INTRODUCING COGNITIVE
NEUROSCIENCE + THE LESIONED BRAIN
HOOFDSTUK 1: COGNITIVE NEUROSCIENCE
= hee% als doel een hersengebaseerde verklaring te geven voor cogni2eve en gedragsma2ge
processen (zoals waarnemen, herinneren, denken, ...).
- Dit werd mogelijk gemaakt door technologische vooruitgang in het onderzoek van de
hersenen.
1. THE MIND-BOCY PROBLEM
Het mind-body probleem stelt de vraag hoe een fysiek systeem, zoals de hersenen en het lichaam,
mentale ervaringen kan voortbrengen. Reeds de oude Grieken discussieerden hierover: Aristoteles
situeerde mentale processen in het hart, terwijl Plato ze in de hersenen plaatste.
- Er werden verschillende filosofische en wetenschappelijke benaderingen ontwikkeld om
deze vraag te beantwoorden.
1.1. PHILOSOPHICAL APPROACHES TO MIND AND BRAIN
- Dualisme (Descartes): stelt dat geest (mind) en lichaam (body) twee afzonderlijke substanSes
zijn. Er bestaan specifieke structuren in het lichaam (zoals de pijnappelklier of pineal gland)
die de interacSe tussen beide mogelijk maken.
- Dual-aspect theory (Spinoza): geest en lichaam zijn twee manieren om hetzelfde fenomeen
te beschrijven.
- Reduc2onisme (Churchland): mentale processen kunnen volledig verklaard worden door
biologische en fysieke processen.
Þ Huidige visie: ligt het dichtst bij de dual-aspect theory.
1.2. SCIENTIFIC APPROACHES TO MIND AND BRAIN
- Vroege anatomen geloofden dat de ventrikels het belangrijkste deel van de hersenen waren.
- Tot de 18e eeuw werd de cortex vaak schemaSsch of zelfs fouSef afgebeeld, bijvoorbeeld als
darmen.
- Gall en Spurzheim (1810) maakten de eerste nauwkeurige beschrijving van de kenmerken
van de hersenen.
1.2.1.PHRENOLOGY
= een wetenschappelijke benadering die de vorm van de schedel gebruikt om mentale processen te
bestuderen.
3 kernassump2es
Assump2e 1 – Func2onal specializa2on
• Verschillende delen van de cortex hebben verschillende funcSes.
• Er zouden specifieke gebieden bestaan voor bijvoorbeeld taal, muziek of andere mentale
funcSes.
Assump2e 2 – Persoonlijkheidsverschillen
• Verschillen in persoonlijkheid worden veroorzaakt door verschillen in groo[e van
hersengebieden.
• Hoe sterker een funcSe ontwikkeld is, hoe groter het corresponderende hersengebied.
• Volgens frenologen veroorzaakten grotere hersengebieden bulten op de schedel.
Assump2e 3 – Indeling van psychologische kenmerken
• Psychologische eigenschappen werden opgedeeld in afzonderlijke kenmerken.
• Voorbeelden: liefde voor dieren, religiositeit, agressie.
• Deze indeling was niet gebaseerd op wetenschappelijk bewijs.
1
, Þ Belangrijk: de conclusies van de frenologie waren fout, maar het idee van func2onele
specialisa2e bleek juist.
1.2.2. FUNCTIONAL SPECIALIZATION
d: toonde aan dat verschillende delen van de cortex verschillende func2es hebben.
- Hij deed dit door Sjdens operaSes de cortex elektrisch te sSmuleren.
- Voorbeelden:
• SSmulaSe achteraan in de hersenen veroorzaakt visuele sensa2es.
• SSmulaSe bovenaan de hersenen veroorzaakt motorische bewegingen.
• SSmulaSe van bepaalde gebieden aan de rechterzijde kan audi2eve
ervaringen uitlokken.
- Tegenwoordig wordt deze methode weinig gebruikt omdat ze zeer invasief is.
Zijn bevindingen waren echter van groot belang voor de ontwikkeling van de cogniSeve
neurowetenschap.
Broca: beschreef een paSënt die niet kon spreken maar taal wel begreep.(taalbegrip) à De
beschadigde regio werd later bekend als Broca's area.
