Vraag 1) Welke uitspraak over glycolyse en gluconeogenese is correct?
A. De gluconeogenese gebruikt exact dezelfde enzymen als de glycolyse maar in
omgekeerde richting
B. De glycolyse en gluconeogenese verlopen beide uitsluitend in de mitochondriën
C. De glycolyse is een katabole pathway terwijl gluconeogenese een anabole pathway is
D. De gluconeogenese levert netto ATP op tijdens de vorming van glucose
Vraag 2) Welke eigenschap van glucose verklaart mee waarom glycolyse
evolutionair sterk geconserveerd is?
A. Glucose vereist zuurstof om ATP te produceren
B. Glucose komt spontaan uitsluitend voor als lineaire aldehydevorm
C. Glucose wordt enkel gebruikt door spierweefsel
D. Glucose kan zonder levende cel ontstaan via de formosereactie
Vraag 3) Welke transporter vertoont een Km-waarde waardoor kleine veranderingen
in bloedglucose sterke veranderingen in transportsnelheid veroorzaken?
A. GLUT4
B. GLUT1
C. GLUT3 in neuronen
D. GLUT1 in erytrocyten
Vraag 4) Welke stap in het GLUT-gemedieerd glucosetransport gebeurt onmiddellijk
na binding van glucose aan de transporter?
A. Hydrolyse van ATP aan de intracellulaire zijde
B. Fosforylatie van glucose door de transporter zelf
C. Conformatieverandering waardoor de extracellulaire opening sluit
D. Vrijstelling van glucose in het cytoplasma
Vraag 5) Welke uitspraak over de Na⁺/glucose-symporter is correct?
A. Het transport vereist directe hydrolyse van ATP door de symporter
B. Glucose beweegt met zijn concentratiegradiënt mee
C. De energie voor transport is indirect afkomstig van de Na⁺/K⁺-ATPase
D. Natrium wordt tegen zijn concentratiegradiënt in getransporteerd
1
,Vraag 6) Welke reactie behoort tot de voorbereidingsfase van de glycolyse?
A. Omzetting van 2-fosfoglyceraat naar fosfoenolpyruvaat
B. Splitsing van fructose-1,6-bisfosfaat in twee triosen
C. Reductie van pyruvaat tot lactaat
D. Fosforylatie van fructose-6-fosfaat door fosfofructokinase
Vraag 7) Waarom wordt fosfofructokinase beschouwd als de committed step van de
glycolyse?
A. Omdat hierbij NADH wordt geproduceerd
B. Omdat fructose-1,6-bisfosfaat niet meer naar andere pathways kan worden omgeleid
C. Omdat ATP hierbij volledig wordt gerecycleerd
D. Omdat pyruvaat hierbij irreversibel wordt gevormd
Vraag 8) Welk enzyme zet dihydroxyacetonfosfaat om in glyceraldehyde-3-fosfaat?
A. Aldolase
B. Triosefosfaatisomerase
C. Enolase
D. Fosfoglucose-isomerase
Vraag 9) Tijdens welke stap van de glycolyse wordt NAD⁺ gereduceerd?
A. Omzetting van glucose naar glucose-6-fosfaat
B. Omzetting van glyceraldehyde-3-fosfaat naar 1,3-bisfosfoglyceraat
C. Omzetting van 3-fosfoglyceraat naar 2-fosfoglyceraat
D. Omzetting van fosfoenolpyruvaat naar pyruvaat
Vraag 10) Welke reactie in de glycolyse levert ATP via substraatniveau-fosforylatie?
A. Omzetting van fructose-6-fosfaat naar fructose-1,6-bisfosfaat
B. Omzetting van glyceraldehyde-3-fosfaat naar 1,3-bisfosfoglyceraat
C. Omzetting van 1,3-bisfosfoglyceraat naar 3-fosfoglyceraat
D. Omzetting van glucose naar glucose-6-fosfaat
2
,Vraag 11) Welke uitspraak over pyruvaatkinase is correct?
A. ATP activeert pyruvaatkinase allosterisch
B. Fructose-1,6-bisfosfaat activeert pyruvaatkinase
C. Alanine activeert pyruvaatkinase in de lever
D. Glucagon activeert pyruvaatkinase via directe activatie
Vraag 12) Wat is de belangrijkste functie van fermentatie in anaërobe
omstandigheden?
A. Productie van extra ATP bovenop glycolyse
B. Vorming van acetyl-CoA voor de citroenzuurcyclus
C. Regeneratie van NAD⁺ zodat glycolyse kan doorgaan
D. Productie van glucose uit pyruvaat
Vraag 13) Welk enzyme katalyseert de omzetting van pyruvaat naar lactaat?
A. Alcohol dehydrogenase
B. Lactaat dehydrogenase
C. Pyruvaat carboxylase
D. Pyruvaat dehydrogenase
Vraag 14) Welke uitspraak over lactaatdehydrogenase-isovormen is correct?
A. H4 komt voornamelijk voor in anaërobe spiercellen
B. M4 heeft een lagere Km voor pyruvaat dan H4
C. H4 wordt typisch aangetroffen in aerobe weefsels
D. M4 functioneert optimaal bij een hoge NAD⁺/NADH-ratio
Vraag 15) Een patiënt met lactasedeficiëntie zal voornamelijk welk gevolg
vertonen?
A. Accumulatie van fructose-1-fosfaat in de lever
B. Verminderde splitsing van lactose tot monosachariden
C. Defecte omzetting van galactose-1-fosfaat naar glucose-1-fosfaat
D. Onvermogen om GLUT4 te transloceren
3
, Vraag 16) Welk metaboliet accumuleert rechtstreeks bij klassieke galactosemie?
A. Glucose-6-fosfaat
B. Fructose-6-fosfaat
C. Galactose-1-fosfaat
D. Fosfoenolpyruvaat
Vraag 17) Waarom veroorzaakt galactosemie klinische symptomen?
A. Galactitol is slecht oplosbaar en accumuleert in weefsels
B. Pyruvaat accumuleert en veroorzaakt acidose
C. ATP-productie stijgt excessief
D. Citrate inhibeert irreversibel glycolyse
Vraag 18) Welk enzyme is defect bij hereditaire fructose-intolerantie?
A. Aldolase A
B. Aldolase B
C. Fructokinase
D. Hexokinase II
Vraag 19) Waarom is hereditaire fructose-intolerantie gevaarlijk?
A. Lactaat kan niet meer worden geoxideerd
B. Glycogeen is volledig afwezig
C. Fructose-1-fosfaat inhibeert gluconeogenese
D. Pyruvaat kan niet meer worden gevormd
Vraag 20) Welke molecule activeert fosfofructokinase in de lever?
A. ATP
B. Citraat
C. Alanine
D. Fructose-2,6-bisfosfaat
4