Psychologische interventies & mensbeelden
Introductie
Waarom dit vak?
De taken van de klinisch psycholoog: 4 B’s
• Beoordeling (assessment) – cf. psychodiagnostiek
• Begeleiding
• Behandeling
• Beleid – cf. teams, organisaties, …
Begeleiding en behandeling zijn 2 van de centrale competenties en taken van de psycholoog
• Dit vak omvat dus 2 van de cruciale basistaken als klinisch psycholoog
In dit vak staat de link theorie/praktijk centraal
• Inleiding in basisconcepten en -competenties om begeleidings- en behandelingsaanbod te bieden
Doel: de student opleiden als scientist-practitioner= wetenschappelijke praktijk voeren, (be)handelen op
basis van de wetenschap en haar kennis
• Psycholoog doet aan evidence-based medicine (EBM)
o Is NIET het naïef toepassen van technieken/lijstjes evidence-based therapievormen
o Is wél het integreren van het beste beschikbaar onderzoek met klinische expertise, rekening
houdend met de context (patiëntkenmerken, cultuur en voorkeuren)
▪ Iedere patiënt is uniek, heeft een eigen verhaal en eigen voorkeuren voor bepaalde
therapievormen
o Veronderstelt stevige kennis en competenties
• Vergelijking met chirurg, ingenieur, piloot, …
o Basiskennis is nodig vooraleer meer geavanceerde competenties aangeleerd kunnen
worden (bv.: een chirurg die anatomie niet kent zal nooit een succesvolle operatie kunnen
uitvoeren)
o Met wie zou je in zee willen gaan? Iemand die een 10/20 haalde of iemand die met
onderscheiding afstudeerde en zijn vak onder de knie heeft?
• Helaas, in realiteit… problemen met de kwaliteit van psychotherapie
o Geen titelbescherming (wel van klinisch psycholoog)
▪ Voor algemene bevolking erg moeilijk om via websites een goede psycholoog te
vinden
▪ Je mag jezelf enkel als klinisch psycholoog benoemen na behalen van masterdiploma
→ toch veel coaches die niet wetenschappelijk gefundeerd zijn
o Iedereen mag zichzelf psychotherapeut noemen, maar mogen zelf geen sessies geven (enkel
activiteiten van psychotherapie vallen onder de nieuwe wet op de uitoefening van de
gezondheidszorg)
1
, o Maar ook onder erkende klinisch psychologen/psychotherapeuten nog veel problemen met
wetenschappelijkheid
▪ Chakra’s, bloesemtherapie, … → pseudowetenschap
▪ Gebrekkige diagnostiek, slechte indicatiestelling, therapeutisch kader moeilijk
kunnen installeren/behouden, te korte therapieën bij complexe problematieken, …
Overzicht cursus
• College 1: inleiding en overzicht
• Deel 1: leerpsychologie en cognitieve gedragstherapie (CGT, CBT) – mens als lerend wezen
• Deel 2: humanistische en existentiële benadering – nadruk op mens als wezen met groeipotentieel
• Deel 3: relatie- en gezinstherapie – mens als deel van een systeem (gezin, dorp, …)
• Deel 4: psychodynamische benaderingen – mens als conflictueus wezen (contrasterende
verlangens, …) waarbij de hechtingsgeschiedenis bepalend is
• Slot: integratie en casusbesprekingen
! Iedere stroming kent veel verschillen én gelijkenissen, de laatste tijd beginnen ze echter allemaal meer
naar elkaar toe te groeien
Besluit: sterke diversiteit in theoretische oriëntatie van psychotherapeuten, ook in België
• Nuance: meesten specialiseren zich, maar later komen er vaak verschillende elementen van andere
paradigma’s bij – bijna nooit exclusief het een of het ander
Paradigma’s
In dit OPO komen 4 grote theoretische kaders aan bod
• Elk kader is gebaseerd op een mensbeeld, manier waarop men naar de mens kijkt
• Gaven elk aanleiding tot systematisch onderzoek → wetenschappelijke paradigma’s
o Wetenschappelijk onderbouwd: als wetenschap (bv.: mechanismes hoe psychopathologie
ontstaat), en als behandelvorm (bv.: onderzoek naar welk type psychotherapie werkzaam is)
o Complementair: vullen elkaar aan, er is niet één juist beeld, verschillende manieren om naar
eenzelfde werkelijkheid te kijken
o Laatste tijd steeds meer integratieve tendens
▪ Huidige situatie: nog steeds geen uniforme theorie die mens in zijn geheel verklaart
▪ Verschillen blijven bestaan, en dat is essentieel (idem in andere takken v
wetenschap) omdat het vooruitgang mogelijk maakt
− Grote waarde om je als psycholoog te specialiseren in bepaald domein , zo
daag je elkaar uit en bekom je nieuwe inzichten
• Paradigma
