Samenvatting functieleer deel 1
Hoofdstuk 1. Situering van psychologie als wetenschap en van functieleer
als basisdomein in de psychologie
1.1 Oorspronkelijke definitie vanuit traditionele opvattingen over het geest-lichaam-probleem
Psychologie: zielkunde of wetenschap vd geest
Psyche: ziel/geest Logos: woord/verhandeling
• mentale functies • Kennis
• denken • kunde
• gevoelens
• bedoelingen
Plato (424/423 – 348/347 v.C): geest is niet aan dezelfde wetten onderhevig als het
lichaam door bestaan van vrije wil
Lichaam onderhevig aan natuurwetten
• vb: je springt van een brug, keuze om te springen komt vanuit de vrije wil.
Eenmaal dat je gesprongen bent is het lichaam onderhevig aan de
wetmatigheden vd natuur (zwaartekracht) en zal je vallen ookal wil je dat plots
niet meer.
René Descartes (1596-1650):
• lichaam en geest zijn duidelijk onderscheiden
o res cogitans: denkend ding vs res extensa: uitgebreid ding
• De uitgebreidheid is de essentie v alle fysische entiteiten. Deze hebben allemaal
een bepaalde grootte, lengte en gewicht. De geest heeft dat niet, deze is
ontastbaar zonder uitgebreidheid→ dualisme
o hoe de materie de geest beïnvloedt
Vlgns hen zijn lichaam en geest twee soorten dingen die beantwoorden aan twee
soorten wetmatigheden.
Probleem van interactie tussen beide entiteiten-> geest-lichaam-probleem/ mind-
body problem
,Descartes situeert dat probleem thv de epifyse/ pijnappelklier (klier in de kleine
hersenen), omdat deze centraal gelegen en niet gelateraliseerd is (ligt centraal).
Volgens Descartes worden in de epifyse door de externe stimulatie veroorzaakte
zenuwprikkels omgezet in bevelen, die door motorische zenuwen omgezet kunnen
worden in zichtbare acties.
Deze theorie is achterhaald de epifyse is eigenlijk verantwoordelijk voor de productie
van melatonine (regelt biologische klok en dag-nacht-ritme)
Voorbeelden theorie v Descartes:
Persoon dicht met voet bij vuur. Die
zenuwbanen gaan die prikkels vd
temperatuur nr de hersenen voeren en
daar in de epifyse gebeurt iets magisch v
elektrische activiteit die door die
zenuwbaan loopt, die die prikkels
geregistreerd hebben en vervoeren nr de
hersenen en dan wordt dat een gevoel v
pijn = subjectief/ geestelijk (dezelfde
prikkel geeft niet hetzelfde gevoel v pijn
voor iedereen en in dezelfde
omstandigheden)
Persoon kijkt nr een pijl. Die pijl wordt via
lichtstralen op het oog geprojecteerd ,
die komen via zenuwbanen terug in de
epifyse en die epifyse waar de vertaling
gebeurt van fysische prikkel nr geestelijk
gaat er een soort bewustzijn verschijnen
:“ik zie een pijl”
Na bewustzijn kan je ook een handeling
stellen (er naar wijzen bijvoorbeeld-> dat
idee is geestelijk de handeling zelf
lichamelijk)
Visueel bewustzijn is weer subjectief/
geestelijk (een interpretatie)
Dat globale schema (stimulus-verwerking-respons) toont moeilijkheid om dit op een
wetenschappelijke manier te bestuderen-> voorbeeld om problematiek te
,verduidelijken: pupil vh oog wordt kleiner naarmate er meer licht is. Dat reflex is volledig
in natuurwetenschappelijke termen te verklaren, maar de grootte vd pupilopening is ook
een maat vr hoe interessant iemand het waargenomene vindt. Een bepaalde meetbare
reactie kan zowel een fysische oorzaak als een psychologische oorzaak hebben. (bv.
mondriaan schilderij)
Monisme (de identiteitstheorie v materie en geest): geest en lichaam niet opvatten als
twee afzonderlijke entiteiten, maar als twee aspecten van één entiteit. 2 versies
hiervan:
• Materialisme:
o nadruk op ontologische aspect (in termen vd aard vh zijn): alleen het
fysische bestaat echt.
