Analytische biochemie hoofdstuk 1
1. Welke definitie van biochemie omvat zowel chemische processen als biologische
context?
A. Studie van chemische reacties in een proefbuis
B. Studie van chemische processen in levende organismen om moleculaire
werkingsmechanismen te begrijpen
C. Studie van celstructuur en weefselmechanica
D. Studie van fysiologische effecten zonder moleculaire analyse
2. Bij het bestuderen van een eiwitmutatie in ADNP, welke stap garandeert dat je
resultaten reproduceerbaar zijn?
A. Enkel positieve controles uitvoeren
B. Zowel positieve als negatieve controles uitvoeren
C. Enkel negatieve controles uitvoeren
D. Controles zijn niet nodig als het experiment correct is
3. Welke techniek is het meest geschikt om de driedimensionale structuur van een
nieuw eiwit op atomair niveau te bepalen?
A. SDS-PAGE
B. Röntgenkristallografie
C. Bradford-assay
D. qPCR
4. Stel dat je een enzymactiviteit wil meten, welke stap in experimentontwerp is cruciaal
om externe variabelen constant te houden?
A. Kiezen van het soort buffer en temperatuur
B. Enkel de hypothese opstellen
C. Data-analyse uitstellen tot experiment klaar is
D. Alleen literatuuronderzoek
5. Welke overweging verklaart waarom in vitro experimenten gemakkelijker te
interpreteren zijn dan in vivo?
A. Ze bevatten alle fysiologische parameters
B. Er zijn minder variabelen en parameters die interfereren
C. Ze vinden plaats in een levend organisme
D. Ze zijn altijd ethisch complexer
6. Waarom is het noodzakelijk om notities te nemen tijdens een biochemisch
experiment?
A. Alleen negatieve resultaten zijn belangrijk
B. Niet genoteerde resultaten worden niet als bewijs gezien
C. Positieve controles hoeven niet genoteerd te worden
D. Enkel statistische analyse telt
1
,7. Bij het bepalen van de concentratie van een solute, waarom kies je vaak
weight/volume (w/v) of molariteit in plaats van simpelweg massa?
A. Omdat w/v en molariteit rekening houden met het volume van de oplossing
B. Omdat massa altijd constant is
C. Omdat volume irrelevant is
D. Omdat massa moeilijk te meten is
8. Wat is de relatie tussen molaire massa (M), volume (V) en molariteit (C) van een
oplossing?
A. 𝐶 = 𝑚 ⋅ 𝑉 ⋅ 𝑀
B. 𝐶 = 𝑚/(𝑀 ⋅ 𝑉)
C. 𝐶 = 𝑀/(𝑚 ⋅ 𝑉)
D. 𝐶 = 𝑉/(𝑚 ⋅ 𝑀)
9. Bij een 37% HCl-oplossing met dichtheid 1,2 g/ml, wat is de molaire concentratie van
HCl?
A. 3,7 M
B. 12,2 M
C. 36,5 M
D. 1,2 M
10. Hoeveel gram glucose moet je afwegen om 250 ml van een 0,1 M oplossing te
maken?
A. 0,25 g
B. 4,5 g
C. 18 g
D. 25 g
11. Wat is het verschil tussen sterke en zwakke elektrolyten?
A. Sterke elektrolyten ioniseren volledig, zwakke elektrolyten slechts gedeeltelijk
B. Zwakke elektrolyten geleiden beter dan sterke
C. Sterke elektrolyten zijn geen ionen
D. Er is geen verschil
12. Een oplossing bevat 0,1 M NaCl en 0,05 M KNO₃. Wat is de ionische sterkte (μ)?
A. 0,075 M
B. 0,125 M
C. 0,18 M
D. 0,2 M
2
,13. Waarom wordt activiteitscoëfficiënt γ gebruikt bij oplossingen met hoge ionische
sterkte?
A. Om de massa van de solute te verhogen
B. Om rekening te houden met afscherming van ionen waardoor de effectieve
concentratie daalt
C. Om volume te berekenen
D. Het is enkel theoretisch en niet praktisch
14. Welke stelling over experimentontwerp is correct?
A. Literatuuronderzoek is optioneel
B. Hypothese en vraagstelling moeten gebaseerd zijn op bestaande kennis
C. Materiaal en apparatuur zijn niet belangrijk
D. Controles kunnen worden overgeslagen als resultaten logisch lijken
15. Waarom gebruik je zowel in vivo als in vitro experimenten bij biochemisch
onderzoek?
