KINESITHERAPEUTISCH HANDELEN BL-OL: THEORIE
DEEL 1: VAN ONDERZOEK NAAR BEHANDELING
HOOFDSTUK 1: INLEIDING
→ Vorige cursussen: kinesitherapeutisch onderzoek: kernprobleem patiënt kennen
- Stoornis in functie / activiteit / participatie
- Interne (persoonlijke) en externe (omgevings-) factoren
→ Deze cursus: gegevens uit anamnese omzetten in relevante behandeldoelstellingen
- Omgevings- en persoonlijke factoren
- Factoren gerelateerd aan letsel zelf: irriteerbaarheid, structurele schade, fase van weefselherstel
- Pijn- en compensatiemechanismen
→ Klinisch redeneringsmodel: lineair en cyclisch verloop van anamnese – observatie – klinisch onderzoek – kinesitherapeutische
diagnose
- Nadenken over onderzoeksresultaten en die omzetten in behandeldoelstellingen
- Dataverzameling: anamnese + klinisch onderzoek: werkhypotheses stellen: bijstellen omwille van verder onderzoek of
bijkomende informatie
- Data-interpretatie: na anamnese en klinisch onderzoek: leidt tot (voorlopige) conclusie
- Conclusie: telkens bijstellen na elke volgende fase van klinisch onderzoek: finaal formuleren in ICF-kader
→ Klinisch redeneren: planmatig handelingsproces
- In samenspraak met patiënt
- Gezondheidsprobleem + bijhorende contextuele factoren analyseren
- Einddoel: gezondheidsprobleem in kaart brengen via ICF-model + adequate doelstellingen formuleren voor behandeling
→ Keuze van middelen:
- Hands-off
- Hands-on
- Educatie
1. HET LINEAIR EN CYCLISCH VERLOOP VAN HET KLINISCH REDENEERPROCES
→ Lineair verloop van klinisch redeneerproces:
- Patiënt komt bij kinesitherapeut met hulpvraag: vaak op basis van voorschrift
- Anamnese afnemen
- Klinisch kinesitherapeutisch onderzoek
- Kinesitherapeutische diagnose formuleren
- Prioriteiten stellen, doelstellingen bepalen, behandelplan opstellen
- Eens behandeling uitgevoerd: evalueren en afsluiten
- Eindverslag schrijven voor arts
→ Cyclisch verloop van klinisch redeneerproces:
- Hoe we effectief gaan handelen
- Continu klinisch redeneren: blijven evalueren en behandeling aanpassen indien nodig
- Lineair verloop: is streefdoel: zo efficiënt mogelijk patiënt helpen
- Cyclisch verloop: voortdurend terugblikken en evalueren om behandelstrategie eventueel aan te passen
- Drie belangrijke componenten binnen klinisch redeneerproces:
* Doelgericht: steeds interventie baseren op doel in functie van nodenanalyse patiënt
* Efficiënt: richt doelstellingen op prioritaire beperkingen patiënt
* Procesmatig: doelstellingen opstellen op basis van nodenanalyse, specifieke middelen selecteren
1
,→ Stap ‘van onderzoek naar behandeling’:
- Voorafgaande gegevens samenvatten: uit kinesitherapeutische diagnose doelstellingen formuleren
- PDCA-cyclus:
* P: plan: resultaten van onderzoek, leidend naar behandeldoelstellingen
* D: do: uitvoeren van behandeling, toepassen van gekozen interventies
* C: check: evalueren van resultaten van behandeling
* A: act: eventueel bijsturen van behandeling
2. DE MEDISCHE DIAGNOSE
a
→ Medische diagnose:
- Diagnose die op voorschrift van de doorverwijzende arts staat
- Meestal structuurgerelateerd: ‘fractuur’, ‘distorsie’, …
- Soms zeer vaag: ‘schouderpijn’, ‘lage rugpijn’, …
- Helpt algemene indicaties en contra-indicaties in kaart te brengen
- Vaak niet voldoende om klinisch relevant behandelprogramma op te stellen