Wernicke: beschreef een paSënt met een slecht taalbegrip maar een relaSef goede spraakproducSe.
Þ
• Er bestaan minstens twee taalfunc2es in de hersenen, namelijk taalproduc2e en taalbegrip
• Deze func2es kunnen ona]ankelijk van elkaar beschadigd raken.
Conclusie: verschillende delen van de cortex zijn gespecialiseerd in verschillende func2es àdit
vormt de basis van cogniteve neuropsychologie.
2. MODELS FOR COGNITION
2.1. MINDS WITHOUT BRAINS: THE COMPUTER METAPHOR
- Het grootste deel van de psychologie in de 20e eeuw rich[e zich op het observeren
van gedrag, en niet op het bestuderen van de hersenen Sjdens dat gedrag.
Hierdoor ontstonden modellen van cogniSe die niet rechtstreeks naar de hersenen
verwijzen. (bv. de informa2on-processing models uit de jaren 1950)
Verwerkingsketen:
Computer methapor: De computer metafoor beschouwt de geest als een systeem dat informa8e verwerkt via
een reeks rou/nes (seriële stappen), vergelijkbaar met een computer, zonder verwijzing naar de onderliggende
hersensructuren.
2.2. MINDS WITH VERY ABSTRACT BRAINS: THE CONNECTIONIST MODEL
Connec/onis/sch model:
- Connec8onis8sche modellen zijn computa/onele
(wiskundige) modellen.
- Cogni8e ontstaat door parallelle verwerking in een
netwerk van onderling verbonden eenheden.
- Er zijn geen vaste, seriële verwerkingsstappen.
Conclusie: cogni8e ontstaat uit de interac8e tussen vele
verbonden eenheden en niet uit een opeenvolging van
afzonderlijke rou8nes.
2
, 3. THE BIRTH OF COGNITIVE NEUROSCIENCE
- 1970’s: structurele beeldvormingstechnieken (CT en MRI) maakten het mogelijk om
nauwkeurige beelden van de hersenen en hersenletsels te verkrijgen.
- Jaren 1980: PET werd toegepast op cogniSeve modellen die door psychologen waren
ontwikkeld.
- 1985: TMS (Transcranial Magne2c S2mula2on) werd voor het eerst gebruikt. Dit was een
niet-invasief en veiliger alternaSef voor de eerdere studies van Penfield.
- Jaren 1990: het zuurstofgehalte in het bloed werd gebruikt als maat voor cogniSeve acSviteit.
Dit vormt de basis van fMRI. Deze periode wordt vaak de "Decade of the Brain" genoemd.
Conclusie: de ontwikkeling van beeldvormingstechnieken en hersensSmulaSe maakte het mogelijk
om cogniSeve processen rechtstreeks te koppelen aan hersenacSviteit. Hierdoor ontstond de
moderne cogniSeve neurowetenschap.
3.1. METHODS OF COGNITIVE NEUROSCIENCE
METHODE TYPE INVASIVITEIT BRAIN PROPERTY USED
EEG/ERP recording non-invasief electrical
Single-cell (and mulF-unit) recording invasief electrical
recordings
TMS sFmulaFon non-invasief electromagneFc
tES sFmulaFon non-invasief electrical
MEG recording non-invasief magneFc
PET recording licht invasief hemodynamic
(radioacFeve tracer)
fMRI recording non-invasief hemodynamic
fNIRS recording non-invasief hemodynamic
Temporal resolu2on
• De temporale resolu2e (X-as) verwijst naar de
nauwkeurigheid waarmee men kan
meten wanneer een gebeurtenis plaatsvindt.
• Hoe beter de temporale resoluSe, hoe
nauwkeuriger men de Sming van hersenacSviteit
kan bepalen.
Spa2al resolu2on
• De spa2ële resolu2e (Y-as) verwijst naar de
nauwkeurigheid waarmee men kan
meten waar een gebeurtenis plaatsvindt.
• In deze figuur wordt dit weergegeven door het
niveau waarop geregistreerd wordt (hersenen,
gebied, kolom, neuron, synaps, ...).
• Hoe hoger in de figuur, hoe groter het hersengebied dat gemeten wordt.
3