o Epistemologisch (in termen v wat we kunnen kennen) betekent dit dat we
alleen het fysische echt wetenschappelijk kunnen bestuderen-> leidt tot
vorm v reductionisme: alles wordt tot één soort werkelijkheid herleid (als
er maar 1 ding echt bestaat dan moet je de werkelijheid uiteindelijk
reduceren tot dat ene ding)
• Idealisme:
o nadruk op epistemologisch aspect: we kennen de werkelijkheid enkel via
onze zintuigen en ons eigen denken→ leidt tot soort solipsisme: elke
geest zit opgesloten in zijn eigen bubbel, met zijn eigen leef- en
betekeniswereld, elk een eigen manier om de wereld te interpreteren
o Ontologisch leidt dit tot panpsychisme: alles in de natuur heeft een ziel
Gustav Theodor Fechner
Voorstander monisme (panpsychisme): geest en lichaam→ twee facetten van hetzelfde
Beeldspraak: cirkel is zowel hol als bol, maar v binnen uit of v buiten uit bekeken ziet
men altijd maar een vd twee mogelijkheden. Als de cirkel bol is van binnen uit bekeken,
is hij hol van buiten uit bekeken en omgekeerd. Bij het denken ook: binnen uit bekeken
(vanuit ons eigen intern, persoonlijk, subjectief standpunt) komt het denken voort vanuit
de geest, het zelf. Van buiten uit bekeken (vanuit een extern, objectiverend,
wetenschappelijk standpunt) komt het denken voort vanuit de hersenen (een fysisch
orgaan).
➔ wil de functionele relatie tussen het fysische en het psychische in kaart brengen.
Boek: Elemente der Psychophysik→ start psychofysica (ging voor aan psychologie als
wetenschap)
, Nieuwe discipline die hij ontwikkeld: psychofysica: exacte wetenschap vd functionele
relatie tussen lichaam en geest.
1.2. Hedendaagse definitie vanuit visie op complexiteit vd psychologie
Definitie: mentale processen zijn gebonden aan fysische systemen, maar zijn niet te
reduceren tot fysische processen (valt niet allemaal te reduceren tot hersenwerking)
Psychologie: wetenschap vh gedrag en de factoren die dit beïnvloeden.
Gedragsdeterminanten: factoren die het bedrag beïnvloeden
• kunnen zowel fysisch als mentaal zijn
• zowel zichtbaar als verborgen (in de black box)
• vaak meerdere factoren (zelden dat gedrag slechts door 1 factor beïnvloed wordt)
• vaak complexe wisselwerkingen (interacties, dynamisch→ kunnen veranderen
van moment op moment bv. v kind tot volwassenheid)
Voorbeelden:
1e : Rorschach inktvlekkentest
(in boek Psychodiagnostik): persoon projecteert elementen van zijn persoonlijkheid in zijn antwoorden
Veronderstelling: de betekenis in een betekenisloze prikkel moet vd persoon zelf komen
Quote: they use the language of vision without saying anything
De inktvlekken zijn niet vormloos→ grafische elementen die perceptuele effecten in gang zetten:
• vorm
o Moet voldoende amigue zijn om er meerdere dingen in te zien, maar ook voldoende
duidelijk anders kan je er geen interpretatie aan geven (gwn inktvlek anders)
o Na snelle scan, paar sec nodig voor interpretaties: vorminterpretatie die je maakt is
eigenlijk het beeld dat je met opgeslagen hersenbeelden vergelijkt om het te kunnen
benoemen
o Gehelen, afzonderlijke componenten, details
o Ons brein is voortdurend op zoek naar gekende patronen en toevallige structuren met lage
info-inhoud (pareidolia)
• symmetrie
o Vernietigd de indruk van toeval
o Gemakkelijker te interpreteren door geïnhibeerde personen (mensen die normaal niet
durven zeggen wat ze zien in zoiets)
o Symmetrie en geslotenheid leiden gemakkelijker tot globale interpretaties, zet deze in
gang
• figuur-achtergrond-organisatie
o Wit-ruimte tussen de vlekken speelt rol
• schaduwen
• kleur
o color shock geeft meer emtionele responsen (bij vorm meer intellectuele responsen)
,• geïnduceerde beweging (M response)
Verwant aan de pareidolia: het zien van betekenisvolle voorwerpen in vormloze prikkels
zoals wolken, schimmels, etc.
Interpretatie ve onduidelijke prikkel wordt door meerdere processen beïnvloed:
• Puur perceptuele verwerking ve input-beeld
• Geheugenprocessen zoals het oproepen v beelden v gekende voorwerpen
• Emotionele reacties
• Interpretaties ifv persoonlijkheid: persoonlijk verleden, eigen verlangens,
wensen, onbewuste drijfveren
Verklaringen van gedrag kunnen nomothetisch/ idiografisch zijn:
• Nomothetische benadering: algemene wetten die voor iedereen dezelfde zijn
• Idiografische benadering: specifieke factoren die individueel verschillend
kunnen zijn
2e: Hawthorne onderzoek
Doel: men wilde nagaan of een verbetering in de werkomstandigheden de
arbeidstevredenheid en dus ook de arbeidsprestatie zou bevorderen
Werking: de werkomstandigheden werden min of meer systematisch gevarieerd,
kregen: beloning, pauzes, eten, werktijd verkort
Resultaat: verbetering v werkomstandigheden leidt tot productieverhoging
MAAR: verbeteringen werden ongedaan gemaakt en productie daalde niet→
productiestijging kwam omdat de meisjes in de fabriek meer aandacht kregen dan
normaal. Voelde zich niet langer radartjes in een grote machine. Wilde hun nu
belangrijke sociale positie waarmaken door beter te werken.