A. In vivo is altijd beter
B. In vitro vereenvoudigt interpretatie, in vivo toont fysiologische relevantie
C. In vitro is altijd voldoende
D. Er is geen verschil, enkel terminologie
16. Welke techniek combineert isolatie en kwantificering van een specifiek eiwit?
A. Massaspectrometrie
B. ELISA
C. SDS-PAGE
D. Röntgenkristallografie
17. Bij het berekenen van ppm, wat betekent “8 ppm CO”?
A. 8 g CO per 1000 L lucht
B. 8 cm³ CO per miljoen cm³ lucht
C. 8 mol CO per liter
D. 8 mg CO per liter
18. Welke stappen zijn essentieel om een eiwitexperiment reproduceerbaar te maken?
A. Alleen experiment uitvoeren
B. Positieve en negatieve controles, nauwkeurige protocollen en notities
C. Enkel resultaten analyseren
D. Enkel literatuuronderzoek
19. Welke stelling over elektrolyten is correct?
A. Hoe sterker het elektrolyt, hoe slechter de geleiding
B. Sterke elektrolyten dissociëren volledig in water
C. Zwakke elektrolyten dissociëren volledig
D. Niet-elektrolyten verhogen de geleiding
3
, 20. Wat is de definitie van dichtheid (ρ)?
A. Massa per volume
B. Volume per massa
C. Gewicht per gewicht
D. Mol per liter
21. Welke van de volgende is een valkuil bij experimenten met ADNP-mutaties?
A. Geen rekening houden met moleculair gewicht en lading van het eiwit
B. Controles uitvoeren
C. Herhalen van experimenten
D. Literatuur raadplegen
22. Welke stelling over mol en Avogadro’s getal is correct?
A. 1 mol = 6,022 × 10²³ deeltjes
B. 1 mol = 6,022 × 10²⁰ deeltjes
C. Avogadro getal is irrelevant voor oplossingen
D. Molaire massa is altijd 1 g/mol
23. Waarom wordt analytische gelfiltratie chromatografie gebruikt?
A. Om DNA te sequencen
B. Om moleculen op basis van grootte te scheiden
C. Om enzymactiviteit te meten
D. Om ionische sterkte te berekenen
24. Welke van de volgende overwegingen is cruciaal bij het uitvoeren van in vivo
experimenten?
A. Alle fysiologische parameters en complexe interacties aanwezig
B. Gemakkelijk te interpreteren
C. Geen controles nodig
D. Resultaten zijn altijd identiek aan in vitro
25. Wat is het voordeel van het gebruik van SI-eenheden in biochemische
berekeningen?
A. Ze zijn universeel en kunnen omgezet worden naar andere eenheden
B. Ze zijn enkel theoretisch
C. Ze vereisen geen notatie
D. Enkel handig voor massaspectrometrie
26. Je hebt 0,05 M NaCl-oplossing. Welke stelling over de effectieve ionenconcentratie
(activiteit) is correct?
A. Activiteit = nominale concentratie als μ = 0
B. Activiteit = altijd groter dan nominale concentratie
C. Activiteit = 0 ongeacht concentratie
D. Activiteit is irrelevant in waterige oplossingen
4
1. Welke definitie van biochemie omvat zowel chemische processen als biologische
context?
A. Studie van chemische reacties in een proefbuis
B. Studie van chemische processen in levende organismen om moleculaire
werkingsmechanismen te begrijpen
C. Studie van celstructuur en weefselmechanica
D. Studie van fysiologische effecten zonder moleculaire analyse
2. Bij het bestuderen van een eiwitmutatie in ADNP, welke stap garandeert dat je
resultaten reproduceerbaar zijn?
A. Enkel positieve controles uitvoeren
B. Zowel positieve als negatieve controles uitvoeren
C. Enkel negatieve controles uitvoeren
D. Controles zijn niet nodig als het experiment correct is
3. Welke techniek is het meest geschikt om de driedimensionale structuur van een
nieuw eiwit op atomair niveau te bepalen?
A. SDS-PAGE
B. Röntgenkristallografie
C. Bradford-assay
D. qPCR
4. Stel dat je een enzymactiviteit wil meten, welke stap in experimentontwerp is cruciaal
om externe variabelen constant te houden?
A. Kiezen van het soort buffer en temperatuur
B. Enkel de hypothese opstellen
C. Data-analyse uitstellen tot experiment klaar is
D. Alleen literatuuronderzoek
5. Welke overweging verklaart waarom in vitro experimenten gemakkelijker te
interpreteren zijn dan in vivo?
A. Ze bevatten alle fysiologische parameters
B. Er zijn minder variabelen en parameters die interfereren
C. Ze vinden plaats in een levend organisme
D. Ze zijn altijd ethisch complexer
6. Waarom is het noodzakelijk om notities te nemen tijdens een biochemisch
experiment?
A. Alleen negatieve resultaten zijn belangrijk
B. Niet genoteerde resultaten worden niet als bewijs gezien
C. Positieve controles hoeven niet genoteerd te worden
D. Enkel statistische analyse telt
1
,7. Bij het bepalen van de concentratie van een solute, waarom kies je vaak
weight/volume (w/v) of molariteit in plaats van simpelweg massa?
A. Omdat w/v en molariteit rekening houden met het volume van de oplossing
B. Omdat massa altijd constant is
C. Omdat volume irrelevant is
D. Omdat massa moeilijk te meten is
8. Wat is de relatie tussen molaire massa (M), volume (V) en molariteit (C) van een
oplossing?