o Geheel van samenhangende assumpties die samen bepaald mensbeeld vormen
o Geven aanleiding tot generatieve onderzoeksprogramma’s (<-> degeneratief)
▪ Respectabele onderzoeksprogramma’s (waarover we onderzoek kunnen voeren)
▪ Blijven aanleiding geven tot nieuwe vragen die kennis/inzicht vergroten
o Denkkaders van waaruit werkelijkheid (in dit geval het eigene van menselijke psychisch
functioneren) wordt gedefinieerd en dus ook bekeken/bestudeerd wordt
o Typisch: basisassumpties kunnen slechts deels en per definitie onrechtstreeks empirisch
getoetst worden (bv.: assumptie dat mens levend wezen is: hoe bewijzen?) → enkel
afgeleide hypothese kan getoetst worden
2
, ▪
Worden in zekere mate ook afgeschermd tegen directe falsificatie (indien voldoende
evidentie wordt gevonden voor afgeleide hypothese blijven we paradigma als
bruikbaar beschouwen, indien keer op keer in wetenschappelijk onderzoek geen
verband gevonden wordt dan paradigma verlaten)
− Je kan niet spreken over “juiste” of “foute” paradigma’s, het is een visie die je
in onderzoek probeert te staven
o Vormen basis voor scientist-practitioner model
▪ Denken en handelen gebaseerd op wetenschappelijke kennis
▪ Indien niet: bricolage = samenraapsels/knutsels van interventies/techniekjes zonder
te weten waarom je het doet (belangrijk: gefundeerde wetenschappelijke theorie in
achterhoofd die verantwoordt waarom je bepaalde behandelingsvorm toepast)
▪ Bv.: chirurg: vooraleer operatie uitvoeren belangrijk om te weten of deze persoon
een operatie nodig heeft en welke deze nodig heeft, mechanisme achter iemands
pijn proberen achterhalen
Belangrijke opmerking
• Iedere psychotherapeut kijkt op bepaalde manier naar mens (en problemen)
o Zonder theorie zie je niets
▪ Bv.: cel onder microscoop kan je enkel ontleden indien je kennis hebt over opbouw
cel (celkern, mitochondriën…)
o MAAR deze theorie kan ook blinde vlek zijn, je loopt andere zaken mis (bv.: diehard
leerpsycholoog zal bepaalde dingen niet zien die een humanistisch therapeut wel ziet en
omgekeerd)
▪ Confirmation bias: neiging om enkel de dingen te zien die je overtuiging
ondersteunen
• Elke psycholoog heeft ook affectieve affiniteit met bepaalde manier van kijken
o Gebaseerd op eigen ervaring (bv.: rationeel en koud vs sterk emotioneel en warm
opgevoed)
o Kan goed zijn, maar ook gevaarlijk
→ open blik is erg belangrijk, basiskennis over alle paradigma’s vooraleer voorkeur te creëren voor
bepaald paradigma
Psychotherapie
DE PSYCHOTHERAPEUT EN ZIJN/HAAR COMPETENTIES
Psychotherapie is…
• Interpersoonlijke, relationele behandeling
• Gebaseerd op wetenschappelijk-psychologische principes
• Met een getrainde therapeut en een cliënt (met een stoornis, of een probleem)
• Met als intentie van therapeut verandering te brengen, behandeling aanbieden
• Op maat gemaakt/geïndividualiseerd voor deze specifieke cliënt
Psychotherapie vereist 6 competenties
Generische competenties Competenties vereist voor alle psychologische interventies
(bv.: band kunnen opbouwen, kunnen spreken, …)
3
, Basiscompetenties bij een bepaald type Worden gebruikt in meeste vormen van een bepaalde
benadering benadering (bv.: algemene principes van CGT, hoe doe je dat
concreet?) (bv.: gedragstherapie: alle gedragstherapieën
hebben basis van leer- en gedragspsychologie nodig)
Basis van persoonsgerichte benadering (complementair aan
stoornisgerichte benadering)
Specifieke competenties bij een Bv.: exposure als specifieke interventie bij CGT
bepaald type benadering
Algemene meta-competenties Overheen benaderingen
Competenties omtrent het bewaken van interventieproces in
het algemeen (bv.: wat doen als cliënt niet opdaagt, bij uitval,
indien deze vragen heeft bij de manier van aanpak, …)
Probleem-specifieke competenties Verbonden met bepaalde interventies, behandelmodellen
(bv.: Clark-model bij depressie in CGT, EFT in humanistische,
…)
(interventies die meer toegespitst zijn op een bepaald type
probleem)
Specifieke metacompetenties Verbonden met het type interventie, hebben te maken met
het proces (bv.: juiste methode/aanpak kunnen kiezen binnen
relatietherapie, wanneer is het tijd voor bepaalde
interventie…)
→ Zowel overeenkomsten als verschillen tussen paradigma’s omtrent competenties
WAT WETEN WE OVER PSYCHOTHERAPIE?