3e: Betula studie
Doel: achterhalen welke factoren bepalen of mensen succesvol ouder worden of juist
niet
Werking: longitudinaal en cross-sectioneel proefopzet. Veel factoren werden bevraagd
en gemeten
Resultaat: een van de sterkste voorspellers was het nog hebben van eigen tanden
MAAR: zou verband zou gemedieerd kunnen worden door factoren zoals
opleidingsniveau, algemene hygiëne en gezondheid,…
, Correlatie is niet causatie
Onderliggende verbanden verklaren tussen complexe variabelen-> geheel vd gegevens
zo zuinig mogelijk verklaren, met zo weinig mogelijk factoren en factoren die zo
eenvoudig mogelijk zijn = Occam’s razor
Wilhelm Dilthey
Maakt onderscheid tussen natuur- en menswetenschappen.
Natuurwetenschappen Menswetenschappen
(geesteswetenschappen)
Gericht op verklaren (erklären) van Gericht op het begrijpen (verstehen) vd
wetmatigheden in de natuur. mens en zijn geschiedenis.
Te verklaren doordat externe krachten die Voortbrengselen of uitgroeisels ve
van buitenaf op levenloze materie langdurige samenwerking tussen
inwerken, onveranderlijk zijn. Laat mensen. Levende systemen met
herhaling in labo toe, waardoor men de fundamentele interacties tussen mensen
wetmatigheden kan achterhalen. onderling, en tussen mensen en de
complexe systemen die ze voortbrengen.
Dilthey: psychologie zou de totale ervaring tot onderwerp moeten nemen, niet de
gereduceerde ervaringen die door een beperkt aantal factoren worden veroorzaakt in het
labo. De totale onverminkte ervaringen laten zich enkel van binnenuit begrijpen
(verstehen), o.a. door inleving (Einfühlung/ empathie) (wat we in psychotherapie doen).
Natuurwetenschappelijke benadering ongeschikt vr het bestuderen vd menselijke
werkelijkheid.
Hedendaagse opvatting: psychologie moet proberen gedragsverschijnselen zowel te
verklaren als te begrijpen. Psychologie is dus zowel een natuurwetenschap als
geesteswetenschap.
, 1.3. De positie van de psychologie naast andere wetenschappen
Deeldomeinen van de psychologie vertonen steeds raakvlakken met andere
wetenschappelijke disciplines (of hun deelgebieden).
1.4. Basisdomeinen van de psychologie
H.C.J. (Bert) Duijker: Schreef artikel over de nomenclatuur en systematiek in de
psychologie. Maakte onderscheid tussen 5 basisdomeinen:
• Methodenleer-> normatieve methodenleer (hoe het zou moeten) + descriptieve
methodenleer (hoe het in de praktijk meestal gebeurt) + testpsychologie (vlgns
duijker, want theoriëen v persoonlijkheidsleer)
• Functieleer: studie van algemeen-menselijke functies
• Persoonlijkheidsleer-> persoonlijkheidstheorieën (vaak typologieën) +
psychologie van begaafdheden en vaardigheden+ psychopathologie
• Ontwikkelingsleer -> opgedeeld in levensfasen
• Gedragsleer -> opgedeeld ifv focus op persoon als deel vd situatie, in relatie tot
anderen, groeperingen waartoe hij behoort en communicatie
, John. T. Cacioppo: psychologie kan beschouwd worden als hub science→ als je het
patroon van citaties bekijkt die wetenschappers gebruiken in hun publicaties, zie je dat
vaak naar de psychologie verwezen wordt vanuit naburige disciplines.
1.5. Geschiedenis van de psychologie
Psychologie: samenhang v filosofie (17e/ 18e eeuw) en fysiologie (18e eeuw).
Bij de filosofie vooral centraal binnen kenleer/ epistemologie.
Ontdekking dat fysiologie in stroom versnelling bracht-> "L'homme machine" van
Julien Offray de la Mettrie: onderscheid tussen machine en organisme (maaksel vs
groeisel) en vat de mens op als een machine, zowel fysisch als mentaal.