A. 𝐶 = 𝑚 ⋅ 𝑉 ⋅ 𝑀
B. 𝐶 = 𝑚/(𝑀 ⋅ 𝑉)
C. 𝐶 = 𝑀/(𝑚 ⋅ 𝑉)
D. 𝐶 = 𝑉/(𝑚 ⋅ 𝑀)
9. Bij een 37% HCl-oplossing met dichtheid 1,2 g/ml, wat is de molaire concentratie van
HCl?
A. 3,7 M
B. 12,2 M
C. 36,5 M
D. 1,2 M
10. Hoeveel gram glucose moet je afwegen om 250 ml van een 0,1 M oplossing te
maken?
A. 0,25 g
B. 4,5 g
C. 18 g
D. 25 g
11. Wat is het verschil tussen sterke en zwakke elektrolyten?
A. Sterke elektrolyten ioniseren volledig, zwakke elektrolyten slechts gedeeltelijk
B. Zwakke elektrolyten geleiden beter dan sterke
C. Sterke elektrolyten zijn geen ionen
D. Er is geen verschil
12. Een oplossing bevat 0,1 M NaCl en 0,05 M KNO₃. Wat is de ionische sterkte (μ)?
A. 0,075 M
B. 0,125 M
C. 0,18 M
D. 0,2 M
2
,13. Waarom wordt activiteitscoëfficiënt γ gebruikt bij oplossingen met hoge ionische
sterkte?
A. Om de massa van de solute te verhogen
B. Om rekening te houden met afscherming van ionen waardoor de effectieve
concentratie daalt
C. Om volume te berekenen
D. Het is enkel theoretisch en niet praktisch
14. Welke stelling over experimentontwerp is correct?
A. Literatuuronderzoek is optioneel
B. Hypothese en vraagstelling moeten gebaseerd zijn op bestaande kennis
C. Materiaal en apparatuur zijn niet belangrijk
D. Controles kunnen worden overgeslagen als resultaten logisch lijken
15. Waarom gebruik je zowel in vivo als in vitro experimenten bij biochemisch
onderzoek?
A. In vivo is altijd beter
B. In vitro vereenvoudigt interpretatie, in vivo toont fysiologische relevantie
C. In vitro is altijd voldoende
D. Er is geen verschil, enkel terminologie
16. Welke techniek combineert isolatie en kwantificering van een specifiek eiwit?
A. Massaspectrometrie
B. ELISA
C. SDS-PAGE
D. Röntgenkristallografie
17. Bij het berekenen van ppm, wat betekent “8 ppm CO”?
A. 8 g CO per 1000 L lucht
B. 8 cm³ CO per miljoen cm³ lucht
C. 8 mol CO per liter
D. 8 mg CO per liter
18. Welke stappen zijn essentieel om een eiwitexperiment reproduceerbaar te maken?
A. Alleen experiment uitvoeren
B. Positieve en negatieve controles, nauwkeurige protocollen en notities
C. Enkel resultaten analyseren
D. Enkel literatuuronderzoek
19. Welke stelling over elektrolyten is correct?
A. Hoe sterker het elektrolyt, hoe slechter de geleiding
B. Sterke elektrolyten dissociëren volledig in water
C. Zwakke elektrolyten dissociëren volledig
D. Niet-elektrolyten verhogen de geleiding
3
, 20. Wat is de definitie van dichtheid (ρ)?
A. Massa per volume
B. Volume per massa
C. Gewicht per gewicht
D. Mol per liter
21. Welke van de volgende is een valkuil bij experimenten met ADNP-mutaties?
A. Geen rekening houden met moleculair gewicht en lading van het eiwit
B. Controles uitvoeren
C. Herhalen van experimenten
D. Literatuur raadplegen
22. Welke stelling over mol en Avogadro’s getal is correct?
A. 1 mol = 6,022 × 10²³ deeltjes
B. 1 mol = 6,022 × 10²⁰ deeltjes
C. Avogadro getal is irrelevant voor oplossingen
D. Molaire massa is altijd 1 g/mol
23. Waarom wordt analytische gelfiltratie chromatografie gebruikt?
A. Om DNA te sequencen
B. Om moleculen op basis van grootte te scheiden
C. Om enzymactiviteit te meten
D. Om ionische sterkte te berekenen
24. Welke van de volgende overwegingen is cruciaal bij het uitvoeren van in vivo
experimenten?
A. Alle fysiologische parameters en complexe interacties aanwezig
B. Gemakkelijk te interpreteren
C. Geen controles nodig
D. Resultaten zijn altijd identiek aan in vitro
25. Wat is het voordeel van het gebruik van SI-eenheden in biochemische
berekeningen?
A. Ze zijn universeel en kunnen omgezet worden naar andere eenheden
B. Ze zijn enkel theoretisch
C. Ze vereisen geen notatie
D. Enkel handig voor massaspectrometrie
26. Je hebt 0,05 M NaCl-oplossing. Welke stelling over de effectieve ionenconcentratie
(activiteit) is correct?
A. Activiteit = nominale concentratie als μ = 0
B. Activiteit = altijd groter dan nominale concentratie
C. Activiteit = 0 ongeacht concentratie
D. Activiteit is irrelevant in waterige oplossingen
4