- Steeds zelf anamnese en kinesitherapeutisch onderzoek doen
3. DE ANAMNESE
→ Anamnese:
- Geeft subjectief beeld van functiebeperkingen van patiënt
- Belangrijk om gedetailleerd te bevragen: op basis hiervan behandeldoelstellingen opstellen
- Beperkingen in activiteit en participatie bevragen: niet te ‘onderzoeken’ in kinesitherapeutisch onderzoek
- Persoonlijke en omgevingsfactoren bevragen: kunnen behandeling mogelijks beïnvloeden
* Zelfstandigheid – zelfredzaamheid
* Impact van klacht op ADL
* Verwachtingen van therapie
*…
- Medische diagnose: zeer sec, wat is er aan de hand
Anamnese: wie is persoon, hoe ervaart die probleem, hoe is zijn/haar omgeving, wat wil die weer kunnen, …
4. VRAGENLIJSTEN EN FUNCTIESCHALEN
→ Vragenlijsten en functieschalen:
- Helpen bevindingen te objectiveren
- Belangrijk binnen PDCA-cyclus: ‘check’ objectiveren
- Bevragen in begin van behandeling: zo later progressie te bemerken
→ Schalen op functieniveau:
- NPRS: Numeric Pain Ratings Scale
* Pijnschaal op 10 punten: van ‘geen pijn’ tot ‘onverdraaglijke pijn’
* Visueel: cijfers numeriek aangetoond: patiënt geeft cijfer aan pijn
- VAS-schaal: Visual Analogue Scale
* Pijnschaal op 10 punten: van ‘geen pijn’ tot ‘onverdraaglijke pijn’
* Visueel: lijnstuk van 10cm: patiënt duidt aan hoe erg pijn is, therapeut meet tot waar pijn komt
- Beide schalen: 2 punten is MCID (minimal clinically important difference, klinisch relevant verschil)
- Gebruik van pijnschaal: zo mogelijk om pijndemping als behandeldoel SMART te formuleren
→ Functionele vragenlijsten:
- Meestal op activiteiten- of participatieniveau
- Meeste lijsten zijn gewricht- of segmentspecifiek, soms zelfs pathologiespecifiek:
* DASH: disability of arm shoulder and hand: voor bovenste lidmaat
* OLBPDQ: Oswestry low back pain disability questionnaire: voor lage rugpijn
* FAI: functional ankle instability questionnaire : voor enkelstabiliteit
* WOSI: western Ontario shoulder instability score
→ Klinisch relevante bevraging: PSFS:
- PSFS: patient specific functional scale
- Functionele status van individuele patiënt bepalen
- Patiënt geeft max. 5 belangrijkste activiteiten die moeite kosten of die hij/zij niet meer kan door klachten
* Scoort elke activiteit: 0 = onmogelijk om activiteit uit te voeren, 10 = mogelijk om activiteit uit te voeren
* Eindscore: alle scores van activiteiten optellen, delen door aantal activiteiten: steeds tussen 0 en 100
* Later in behandeling nogmaals doen om progressie te bekijken
2
,→ Andere eenvoudig af te nemen functieschalen:
- PASS: patient acceptable symptom scale
* Subjectieve weergave van tevredenheid patiënt van huidige toestand
* Simpele vraag: ‘is huidige toestand van aangedane segment voor jou aanvaardbaar’
* Antwoord: ja of nee
- GROC: global rate of change
* Puntenschaal: van -5 tot +5
*Om te peilen naar hoe patiënt voelt dat die vooruitgaat
* -5 = veel slechter, 0 = ongewijzigd, +5 = volledig genezen
* MCID is 2 punten
→ Vragenlijsten die peilen naar algemeen welzijn van patiënt:
- SF36: 36-item short form health survey
* Bevraagt diverse dimensies van menselijk functioneren en levenskwaliteit
* Schalen voor fysiek functioneren, sociaal functioneren, rolbeperking fysiek of mentaal, energie, pijn, …