1.5.1. Empirisme haalt het van rationalisme in de 17de en 18de eeuw
Debat in de filosofie (in het bijzonder de kenleer)-> tussen rationalisme en empirisme
Rationalisme empirisme
Alle kennis komt voort uit het verstand Alle kennis komt voort uit de zintuigelijke
(het denken, de ratio) (bv. Kant) ervaringen (de empirie) (bv. Francis
Bacon en Thomas Hobbes)
Empirisme:
wie inhoud boek quote
1 grote vertegenwoordiger
e
John Locke Grondlegger vh An essay concerning "Nihil est in intellectu quod
empirisme. human understanding: non fuit prius in sensu" ("Niets
hier gaat hij in tegen de is in het verstand aanwezig dat
Beschouwt de mens rationalistische visie van niet eerst in de zintuigen
als tabula rasa (een aangeboren ideeën (bv. was").
onbeschreven blad) ruimte en tijd bij Kant) en
en vat ervaring op als pleit hij ervoor dat alle → Hij vat de idee op als
enige bron van kennis. ideeën voortkomen uit fundamentele eenheid van de
ervaring geest en maakt daarbij het
Hoe de materie de onderscheid tussen
geest voortbrengt eenvoudige en complexe
ideeën. Die laatste ontstaan
door associaties tussen de
eenvoudige ideeën.
, 2e vertegenwoordiger
Probleem is hoe de Essay towards a new "Esse est percipi" ("Zijn is
George geest de materie theory of Vision: waargenomen worden").
Berkeley voortbrengt (niet hoe beargumenteert dat licht Als het niet waargenomen
de materie de geest en kleur het resultaat zijn wordt is het er niet
beïnvloed/voortbrengt van waarneming en niet
(descartes en locke)) zozeer van de materiële Hij vertegenwoordigt daarmee
objecten zelf. het immaterialisme in de
Deze visie is dus een kenleer.
vorm van idealisme Toont aan dat de visuele
(die ook tot waarneming gebaseerd is
solipsisme kan op ervaring (niet
leiden). aangeboren, maar
aangeleerd door
associatie). Zie probleem
v molyneux*
Treatise concerning the
principles of human
knowledge: beweert dat
de externe wereld enkel uit
ideeën bestaat.
3e vertegenwoordiger
David Hume Solipsisme: A treatise of human "Reason is and ought only to
we kunnen de realiteit nature: be the slave of the passions"
buiten ons niet met psychologische basis van
zekerheid kennen de menselijke natuur, met
omdat we in onze een nog kleinere rol voor
eigen bubbel zitten de ratio dan in voorgaande
theorieën.
ook aan "het zelf'
moeten we twijfelen An enquiry concerning
(<-> "cogito ergo sum" human understanding:
van Descartes). onderscheid tussen
De manier van hoe je impressies (sensaties of
bent heeft invloed op gewaarwordingen) en
hoe je de wereld ziet ideeën (herinneringen in
en kan kennen het geheugen en
verbeelding).
belang van associaties om
van simpele tot complexe
ideeën te komen (opnieuw
een psychologisch
proces).
, Berkeley: probleem van Molyneux*: Wat zou er gebeuren als een aangeboren blinde
door een of andere miraculeuze ingreep plots kon beschikken over zijn visueel zintuig?
Zou hij de voorwerpen rondom zich meteen "zien" zoals wij die zien, of zou hij de visuele
prikkels moeten leren koppelen aan zijn ideeën over voorwerpen op basis v zijn andere
zintuigen (bv. tast)?
➔ de associatie aan eerdere zintuiglijke ervaringen via een leerproces is essentieel
alvorens je vormen kan herkennen obv visuele prikkels alleen. Ook het probleem
van grootteconstantie lossen we gedeeltelijk op door associatie v visuele
prikkels met tactiele en kinesthetische gewaarwordingen.
1.5.2. Belangrijke fysiologische ontdekkingen e.a. ontwikkelingen in de 18de en 19de eeuw
Charles Bell: maakt onderscheid tussen sensorische en motorische zenuwbanen.
• Afferente banen (aanvoer zintuigelijke prikkels nr hersenen): de zintuiglijke
zenuwbanen leiden van de zintuigen naar het centraal zenuwstelsel.
• Efferente banen (afvoer v bevelen nr de spieren): de motorische zenuwbanen
leiden vanuit het centraal zenuwstelsel naar de spieren.
Santiago Ramón y Cajal: ontdekt dat een zenuwbaan eigenlijk een geheel is van
zenuwcellen en synapsen, waar contact gemaakt wordt tussen zenuwcellen, waardoor
signalen doorgegeven kunnen worden.
Johannes Müller: zenuwen "bemiddelen" tussen objecten en bewustzijn, en hij
postuleert ook de leer van specifieke zenuwkwaliteiten, een eigen soort zenuwenergie
voor verschillende sensoriële (zintuiglijke) kwaliteiten.
➔ Inspireert von Helmholtz vr zijn kleurentheorie met 3 soorten receptoren vr de 3
basiskleuren
Hermann von Helmholtz:
eerste empirische metingen van de snelheid van transmissie van signalen in
zenuwbanen.
