VW casussen (en arresten)
Zakelijke subrogatie (3.10 BW)
1. Enkel voor titularissen van een ZR (≠ PRen)
a. Cass 1991 A aankoopoptie B (100€) ORG brand af A was verzekerd en krijgt 120€ B
oefent optie uit en krijgt 20€ extra? Nee, een aankoopoptie is geen ZR
2. Tenietgaan van het oorspronkelijk goed
a. Zowel juridisch als materieel (brand)
3. Vervangend vermogensbestanddeel
a. Oorspronkelijk goed vervangen door ander goed dat waarden ervan vertegenwoordigt
4. Individualiseerbaarheid
a. Voorwerp op elk ogenblik identificeerbaar gebleven è specialiteitsbeginsel
5. Subsidiariteit
a. Zakelijke subrogatie is enkel van toepassing indien er geen enkele andere remedie
mogelijk is
Zakelijke subrogatie is van toepassing op alle ZR BUITEN rechten die enkel nut hebben op specifiek goed
(bv: erfdienstbaarheid)
Onroerend door bestemming
1. Identiteit van de eigenaar
a. Roerend en onroerend goed moet dezelfde eigenaar hebben (3.9 BW,
accessoriteitsbeginsel)
2. Bestemming
a. Het RG moet ofwel ten dienste staan van de uitbating/bewaring van het ORG, ofwel er
duurzaam aan verbonden zijn (nuttig zijn voor ORG)
De drie rechtstreekse bevoegdheden van het ER
1. Gebruik (usus)
2. Genot (fructus)
3. Beschikking (abusus)
1 en 2 à afstand mogelijk (via PR of ZR), 3 is traditioneel absoluut
Onvervreemdbaarheidsbeding (3.53 BW) is geldig wanneer:
1. Het een rechtmatig belang beantwoord
2. Van korte duur is
Wandelrecht (3.67 §3 BW)
1. Het wordt niet gebruikt
2. Niet omheind
, 3. Er is geen bord waarop staat dat de betreding verboden is
4. Betreding is mogelijk zonder iets af te breken
Verbod op rechtsmisbruik (art. 1.10 BW)
1. Exclusief oogmerk om te schaden
2. Geen redelijk belang
a. Bv boete van 1 mil € voor 1 dag vertraging van een pakje
3. Op een manier die voor hem voordelig is, maar voor de ander nadelig, terwijl hij ook een andere
optie had die even voordelig voor hem was en minder nadelig voor de ander
4. Disproportioneel nadeel
5. Beschamen van het bij de andere verwekte rechtmatige vertrouwen
Een sanctie is vaak schadevergoeding of matiging door een rechter
Burenhinder (3.101 BW)
Is gebaseerd op de evenwichtsleer; naburen hebben een gelijk recht op genot à evenwicht moet bewaard blijven
1. Nabuurschap
a. Wordt ruim geïnterpreteerd, niet alleen eigenaars: ook huurders, vruchtgebruikers
b. Er moet minstens 1 attribuut van ER aanwezig zijn
2. De hinder is bovenmatig (beoordelingscriteria):
a. Intensiteit: aantal dB's, geur, …
b. Plaats: van hinder (voorbeeld van haan in het midden van een stad)
c. Tijdstip: van hinder (dag V. nacht)
d. Frequentie
3. Toerekenbaarheid:
a. De hinder moet toe te rekenen zijn aan een (rechtmatig) handelen of nalaten van de
buurman (è niet objectieve, maar foutloze AH)
3.102 BW à preventief luik: ernstige manifeste risico's, preventieve maatregel
- Een aannemer ≠ buur, dus 3.101/2 is niet van toepassing, wel 6.5
- OH valt wel onder 3.101 en 2 BW (een vergunning ≠ vrijbrief voor 3.101 BW)
Subsidiair karakter van 3.101 à ALTIJD EERST 6.5, dan pas 3.101
Schoorsteenarrest cass. 1960
• Buur bouwt hoger → schoorsteen buur trekt niet meer → hinder.
• Overschrijding van normale burenhinder volstaat, geen fout vereist.
• Bevestigt objectieve burenhinder-aansprakelijkheid (evenwicht tussen eigendommen).
Kanaalarrest cass. 1960 (canal du centre à jarenlange werken)
• Overheid voert openbare werken uit (kanaal).
• Werken duren jaren → ernstige overlast en schade aan omwonenden.
• Rechtsvraag:
o Kan de overheid aansprakelijk zijn zonder fout?
• Cassatie: ja, schadevergoeding mogelijk zonder fout.
o Principe van gelijkheid voor openbare lasten
o Als een burger abnormale en speciale schade draagt door overheidshandelen →
vergoeding.