- CSI: central sensitization inventory
* Peilen naar signalen van chronische pijn niet gerelateerd aan letsel zelf
* Angst, slapeloosheid, gevoeligheid voor licht en geluid, …
5. HET KLINISCH ONDERZOEK (ACTIEF – PASSIEF – WEERSTAND)
→ BFO: basis-functie-onderzoek:
- Op zoek gaan naar beperkingen
- Drie delen in BFO:
* Actief onderzoek
* Passief onderzoek
* Weerstandsonderzoek
- Op basis van resultaten: kernprobleem vaststellen op bepaald niveau:
* Passief articulair
* Passief niet-articulair
* Neurogeen
* Musculotendinogeen
- Op basis van diagnose: aantal behandelbare aspecten (TRASP: treatable aspects) formuleren
* Deze kunnen distilleren uit bevindingen
* Niet alle bevindingen zijn behandelbare aspecten
* TRASP kunnen zowel pathologie- als patiëntgebonden zijn: zijn ook op alle niveaus van ICF-model te vinden
* TRASP bieden aanknopingspunten voor behandeling
* Eens TRASP gekend: prioriteiten stellen, ze niet allemaal tegelijk proberen behandelen: op basis van nodenanalyse,
irriteerbaarheid, verwachtingen, doelstellingen
* Mogelijke TRASP: niet-limitatief:
- Pijn in rust
- Pijn tijdens specifieke bewegingen
- Inflammatie – weefselirritatie
- Hypomobiliteit articulair
- Hypomobiliteit musculair
- Hypomobiliteit peri-articulair bindweefsel
- Instabiliteit
- Verminderde spiercontrole
- Krachtsverlies of spieronevenwicht
- Verminderde uithouding
- Verminderd evenwicht
- Abnormale spiertonus – hypertonie
- Psychosociale factoren: fear avoidance, lage verwachtingen, vermijdingsgedrag, …
- Algemene levensstijl: overgewicht, roken, sedentaire levensstijl, …
3
, HOOFDSTUK 2: KLINISCH REDENEREN: VAN ONDERZOEKSRESULTAAT NAAR BEHANDELING
a
→ Klinisch redeneren: denkproces om op basis van onderzoeksresultaten behandeling op te stellen
→ TRASP: ‘treatable aspects’
- Zaken die patiënt niet kan, beperkingen van patiënt: steeds ‘negatief’ geformuleerd
- Opstellen op basis van resultaten klinisch onderzoek
→ Behandeldoelstellingen:
- Geformuleerd op basis van TRASP
- Doel van behandeling, wat wil ik met patiënt bereiken: steeds ‘positief’ geformuleerd
- Steeds opstellen via SMART-methode: zie verder
→ Middelen / interventies:
- Mogelijke behandeltechnieken
- Vb. oefentherapie, soft-tissue technieken, mobilisaties, stretching, taping
→ Hoe behandeldoel formuleren?:
- Opstellen op basis van TRASP en prioriteiten van patiënt
- Positief omschrijven: wat willen we bereiken, welke beperking willen we verbeteren
- Opstellen aan de hand van SMART-principe: zo korte termijndoelstellingen duidelijk
* S: Specifiek: doel specifiek formuleren, niet te vaag
* M: Meetbaar: welk resultaat wil je berekenen, zorg dat het meetbaar is door graden, procenten, … te meten
* A: Acceptable: doelen opstellen die in samenspraak met patiënt in functie van het letsel acceptabel zijn
* R: Realistisch: doelen moeten realiseerbaar zijn binnen opgelegde termijn: communicatie belangrijk
* T: Tijdsgebonden: termijn, tijdspad vermelden waarbinnen doel behaald moet worden
- Doelstellingen niet enkel op functie- en structuurniveau, ook op activiteiten- en participatieniveau
1. REKENING HOUDEN MET DIVERSE SIMULTANE DENKPISTES IN HET KLINISCH REDENEREN
→ Diverse denkpistes: rekening mee houden tijdens klinisch redeneerproces
- Risico-inschatting: watch out for the red flags!