Boek: Handbuch der physiologischen Optik: notie van "onbewuste inferentie/
redenering" in de waarneming
Hoofdstuk 1. Situering van psychologie als wetenschap en van functieleer
als basisdomein in de psychologie
1.1 Oorspronkelijke definitie vanuit traditionele opvattingen over het geest-lichaam-probleem
Psychologie: zielkunde of wetenschap vd geest
Psyche: ziel/geest Logos: woord/verhandeling
• mentale functies • Kennis
• denken • kunde
• gevoelens
• bedoelingen
Plato (424/423 – 348/347 v.C): geest is niet aan dezelfde wetten onderhevig als het
lichaam door bestaan van vrije wil
Lichaam onderhevig aan natuurwetten
• vb: je springt van een brug, keuze om te springen komt vanuit de vrije wil.
Eenmaal dat je gesprongen bent is het lichaam onderhevig aan de
wetmatigheden vd natuur (zwaartekracht) en zal je vallen ookal wil je dat plots
niet meer.
René Descartes (1596-1650):
• lichaam en geest zijn duidelijk onderscheiden
o res cogitans: denkend ding vs res extensa: uitgebreid ding
• De uitgebreidheid is de essentie v alle fysische entiteiten. Deze hebben allemaal
een bepaalde grootte, lengte en gewicht. De geest heeft dat niet, deze is
ontastbaar zonder uitgebreidheid→ dualisme
o hoe de materie de geest beïnvloedt
Vlgns hen zijn lichaam en geest twee soorten dingen die beantwoorden aan twee
soorten wetmatigheden.
Probleem van interactie tussen beide entiteiten-> geest-lichaam-probleem/ mind-
body problem
,Descartes situeert dat probleem thv de epifyse/ pijnappelklier (klier in de kleine
hersenen), omdat deze centraal gelegen en niet gelateraliseerd is (ligt centraal).
Volgens Descartes worden in de epifyse door de externe stimulatie veroorzaakte
zenuwprikkels omgezet in bevelen, die door motorische zenuwen omgezet kunnen
worden in zichtbare acties.
Deze theorie is achterhaald de epifyse is eigenlijk verantwoordelijk voor de productie
van melatonine (regelt biologische klok en dag-nacht-ritme)
Voorbeelden theorie v Descartes:
Persoon dicht met voet bij vuur. Die
zenuwbanen gaan die prikkels vd
temperatuur nr de hersenen voeren en
daar in de epifyse gebeurt iets magisch v
elektrische activiteit die door die
zenuwbaan loopt, die die prikkels
geregistreerd hebben en vervoeren nr de
hersenen en dan wordt dat een gevoel v
pijn = subjectief/ geestelijk (dezelfde
prikkel geeft niet hetzelfde gevoel v pijn
voor iedereen en in dezelfde
omstandigheden)
Persoon kijkt nr een pijl. Die pijl wordt via
lichtstralen op het oog geprojecteerd ,
die komen via zenuwbanen terug in de
epifyse en die epifyse waar de vertaling
gebeurt van fysische prikkel nr geestelijk
gaat er een soort bewustzijn verschijnen
:“ik zie een pijl”
Na bewustzijn kan je ook een handeling
stellen (er naar wijzen bijvoorbeeld-> dat
idee is geestelijk de handeling zelf
lichamelijk)
Visueel bewustzijn is weer subjectief/
geestelijk (een interpretatie)
Dat globale schema (stimulus-verwerking-respons) toont moeilijkheid om dit op een
wetenschappelijke manier te bestuderen-> voorbeeld om problematiek te
,verduidelijken: pupil vh oog wordt kleiner naarmate er meer licht is. Dat reflex is volledig
in natuurwetenschappelijke termen te verklaren, maar de grootte vd pupilopening is ook
een maat vr hoe interessant iemand het waargenomene vindt. Een bepaalde meetbare
reactie kan zowel een fysische oorzaak als een psychologische oorzaak hebben. (bv.
mondriaan schilderij)
Monisme (de identiteitstheorie v materie en geest): geest en lichaam niet opvatten als
twee afzonderlijke entiteiten, maar als twee aspecten van één entiteit. 2 versies
hiervan:
• Materialisme:
o nadruk op ontologische aspect (in termen vd aard vh zijn): alleen het
fysische bestaat echt.