Methode: meta-analyses om effectiviteit na te gaan
• Effectgrootte/effect size = indicatie voor grootte/sterkte van verband
o Voorbeeld: Cohen’s d
▪ Vergelijken van gemiddelden
▪ .2 klein, .5 medium (klinisch significant), .8 groot effect
▪ Mogelijk om effectiviteit na te gaan tussen behandelingen, voor en na zelfde
behandeling, …
▪ Hoe groter SD, hoe groter verschil tussen gemiddeldes moet zijn om betekenisvol te
zijn en meetfout uit te sluiten
• Belang van vergelijkingscondities (controleconditie)
o Actieve behandelgroep wordt voor en na behandeling gemeten: verschilscore
o Vergelijking gebeurt dan met 3 mogelijke groepen (die op zelfde voor- en na-momenten
gemeten worden)
▪ Andere behandeling: om te kijken welke het meest effectief is (vaak nieuwe
behandeling waar we nog niet veel over geweten is tegenover basisbehandeling
zetten)
▪ Placebogroep (zowel patiënt als toediener weten niet of men medicijn toegediend
krijgt of niet; double blind) : om te kijken welk aandeel van eventuele verbetering te
wijten is aan placebo-effect en welk deel echt aan behandeling zelf, meten hoe groot
psychologische factor is die meespeelt (hoop, geloof dat het beter gaat worden)
(Placebo-effect verklaart vaak groot deel van psychotherapie)
→ Probleem: moeilijk in psychotherapie
4
Introductie
Waarom dit vak?
De taken van de klinisch psycholoog: 4 B’s
• Beoordeling (assessment) – cf. psychodiagnostiek
• Begeleiding
• Behandeling
• Beleid – cf. teams, organisaties, …
Begeleiding en behandeling zijn 2 van de centrale competenties en taken van de psycholoog
• Dit vak omvat dus 2 van de cruciale basistaken als klinisch psycholoog
In dit vak staat de link theorie/praktijk centraal
• Inleiding in basisconcepten en -competenties om begeleidings- en behandelingsaanbod te bieden
Doel: de student opleiden als scientist-practitioner= wetenschappelijke praktijk voeren, (be)handelen op
basis van de wetenschap en haar kennis
• Psycholoog doet aan evidence-based medicine (EBM)
o Is NIET het naïef toepassen van technieken/lijstjes evidence-based therapievormen
o Is wél het integreren van het beste beschikbaar onderzoek met klinische expertise, rekening
houdend met de context (patiëntkenmerken, cultuur en voorkeuren)
▪ Iedere patiënt is uniek, heeft een eigen verhaal en eigen voorkeuren voor bepaalde
therapievormen
o Veronderstelt stevige kennis en competenties
• Vergelijking met chirurg, ingenieur, piloot, …
o Basiskennis is nodig vooraleer meer geavanceerde competenties aangeleerd kunnen
worden (bv.: een chirurg die anatomie niet kent zal nooit een succesvolle operatie kunnen
uitvoeren)
o Met wie zou je in zee willen gaan? Iemand die een 10/20 haalde of iemand die met
onderscheiding afstudeerde en zijn vak onder de knie heeft?