- Revalidatie gebaseerd op de pijnmechanismen
- Revalidatie gebaseerd op de tijdslijn van het letsel
- Revalidatie gebaseerd op de schade aan de structuur
- Revalidatie gebaseerd op de irriteerbaarheid van de klacht
- Revalidatie gebaseerd op de fasen van het weefselherstel
- Persoonlijke- en omgevingsfactoren
→ Risico-inschatting: watch out for the red flags!:
- Soms patiënten met duidelijk afgelijnde diagnose
* Indicaties en contra-indicaties zijn zeer duidelijk
* Kunnen geraadpleegd worden in algemene richtlijnen of guidelines
- Soms patiënten met vagere klachten
* Eerst triage doen: analyse van red flags doen of pluis/niet pluis theorie
* Red flags: subjectieve en klinische signalen of tekenen die vermoeden van ernstige onderliggende pathologie verhogen
* Mogelijks doorverwijzing naar arts mogelijk
- Typische tekenen voor red flags:
* Fractuur: recent trauma, zwelling, onderhuidse bloeding, niet kunnen belasten, …
* Kanker: voorgeschiedenis van kanker, falen van behandelingen, pijn niet gerelateerd aan houding of beweging, weinig
energie, plots gewichtsverlies, …
* Arteriële of veneuze occlusie: brandende pijn, zwelling
* Infectie: koorts, pijn niet gerelateerd aan houding of beweging, roodheid huid
* Centrale neurologische problemen: duizeligheid, krachtsverlies in volledige lichaam, evenwichtsstoornissen, …
- ‘Orange flags’: klinische bevindingen gerelateerd aan psychiatrische symptomen
→ Revalidatie gebaseerd op de pijnmechanismen:
- Pijnmechanismen: bevragen en onderzoeken in anamnese en klinisch onderzoek
- Belangrijkste opdeling pijnmechanismen:
* Nociceptieve pijn: gerelateerd aan aangedane structuur
- Drie oorzaken: inflammatoir – mechanisch – ischemisch
- Acute pijn is vaak nociceptief: zeker bij duidelijke medische diagnose
- Behandeling afhankelijk van soort letsel, ernst van structurele schade, fase van revalidatie
- Pijn is beperkend side effect, verdwijnt bij genezing
4
DEEL 1: VAN ONDERZOEK NAAR BEHANDELING
HOOFDSTUK 1: INLEIDING
→ Vorige cursussen: kinesitherapeutisch onderzoek: kernprobleem patiënt kennen
- Stoornis in functie / activiteit / participatie
- Interne (persoonlijke) en externe (omgevings-) factoren
→ Deze cursus: gegevens uit anamnese omzetten in relevante behandeldoelstellingen
- Omgevings- en persoonlijke factoren
- Factoren gerelateerd aan letsel zelf: irriteerbaarheid, structurele schade, fase van weefselherstel
- Pijn- en compensatiemechanismen
→ Klinisch redeneringsmodel: lineair en cyclisch verloop van anamnese – observatie – klinisch onderzoek – kinesitherapeutische
diagnose
- Nadenken over onderzoeksresultaten en die omzetten in behandeldoelstellingen
- Dataverzameling: anamnese + klinisch onderzoek: werkhypotheses stellen: bijstellen omwille van verder onderzoek of
bijkomende informatie
- Data-interpretatie: na anamnese en klinisch onderzoek: leidt tot (voorlopige) conclusie
- Conclusie: telkens bijstellen na elke volgende fase van klinisch onderzoek: finaal formuleren in ICF-kader
→ Klinisch redeneren: planmatig handelingsproces
- In samenspraak met patiënt
- Gezondheidsprobleem + bijhorende contextuele factoren analyseren
- Einddoel: gezondheidsprobleem in kaart brengen via ICF-model + adequate doelstellingen formuleren voor behandeling
→ Keuze van middelen:
- Hands-off
- Hands-on
- Educatie
1. HET LINEAIR EN CYCLISCH VERLOOP VAN HET KLINISCH REDENEERPROCES
→ Lineair verloop van klinisch redeneerproces:
- Patiënt komt bij kinesitherapeut met hulpvraag: vaak op basis van voorschrift
- Anamnese afnemen
- Klinisch kinesitherapeutisch onderzoek
- Kinesitherapeutische diagnose formuleren
- Prioriteiten stellen, doelstellingen bepalen, behandelplan opstellen
- Eens behandeling uitgevoerd: evalueren en afsluiten
- Eindverslag schrijven voor arts
→ Cyclisch verloop van klinisch redeneerproces:
- Hoe we effectief gaan handelen
- Continu klinisch redeneren: blijven evalueren en behandeling aanpassen indien nodig
- Lineair verloop: is streefdoel: zo efficiënt mogelijk patiënt helpen
- Cyclisch verloop: voortdurend terugblikken en evalueren om behandelstrategie eventueel aan te passen
- Drie belangrijke componenten binnen klinisch redeneerproces:
* Doelgericht: steeds interventie baseren op doel in functie van nodenanalyse patiënt
* Efficiënt: richt doelstellingen op prioritaire beperkingen patiënt
* Procesmatig: doelstellingen opstellen op basis van nodenanalyse, specifieke middelen selecteren
1
,→ Stap ‘van onderzoek naar behandeling’:
- Voorafgaande gegevens samenvatten: uit kinesitherapeutische diagnose doelstellingen formuleren
- PDCA-cyclus:
* P: plan: resultaten van onderzoek, leidend naar behandeldoelstellingen
* D: do: uitvoeren van behandeling, toepassen van gekozen interventies
* C: check: evalueren van resultaten van behandeling
* A: act: eventueel bijsturen van behandeling
2. DE MEDISCHE DIAGNOSE
a
→ Medische diagnose:
- Diagnose die op voorschrift van de doorverwijzende arts staat
- Meestal structuurgerelateerd: ‘fractuur’, ‘distorsie’, …
- Soms zeer vaag: ‘schouderpijn’, ‘lage rugpijn’, …
- Helpt algemene indicaties en contra-indicaties in kaart te brengen
- Vaak niet voldoende om klinisch relevant behandelprogramma op te stellen
- Steeds zelf anamnese en kinesitherapeutisch onderzoek doen
3. DE ANAMNESE
→ Anamnese:
- Geeft subjectief beeld van functiebeperkingen van patiënt
- Belangrijk om gedetailleerd te bevragen: op basis hiervan behandeldoelstellingen opstellen
- Beperkingen in activiteit en participatie bevragen: niet te ‘onderzoeken’ in kinesitherapeutisch onderzoek
- Persoonlijke en omgevingsfactoren bevragen: kunnen behandeling mogelijks beïnvloeden
* Zelfstandigheid – zelfredzaamheid
* Impact van klacht op ADL
* Verwachtingen van therapie
*…
- Medische diagnose: zeer sec, wat is er aan de hand
Anamnese: wie is persoon, hoe ervaart die probleem, hoe is zijn/haar omgeving, wat wil die weer kunnen, …
4. VRAGENLIJSTEN EN FUNCTIESCHALEN
→ Vragenlijsten en functieschalen:
- Helpen bevindingen te objectiveren
- Belangrijk binnen PDCA-cyclus: ‘check’ objectiveren
- Bevragen in begin van behandeling: zo later progressie te bemerken
→ Schalen op functieniveau:
- NPRS: Numeric Pain Ratings Scale
* Pijnschaal op 10 punten: van ‘geen pijn’ tot ‘onverdraaglijke pijn’
* Visueel: cijfers numeriek aangetoond: patiënt geeft cijfer aan pijn
- VAS-schaal: Visual Analogue Scale
* Pijnschaal op 10 punten: van ‘geen pijn’ tot ‘onverdraaglijke pijn’
* Visueel: lijnstuk van 10cm: patiënt duidt aan hoe erg pijn is, therapeut meet tot waar pijn komt
- Beide schalen: 2 punten is MCID (minimal clinically important difference, klinisch relevant verschil)
- Gebruik van pijnschaal: zo mogelijk om pijndemping als behandeldoel SMART te formuleren
→ Functionele vragenlijsten:
- Meestal op activiteiten- of participatieniveau