o Epistemologisch (in termen v wat we kunnen kennen) betekent dit dat we
alleen het fysische echt wetenschappelijk kunnen bestuderen-> leidt tot
vorm v reductionisme: alles wordt tot één soort werkelijkheid herleid (als
er maar 1 ding echt bestaat dan moet je de werkelijheid uiteindelijk
reduceren tot dat ene ding)
• Idealisme:
o nadruk op epistemologisch aspect: we kennen de werkelijkheid enkel via
onze zintuigen en ons eigen denken→ leidt tot soort solipsisme: elke
geest zit opgesloten in zijn eigen bubbel, met zijn eigen leef- en
betekeniswereld, elk een eigen manier om de wereld te interpreteren
o Ontologisch leidt dit tot panpsychisme: alles in de natuur heeft een ziel
Gustav Theodor Fechner
Voorstander monisme (panpsychisme): geest en lichaam→ twee facetten van hetzelfde
Beeldspraak: cirkel is zowel hol als bol, maar v binnen uit of v buiten uit bekeken ziet
men altijd maar een vd twee mogelijkheden. Als de cirkel bol is van binnen uit bekeken,
is hij hol van buiten uit bekeken en omgekeerd. Bij het denken ook: binnen uit bekeken
(vanuit ons eigen intern, persoonlijk, subjectief standpunt) komt het denken voort vanuit
de geest, het zelf. Van buiten uit bekeken (vanuit een extern, objectiverend,
wetenschappelijk standpunt) komt het denken voort vanuit de hersenen (een fysisch
orgaan).
➔ wil de functionele relatie tussen het fysische en het psychische in kaart brengen.
Boek: Elemente der Psychophysik→ start psychofysica (ging voor aan psychologie als
wetenschap)
, Nieuwe discipline die hij ontwikkeld: psychofysica: exacte wetenschap vd functionele
relatie tussen lichaam en geest.
1.2. Hedendaagse definitie vanuit visie op complexiteit vd psychologie
Definitie: mentale processen zijn gebonden aan fysische systemen, maar zijn niet te
reduceren tot fysische processen (valt niet allemaal te reduceren tot hersenwerking)
Psychologie: wetenschap vh gedrag en de factoren die dit beïnvloeden.
Gedragsdeterminanten: factoren die het bedrag beïnvloeden
• kunnen zowel fysisch als mentaal zijn
• zowel zichtbaar als verborgen (in de black box)
• vaak meerdere factoren (zelden dat gedrag slechts door 1 factor beïnvloed wordt)
• vaak complexe wisselwerkingen (interacties, dynamisch→ kunnen veranderen
van moment op moment bv. v kind tot volwassenheid)
Voorbeelden:
1e : Rorschach inktvlekkentest
(in boek Psychodiagnostik): persoon projecteert elementen van zijn persoonlijkheid in zijn antwoorden
Veronderstelling: de betekenis in een betekenisloze prikkel moet vd persoon zelf komen
Quote: they use the language of vision without saying anything
De inktvlekken zijn niet vormloos→ grafische elementen die perceptuele effecten in gang zetten:
• vorm
o Moet voldoende amigue zijn om er meerdere dingen in te zien, maar ook voldoende
duidelijk anders kan je er geen interpretatie aan geven (gwn inktvlek anders)
o Na snelle scan, paar sec nodig voor interpretaties: vorminterpretatie die je maakt is
eigenlijk het beeld dat je met opgeslagen hersenbeelden vergelijkt om het te kunnen
benoemen
o Gehelen, afzonderlijke componenten, details
o Ons brein is voortdurend op zoek naar gekende patronen en toevallige structuren met lage
info-inhoud (pareidolia)
• symmetrie
o Vernietigd de indruk van toeval
o Gemakkelijker te interpreteren door geïnhibeerde personen (mensen die normaal niet
durven zeggen wat ze zien in zoiets)
o Symmetrie en geslotenheid leiden gemakkelijker tot globale interpretaties, zet deze in
gang
• figuur-achtergrond-organisatie
o Wit-ruimte tussen de vlekken speelt rol
• schaduwen
• kleur
o color shock geeft meer emtionele responsen (bij vorm meer intellectuele responsen)
,• geïnduceerde beweging (M response)
Verwant aan de pareidolia: het zien van betekenisvolle voorwerpen in vormloze prikkels
zoals wolken, schimmels, etc.
Interpretatie ve onduidelijke prikkel wordt door meerdere processen beïnvloed:
• Puur perceptuele verwerking ve input-beeld
• Geheugenprocessen zoals het oproepen v beelden v gekende voorwerpen
• Emotionele reacties
• Interpretaties ifv persoonlijkheid: persoonlijk verleden, eigen verlangens,
wensen, onbewuste drijfveren
Verklaringen van gedrag kunnen nomothetisch/ idiografisch zijn:
• Nomothetische benadering: algemene wetten die voor iedereen dezelfde zijn
• Idiografische benadering: specifieke factoren die individueel verschillend
kunnen zijn
2e: Hawthorne onderzoek
Doel: men wilde nagaan of een verbetering in de werkomstandigheden de
arbeidstevredenheid en dus ook de arbeidsprestatie zou bevorderen
Werking: de werkomstandigheden werden min of meer systematisch gevarieerd,
kregen: beloning, pauzes, eten, werktijd verkort
Resultaat: verbetering v werkomstandigheden leidt tot productieverhoging
MAAR: verbeteringen werden ongedaan gemaakt en productie daalde niet→
productiestijging kwam omdat de meisjes in de fabriek meer aandacht kregen dan
normaal. Voelde zich niet langer radartjes in een grote machine. Wilde hun nu
belangrijke sociale positie waarmaken door beter te werken.