• Helaas, in realiteit… problemen met de kwaliteit van psychotherapie
o Geen titelbescherming (wel van klinisch psycholoog)
▪ Voor algemene bevolking erg moeilijk om via websites een goede psycholoog te
vinden
▪ Je mag jezelf enkel als klinisch psycholoog benoemen na behalen van masterdiploma
→ toch veel coaches die niet wetenschappelijk gefundeerd zijn
o Iedereen mag zichzelf psychotherapeut noemen, maar mogen zelf geen sessies geven (enkel
activiteiten van psychotherapie vallen onder de nieuwe wet op de uitoefening van de
gezondheidszorg)
1
, o Maar ook onder erkende klinisch psychologen/psychotherapeuten nog veel problemen met
wetenschappelijkheid
▪ Chakra’s, bloesemtherapie, … → pseudowetenschap
▪ Gebrekkige diagnostiek, slechte indicatiestelling, therapeutisch kader moeilijk
kunnen installeren/behouden, te korte therapieën bij complexe problematieken, …
Overzicht cursus
• College 1: inleiding en overzicht
• Deel 1: leerpsychologie en cognitieve gedragstherapie (CGT, CBT) – mens als lerend wezen
• Deel 2: humanistische en existentiële benadering – nadruk op mens als wezen met groeipotentieel
• Deel 3: relatie- en gezinstherapie – mens als deel van een systeem (gezin, dorp, …)
• Deel 4: psychodynamische benaderingen – mens als conflictueus wezen (contrasterende
verlangens, …) waarbij de hechtingsgeschiedenis bepalend is
• Slot: integratie en casusbesprekingen
! Iedere stroming kent veel verschillen én gelijkenissen, de laatste tijd beginnen ze echter allemaal meer
naar elkaar toe te groeien
Besluit: sterke diversiteit in theoretische oriëntatie van psychotherapeuten, ook in België
• Nuance: meesten specialiseren zich, maar later komen er vaak verschillende elementen van andere
paradigma’s bij – bijna nooit exclusief het een of het ander
Paradigma’s
In dit OPO komen 4 grote theoretische kaders aan bod
• Elk kader is gebaseerd op een mensbeeld, manier waarop men naar de mens kijkt
• Gaven elk aanleiding tot systematisch onderzoek → wetenschappelijke paradigma’s
o Wetenschappelijk onderbouwd: als wetenschap (bv.: mechanismes hoe psychopathologie
ontstaat), en als behandelvorm (bv.: onderzoek naar welk type psychotherapie werkzaam is)
o Complementair: vullen elkaar aan, er is niet één juist beeld, verschillende manieren om naar
eenzelfde werkelijkheid te kijken
o Laatste tijd steeds meer integratieve tendens
▪ Huidige situatie: nog steeds geen uniforme theorie die mens in zijn geheel verklaart
▪ Verschillen blijven bestaan, en dat is essentieel (idem in andere takken v
wetenschap) omdat het vooruitgang mogelijk maakt
− Grote waarde om je als psycholoog te specialiseren in bepaald domein , zo
daag je elkaar uit en bekom je nieuwe inzichten
• Paradigma
o Geheel van samenhangende assumpties die samen bepaald mensbeeld vormen
o Geven aanleiding tot generatieve onderzoeksprogramma’s (<-> degeneratief)
▪ Respectabele onderzoeksprogramma’s (waarover we onderzoek kunnen voeren)
▪ Blijven aanleiding geven tot nieuwe vragen die kennis/inzicht vergroten
o Denkkaders van waaruit werkelijkheid (in dit geval het eigene van menselijke psychisch
functioneren) wordt gedefinieerd en dus ook bekeken/bestudeerd wordt
o Typisch: basisassumpties kunnen slechts deels en per definitie onrechtstreeks empirisch
getoetst worden (bv.: assumptie dat mens levend wezen is: hoe bewijzen?) → enkel
afgeleide hypothese kan getoetst worden
2
, ▪
Worden in zekere mate ook afgeschermd tegen directe falsificatie (indien voldoende
evidentie wordt gevonden voor afgeleide hypothese blijven we paradigma als
bruikbaar beschouwen, indien keer op keer in wetenschappelijk onderzoek geen
verband gevonden wordt dan paradigma verlaten)
− Je kan niet spreken over “juiste” of “foute” paradigma’s, het is een visie die je
in onderzoek probeert te staven
o Vormen basis voor scientist-practitioner model
▪ Denken en handelen gebaseerd op wetenschappelijke kennis
▪ Indien niet: bricolage = samenraapsels/knutsels van interventies/techniekjes zonder
te weten waarom je het doet (belangrijk: gefundeerde wetenschappelijke theorie in
achterhoofd die verantwoordt waarom je bepaalde behandelingsvorm toepast)
