1. Welke uitspraak beschrijft het effect van een enzym op een biochemische reactie het
best?
A. Verlaagt ΔG° van de reactie
B. Verhoogt de reactiesnelheid door verlaging van ΔG≠
C. Verhoogt de evenwichtsconstante Keq
D. Verandert de richting van de reactie
2. Een reactie heeft ΔG < 0. Wat is correct?
A. Reactie is endergonisch
B. Keq < 1
C. Reactie is spontaan
D. Reactie vereist enzym om te verlopen
3. Welke factor beïnvloedt NIET rechtstreeks de reactiesnelheid?
A. Temperatuur
B. Concentratie van reagentia
C. Evenwichtsconstante
D. Aanwezigheid van katalysator
4. Voor een reactie A + B ⇌ C + D geldt Keq = 10⁻³. Wat kan je besluiten?
A. Productvorming is dominant
B. Reactie is exergonisch
C. Reactie ligt naar links
D. ΔG° < 0
5. Wat gebeurt er met ΔG° en Keq bij toevoeging van een enzym?
A. Beide veranderen
B. Alleen ΔG° verandert
C. Alleen Keq verandert
D. Geen van beide verandert
1
,6. Welke relatie tussen ΔG° en Keq is correct?
A. ΔG° = RT ln(Keq)
B. ΔG° = −RT ln(Keq)
C. ΔG° = Keq / RT
D. ΔG° = RT / Keq
7. Een kleine daling in ΔG≠ heeft welk effect op de reactiesnelheid?
A. Geen effect
B. Lineaire toename
C. Exponentiële toename
D. Exponentiële afname
8. Wat is de belangrijkste functie van bindingsenergie in enzymatische katalyse?
A. Stabiliseren van producten
B. Verhogen van ΔG°
C. Verlagen van ΔG≠
D. Verlagen van Keq
9. Welke uitspraak over de transitiestaat is correct?
A. Het is een stabiel intermediair
B. Het heeft een lange levensduur
C. Het is een hoogenergetische toestand
D. Het is identiek aan het product
10. Welke formule beschrijft de Gibbs vrije energie correct?
A. ΔG = ΔH + TΔS
B. ΔG = ΔH − TΔS
C. ΔG = TΔH − ΔS
D. ΔG = ΔS − TΔH
11. Wat gebeurt er als ΔS toeneemt bij constante ΔH?
A. ΔG stijgt
B. ΔG daalt
C. Geen effect
D. Keq daalt altijd
2
,12. Welke interactie is typisch het zwakst in enzym-substraatbinding?
A. Ionbinding
B. Waterstofbrug
C. Hydrofobe interactie
D. Coördinatieve binding
13. Wat is correct voor een eerste-orde reactie?
A. V = k
B. V = k[A]
C. V = k[A]²
D. V = k/[A]
14. Een reactie heeft k = 1 s⁻¹. Wat is de orde van de reactie?
A. 0de orde
B. 1ste orde
C. 2de orde
D. Niet te bepalen
15. Wat gebeurt bij induced fit?
A. Substraat verandert niet
B. Enzym is rigide
C. Enzym verandert conformatie
D. Alleen product verandert
16. Welke uitspraak over enzymen is fout?
A. Ze worden niet verbruikt
B. Ze verhogen de reactiesnelheid
C. Ze veranderen ΔG°
D. Ze zijn specifiek
17. Wat bepaalt de richting van een reactie bij niet-evenwicht?
A. ΔG° alleen
B. Initiële concentraties
C. Temperatuur alleen
D. Enzymconcentratie
3
, 18. Wat is de eenheid van reactiesnelheid?
A. mol
B. mol/L
C. mol/L/s
D. s⁻¹
19. Wat gebeurt bij ΔG = 0?
A. Reactie stopt
B. Alleen producten aanwezig
C. Evenwicht
D. Reactie wordt sneller
20. Wat beschrijft Keq?
A. Snelheid van reactie
B. Energiebarrière
C. Evenwichtssamenstelling
D. Activeringsenergie
21. Welke factor verhoogt de reactiesnelheid volgens overgangstoestandstheorie?
A. Verhogen ΔG≠
B. Verlagen ΔG≠
C. Verhogen ΔG°
D. Verlagen ΔS
22. Wat is een reactie-intermediair?
A. Hoogste energietoestand
B. Instabiele overgangstoestand
C. Relatief stabiele tussenstof
D. Eindproduct
23. Welke parameter beïnvloedt k exponentieel?
A. ΔG°
B. ΔG≠
C. Keq
D. [S]
4