3e: Betula studie
Doel: achterhalen welke factoren bepalen of mensen succesvol ouder worden of juist
niet
Werking: longitudinaal en cross-sectioneel proefopzet. Veel factoren werden bevraagd
en gemeten
Resultaat: een van de sterkste voorspellers was het nog hebben van eigen tanden
MAAR: zou verband zou gemedieerd kunnen worden door factoren zoals
opleidingsniveau, algemene hygiëne en gezondheid,…
, Correlatie is niet causatie
Onderliggende verbanden verklaren tussen complexe variabelen-> geheel vd gegevens
zo zuinig mogelijk verklaren, met zo weinig mogelijk factoren en factoren die zo
eenvoudig mogelijk zijn = Occam’s razor
Wilhelm Dilthey
Maakt onderscheid tussen natuur- en menswetenschappen.
Natuurwetenschappen Menswetenschappen
(geesteswetenschappen)
Gericht op verklaren (erklären) van Gericht op het begrijpen (verstehen) vd
wetmatigheden in de natuur. mens en zijn geschiedenis.
Te verklaren doordat externe krachten die Voortbrengselen of uitgroeisels ve
van buitenaf op levenloze materie langdurige samenwerking tussen
inwerken, onveranderlijk zijn. Laat mensen. Levende systemen met
herhaling in labo toe, waardoor men de fundamentele interacties tussen mensen
wetmatigheden kan achterhalen. onderling, en tussen mensen en de
complexe systemen die ze voortbrengen.
Dilthey: psychologie zou de totale ervaring tot onderwerp moeten nemen, niet de
gereduceerde ervaringen die door een beperkt aantal factoren worden veroorzaakt in het
labo. De totale onverminkte ervaringen laten zich enkel van binnenuit begrijpen
(verstehen), o.a. door inleving (Einfühlung/ empathie) (wat we in psychotherapie doen).
Natuurwetenschappelijke benadering ongeschikt vr het bestuderen vd menselijke
werkelijkheid.
Hedendaagse opvatting: psychologie moet proberen gedragsverschijnselen zowel te
verklaren als te begrijpen. Psychologie is dus zowel een natuurwetenschap als
geesteswetenschap.
, 1.3. De positie van de psychologie naast andere wetenschappen
Deeldomeinen van de psychologie vertonen steeds raakvlakken met andere
wetenschappelijke disciplines (of hun deelgebieden).
1.4. Basisdomeinen van de psychologie
H.C.J. (Bert) Duijker: Schreef artikel over de nomenclatuur en systematiek in de
psychologie. Maakte onderscheid tussen 5 basisdomeinen:
• Methodenleer-> normatieve methodenleer (hoe het zou moeten) + descriptieve
methodenleer (hoe het in de praktijk meestal gebeurt) + testpsychologie (vlgns
duijker, want theoriëen v persoonlijkheidsleer)
• Functieleer: studie van algemeen-menselijke functies
• Persoonlijkheidsleer-> persoonlijkheidstheorieën (vaak typologieën) +
psychologie van begaafdheden en vaardigheden+ psychopathologie
• Ontwikkelingsleer -> opgedeeld in levensfasen
• Gedragsleer -> opgedeeld ifv focus op persoon als deel vd situatie, in relatie tot
anderen, groeperingen waartoe hij behoort en communicatie
, John. T. Cacioppo: psychologie kan beschouwd worden als hub science→ als je het
patroon van citaties bekijkt die wetenschappers gebruiken in hun publicaties, zie je dat
vaak naar de psychologie verwezen wordt vanuit naburige disciplines.
1.5. Geschiedenis van de psychologie
Psychologie: samenhang v filosofie (17e/ 18e eeuw) en fysiologie (18e eeuw).
Bij de filosofie vooral centraal binnen kenleer/ epistemologie.
Ontdekking dat fysiologie in stroom versnelling bracht-> "L'homme machine" van
Julien Offray de la Mettrie: onderscheid tussen machine en organisme (maaksel vs
groeisel) en vat de mens op als een machine, zowel fysisch als mentaal.