▪ Bv.: chirurg: vooraleer operatie uitvoeren belangrijk om te weten of deze persoon
een operatie nodig heeft en welke deze nodig heeft, mechanisme achter iemands
pijn proberen achterhalen
Belangrijke opmerking
• Iedere psychotherapeut kijkt op bepaalde manier naar mens (en problemen)
o Zonder theorie zie je niets
▪ Bv.: cel onder microscoop kan je enkel ontleden indien je kennis hebt over opbouw
cel (celkern, mitochondriën…)
o MAAR deze theorie kan ook blinde vlek zijn, je loopt andere zaken mis (bv.: diehard
leerpsycholoog zal bepaalde dingen niet zien die een humanistisch therapeut wel ziet en
omgekeerd)
▪ Confirmation bias: neiging om enkel de dingen te zien die je overtuiging
ondersteunen
• Elke psycholoog heeft ook affectieve affiniteit met bepaalde manier van kijken
o Gebaseerd op eigen ervaring (bv.: rationeel en koud vs sterk emotioneel en warm
opgevoed)
o Kan goed zijn, maar ook gevaarlijk
→ open blik is erg belangrijk, basiskennis over alle paradigma’s vooraleer voorkeur te creëren voor
bepaald paradigma
Psychotherapie
DE PSYCHOTHERAPEUT EN ZIJN/HAAR COMPETENTIES
Psychotherapie is…
• Interpersoonlijke, relationele behandeling
• Gebaseerd op wetenschappelijk-psychologische principes
• Met een getrainde therapeut en een cliënt (met een stoornis, of een probleem)
• Met als intentie van therapeut verandering te brengen, behandeling aanbieden
• Op maat gemaakt/geïndividualiseerd voor deze specifieke cliënt
Psychotherapie vereist 6 competenties
Generische competenties Competenties vereist voor alle psychologische interventies
(bv.: band kunnen opbouwen, kunnen spreken, …)
3
, Basiscompetenties bij een bepaald type Worden gebruikt in meeste vormen van een bepaalde
benadering benadering (bv.: algemene principes van CGT, hoe doe je dat
concreet?) (bv.: gedragstherapie: alle gedragstherapieën
hebben basis van leer- en gedragspsychologie nodig)
Basis van persoonsgerichte benadering (complementair aan
stoornisgerichte benadering)
Specifieke competenties bij een Bv.: exposure als specifieke interventie bij CGT
bepaald type benadering
Algemene meta-competenties Overheen benaderingen
Competenties omtrent het bewaken van interventieproces in
het algemeen (bv.: wat doen als cliënt niet opdaagt, bij uitval,
indien deze vragen heeft bij de manier van aanpak, …)
Probleem-specifieke competenties Verbonden met bepaalde interventies, behandelmodellen
(bv.: Clark-model bij depressie in CGT, EFT in humanistische,
…)
(interventies die meer toegespitst zijn op een bepaald type
probleem)
Specifieke metacompetenties Verbonden met het type interventie, hebben te maken met
het proces (bv.: juiste methode/aanpak kunnen kiezen binnen
relatietherapie, wanneer is het tijd voor bepaalde
interventie…)
→ Zowel overeenkomsten als verschillen tussen paradigma’s omtrent competenties
WAT WETEN WE OVER PSYCHOTHERAPIE?
Methode: meta-analyses om effectiviteit na te gaan
• Effectgrootte/effect size = indicatie voor grootte/sterkte van verband
o Voorbeeld: Cohen’s d
▪ Vergelijken van gemiddelden
▪ .2 klein, .5 medium (klinisch significant), .8 groot effect
▪ Mogelijk om effectiviteit na te gaan tussen behandelingen, voor en na zelfde
behandeling, …
▪ Hoe groter SD, hoe groter verschil tussen gemiddeldes moet zijn om betekenisvol te
zijn en meetfout uit te sluiten
• Belang van vergelijkingscondities (controleconditie)
o Actieve behandelgroep wordt voor en na behandeling gemeten: verschilscore
o Vergelijking gebeurt dan met 3 mogelijke groepen (die op zelfde voor- en na-momenten
gemeten worden)
▪ Andere behandeling: om te kijken welke het meest effectief is (vaak nieuwe
behandeling waar we nog niet veel over geweten is tegenover basisbehandeling
zetten)
▪ Placebogroep (zowel patiënt als toediener weten niet of men medicijn toegediend
krijgt of niet; double blind) : om te kijken welk aandeel van eventuele verbetering te
wijten is aan placebo-effect en welk deel echt aan behandeling zelf, meten hoe groot
psychologische factor is die meespeelt (hoop, geloof dat het beter gaat worden)
(Placebo-effect verklaart vaak groot deel van psychotherapie)
→ Probleem: moeilijk in psychotherapie
4