- Meeste lijsten zijn gewricht- of segmentspecifiek, soms zelfs pathologiespecifiek:
* DASH: disability of arm shoulder and hand: voor bovenste lidmaat
* OLBPDQ: Oswestry low back pain disability questionnaire: voor lage rugpijn
* FAI: functional ankle instability questionnaire : voor enkelstabiliteit
* WOSI: western Ontario shoulder instability score
→ Klinisch relevante bevraging: PSFS:
- PSFS: patient specific functional scale
- Functionele status van individuele patiënt bepalen
- Patiënt geeft max. 5 belangrijkste activiteiten die moeite kosten of die hij/zij niet meer kan door klachten
* Scoort elke activiteit: 0 = onmogelijk om activiteit uit te voeren, 10 = mogelijk om activiteit uit te voeren
* Eindscore: alle scores van activiteiten optellen, delen door aantal activiteiten: steeds tussen 0 en 100
* Later in behandeling nogmaals doen om progressie te bekijken
2
,→ Andere eenvoudig af te nemen functieschalen:
- PASS: patient acceptable symptom scale
* Subjectieve weergave van tevredenheid patiënt van huidige toestand
* Simpele vraag: ‘is huidige toestand van aangedane segment voor jou aanvaardbaar’
* Antwoord: ja of nee
- GROC: global rate of change
* Puntenschaal: van -5 tot +5
*Om te peilen naar hoe patiënt voelt dat die vooruitgaat
* -5 = veel slechter, 0 = ongewijzigd, +5 = volledig genezen
* MCID is 2 punten
→ Vragenlijsten die peilen naar algemeen welzijn van patiënt:
- SF36: 36-item short form health survey
* Bevraagt diverse dimensies van menselijk functioneren en levenskwaliteit
* Schalen voor fysiek functioneren, sociaal functioneren, rolbeperking fysiek of mentaal, energie, pijn, …
- CSI: central sensitization inventory
* Peilen naar signalen van chronische pijn niet gerelateerd aan letsel zelf
* Angst, slapeloosheid, gevoeligheid voor licht en geluid, …
5. HET KLINISCH ONDERZOEK (ACTIEF – PASSIEF – WEERSTAND)
→ BFO: basis-functie-onderzoek:
- Op zoek gaan naar beperkingen
- Drie delen in BFO:
* Actief onderzoek
* Passief onderzoek
* Weerstandsonderzoek
- Op basis van resultaten: kernprobleem vaststellen op bepaald niveau:
* Passief articulair
* Passief niet-articulair
* Neurogeen
* Musculotendinogeen
- Op basis van diagnose: aantal behandelbare aspecten (TRASP: treatable aspects) formuleren
* Deze kunnen distilleren uit bevindingen
* Niet alle bevindingen zijn behandelbare aspecten
* TRASP kunnen zowel pathologie- als patiëntgebonden zijn: zijn ook op alle niveaus van ICF-model te vinden
* TRASP bieden aanknopingspunten voor behandeling
* Eens TRASP gekend: prioriteiten stellen, ze niet allemaal tegelijk proberen behandelen: op basis van nodenanalyse,
irriteerbaarheid, verwachtingen, doelstellingen
* Mogelijke TRASP: niet-limitatief:
- Pijn in rust
- Pijn tijdens specifieke bewegingen
- Inflammatie – weefselirritatie
- Hypomobiliteit articulair
- Hypomobiliteit musculair
- Hypomobiliteit peri-articulair bindweefsel
- Instabiliteit
- Verminderde spiercontrole
- Krachtsverlies of spieronevenwicht
- Verminderde uithouding
- Verminderd evenwicht
- Abnormale spiertonus – hypertonie
- Psychosociale factoren: fear avoidance, lage verwachtingen, vermijdingsgedrag, …
- Algemene levensstijl: overgewicht, roken, sedentaire levensstijl, …
3
, HOOFDSTUK 2: KLINISCH REDENEREN: VAN ONDERZOEKSRESULTAAT NAAR BEHANDELING
a
→ Klinisch redeneren: denkproces om op basis van onderzoeksresultaten behandeling op te stellen
→ TRASP: ‘treatable aspects’