1.5.1. Empirisme haalt het van rationalisme in de 17de en 18de eeuw
Debat in de filosofie (in het bijzonder de kenleer)-> tussen rationalisme en empirisme
Rationalisme empirisme
Alle kennis komt voort uit het verstand Alle kennis komt voort uit de zintuigelijke
(het denken, de ratio) (bv. Kant) ervaringen (de empirie) (bv. Francis
Bacon en Thomas Hobbes)
Empirisme:
wie inhoud boek quote
1 grote vertegenwoordiger
e
John Locke Grondlegger vh An essay concerning "Nihil est in intellectu quod
empirisme. human understanding: non fuit prius in sensu" ("Niets
hier gaat hij in tegen de is in het verstand aanwezig dat
Beschouwt de mens rationalistische visie van niet eerst in de zintuigen
als tabula rasa (een aangeboren ideeën (bv. was").
onbeschreven blad) ruimte en tijd bij Kant) en
en vat ervaring op als pleit hij ervoor dat alle → Hij vat de idee op als
enige bron van kennis. ideeën voortkomen uit fundamentele eenheid van de
ervaring geest en maakt daarbij het
Hoe de materie de onderscheid tussen
geest voortbrengt eenvoudige en complexe
ideeën. Die laatste ontstaan
door associaties tussen de
eenvoudige ideeën.
, 2e vertegenwoordiger
Probleem is hoe de Essay towards a new "Esse est percipi" ("Zijn is
George geest de materie theory of Vision: waargenomen worden").
Berkeley voortbrengt (niet hoe beargumenteert dat licht Als het niet waargenomen
de materie de geest en kleur het resultaat zijn wordt is het er niet
beïnvloed/voortbrengt van waarneming en niet
(descartes en locke)) zozeer van de materiële Hij vertegenwoordigt daarmee
objecten zelf. het immaterialisme in de
Deze visie is dus een kenleer.
vorm van idealisme Toont aan dat de visuele
(die ook tot waarneming gebaseerd is
solipsisme kan op ervaring (niet
leiden). aangeboren, maar
aangeleerd door
associatie). Zie probleem
v molyneux*
Treatise concerning the
principles of human
knowledge: beweert dat
de externe wereld enkel uit
ideeën bestaat.
3e vertegenwoordiger
David Hume Solipsisme: A treatise of human "Reason is and ought only to
we kunnen de realiteit nature: be the slave of the passions"
buiten ons niet met psychologische basis van
zekerheid kennen de menselijke natuur, met
omdat we in onze een nog kleinere rol voor
eigen bubbel zitten de ratio dan in voorgaande
theorieën.
ook aan "het zelf'
moeten we twijfelen An enquiry concerning
(<-> "cogito ergo sum" human understanding:
van Descartes). onderscheid tussen
De manier van hoe je impressies (sensaties of
bent heeft invloed op gewaarwordingen) en
hoe je de wereld ziet ideeën (herinneringen in
en kan kennen het geheugen en
verbeelding).
belang van associaties om
van simpele tot complexe
ideeën te komen (opnieuw
een psychologisch
proces).
, Berkeley: probleem van Molyneux*: Wat zou er gebeuren als een aangeboren blinde
door een of andere miraculeuze ingreep plots kon beschikken over zijn visueel zintuig?
Zou hij de voorwerpen rondom zich meteen "zien" zoals wij die zien, of zou hij de visuele
prikkels moeten leren koppelen aan zijn ideeën over voorwerpen op basis v zijn andere
zintuigen (bv. tast)?
➔ de associatie aan eerdere zintuiglijke ervaringen via een leerproces is essentieel
alvorens je vormen kan herkennen obv visuele prikkels alleen. Ook het probleem
van grootteconstantie lossen we gedeeltelijk op door associatie v visuele
prikkels met tactiele en kinesthetische gewaarwordingen.
1.5.2. Belangrijke fysiologische ontdekkingen e.a. ontwikkelingen in de 18de en 19de eeuw
Charles Bell: maakt onderscheid tussen sensorische en motorische zenuwbanen.
• Afferente banen (aanvoer zintuigelijke prikkels nr hersenen): de zintuiglijke
zenuwbanen leiden van de zintuigen naar het centraal zenuwstelsel.
• Efferente banen (afvoer v bevelen nr de spieren): de motorische zenuwbanen
leiden vanuit het centraal zenuwstelsel naar de spieren.
Santiago Ramón y Cajal: ontdekt dat een zenuwbaan eigenlijk een geheel is van
zenuwcellen en synapsen, waar contact gemaakt wordt tussen zenuwcellen, waardoor
signalen doorgegeven kunnen worden.
Johannes Müller: zenuwen "bemiddelen" tussen objecten en bewustzijn, en hij
postuleert ook de leer van specifieke zenuwkwaliteiten, een eigen soort zenuwenergie
voor verschillende sensoriële (zintuiglijke) kwaliteiten.
➔ Inspireert von Helmholtz vr zijn kleurentheorie met 3 soorten receptoren vr de 3
basiskleuren
Hermann von Helmholtz:
eerste empirische metingen van de snelheid van transmissie van signalen in
zenuwbanen.
Boek: Handbuch der physiologischen Optik: notie van "onbewuste inferentie/
redenering" in de waarneming