- Zaken die patiënt niet kan, beperkingen van patiënt: steeds ‘negatief’ geformuleerd
- Opstellen op basis van resultaten klinisch onderzoek
→ Behandeldoelstellingen:
- Geformuleerd op basis van TRASP
- Doel van behandeling, wat wil ik met patiënt bereiken: steeds ‘positief’ geformuleerd
- Steeds opstellen via SMART-methode: zie verder
→ Middelen / interventies:
- Mogelijke behandeltechnieken
- Vb. oefentherapie, soft-tissue technieken, mobilisaties, stretching, taping
→ Hoe behandeldoel formuleren?:
- Opstellen op basis van TRASP en prioriteiten van patiënt
- Positief omschrijven: wat willen we bereiken, welke beperking willen we verbeteren
- Opstellen aan de hand van SMART-principe: zo korte termijndoelstellingen duidelijk
* S: Specifiek: doel specifiek formuleren, niet te vaag
* M: Meetbaar: welk resultaat wil je berekenen, zorg dat het meetbaar is door graden, procenten, … te meten
* A: Acceptable: doelen opstellen die in samenspraak met patiënt in functie van het letsel acceptabel zijn
* R: Realistisch: doelen moeten realiseerbaar zijn binnen opgelegde termijn: communicatie belangrijk
* T: Tijdsgebonden: termijn, tijdspad vermelden waarbinnen doel behaald moet worden
- Doelstellingen niet enkel op functie- en structuurniveau, ook op activiteiten- en participatieniveau
1. REKENING HOUDEN MET DIVERSE SIMULTANE DENKPISTES IN HET KLINISCH REDENEREN
→ Diverse denkpistes: rekening mee houden tijdens klinisch redeneerproces
- Risico-inschatting: watch out for the red flags!
- Revalidatie gebaseerd op de pijnmechanismen
- Revalidatie gebaseerd op de tijdslijn van het letsel
- Revalidatie gebaseerd op de schade aan de structuur
- Revalidatie gebaseerd op de irriteerbaarheid van de klacht
- Revalidatie gebaseerd op de fasen van het weefselherstel
- Persoonlijke- en omgevingsfactoren
→ Risico-inschatting: watch out for the red flags!:
- Soms patiënten met duidelijk afgelijnde diagnose
* Indicaties en contra-indicaties zijn zeer duidelijk
* Kunnen geraadpleegd worden in algemene richtlijnen of guidelines
- Soms patiënten met vagere klachten
* Eerst triage doen: analyse van red flags doen of pluis/niet pluis theorie
* Red flags: subjectieve en klinische signalen of tekenen die vermoeden van ernstige onderliggende pathologie verhogen
* Mogelijks doorverwijzing naar arts mogelijk
- Typische tekenen voor red flags:
* Fractuur: recent trauma, zwelling, onderhuidse bloeding, niet kunnen belasten, …
* Kanker: voorgeschiedenis van kanker, falen van behandelingen, pijn niet gerelateerd aan houding of beweging, weinig
energie, plots gewichtsverlies, …
* Arteriële of veneuze occlusie: brandende pijn, zwelling
* Infectie: koorts, pijn niet gerelateerd aan houding of beweging, roodheid huid
* Centrale neurologische problemen: duizeligheid, krachtsverlies in volledige lichaam, evenwichtsstoornissen, …
- ‘Orange flags’: klinische bevindingen gerelateerd aan psychiatrische symptomen
→ Revalidatie gebaseerd op de pijnmechanismen:
- Pijnmechanismen: bevragen en onderzoeken in anamnese en klinisch onderzoek
- Belangrijkste opdeling pijnmechanismen:
* Nociceptieve pijn: gerelateerd aan aangedane structuur
- Drie oorzaken: inflammatoir – mechanisch – ischemisch
- Acute pijn is vaak nociceptief: zeker bij duidelijke medische diagnose
- Behandeling afhankelijk van soort letsel, ernst van structurele schade, fase van revalidatie
- Pijn is beperkend side effect, verdwijnt bij genezing
4