Hoofdstuk 2: Zenuwcellen en steuncellen
1. Ontdekking van neuronen en synapsen
Zenuwcellen of neuronen = morfologische en functionele eenheden van het zenuwstelsel.
➔ Ong 100 miljard zenuwcellen
➔ Exciteerbare cellen: informatie verwerken, doorsturen en opslaan.
◆ Kunnen elektrische impulsen voortgeleiden
◆ Chemische substanties afscheiden (beïnvloeden activiteit van andere neuronen
= Neurotransmitters/neuromodulatoren)
1889 → Spaanse arts Cajal ⭢ wetenschappelijke bijeenkomst in Berlijn
• Verbaast aanwezigen microscopische studies van het zenuwstelsel.
• Toonde als eerste aan dat zenuwstelsel bestaat uit afzonderlijke zenuwcellen + elke
cel bestaat uit gelijkaardige onderdelen om signalen te ontvangen en uit te sturen.
• Nobelprijs in 1906 v cellulaire opbouw werk
• Elke zenuwcel = functionele eenheid
➤ Begin van de moderne neurowetenschappen
2. Cellen en celorganellen
Lichaam = opgebouwd uit miljarden cellen ⭢ vormen onderdelen van weefsels en organen.
➢ Cellen vormen kleinste functionele eenheden
➢ Bestaan zelf uit aparte onderdelen en organellen ⭢ specifieke functies in cellulaire
fysiologie
Verschillende cellen bezitten uiteenlopende morfologie, samenhangend met hun functie
● Vele zijn 100ste v/e millimeter (en kleiner) groot ⭢ lichtmicroscoop
● Ultrafijne structuur van cellen ⭢ elektronenmicroscoop 100.000 x vergroot.
Meestal centraal in de cel een kern = nucleus
❖ Bevat Chromatine: kluwen van eiwitten en nucleïnezuren (bij celdeling condenseren
⭢ chromosoom)
1
, ❖ Desoxyribonucleïnezuur (DNA) = Belangrijkste nucleïnezuur in celkern + heeft alle
nodige genetische informatie
Elke cel brengt enkel genen tot expressie nodig voor de bouw en functie van een
cel
Eiwitten tot expressie in cel ⭢ bepaald identiteit van cel
❖ Omsloten door dubbele kernmembraan met poriën om de genetische
boodschappermoleculen naar buiten te transporteren & communicatie met de rest van
de cel mogelijk maken
- Tussen celkern & celmembraan ⭢ cytoplasma: bestaat grotendeels uit cytosol1
Verschillende soorten microscopische organellen2: eigen vorm en functie, hangen in het
cytosol aan membranen of aan het cytoskelet.
= netwerk van filamenten en buizen (tubuli), van de kern tot het plasmamembraan.
○ Dynamische structuur: kan snel groeien & demonteren vooral uit de eiwitten
actine en tubuline
● Cytoskelet geeft de cel vorm en mechanische weerstand tegen vervorming.
o Associatie met extracellulair bindweefsel en
andere cellen ➝ stabiliseert weefsels.
o Kan contraheren (zoals spiercellen) +
betrokken bij signaal- mechanismen= opname
van extracellulair materiaal (endocytose) en
intracellulair transport.
Bv. om blaasjes en organellen binnen de cel te
verplaatsen
Ribosoom = moleculair complex; staat in voor eiwitsynthese
in een cel.
▪ Krijgen aminozuren achter elkaar (volgorde door
mRNA) ➞ informatie van stukje DNA van kern naar
cytoplasma brengt
▪ mRNA-transport = Belangrijk voor de meeste cellen, maar speelt speciale rol in
zenuwcellen want veel peptiden en eiwitten nodig voor de werking van de cel
▪ Ribosomen hebben een ribosomale subeenheid ⭢ leerst mRNA &Grote subeenheid ⭢
verbindt aminozuren om polypeptideketen te vormen.
1 Waterige, gelatineuze massa van het inwendige van de cel
2
Organellen bestaan vaak uit membranen of maken deel uit van membraneuze structuren.
2
, ▪ Sommige gesynthetiseerde eiwitten in cytoplasma met structurele / functionele rol in
de werking van de cel zelf.
▪ Vele eiwitten verlaten cel (via exocytose) of verankeren zich in membraan
(transmembranaire eiwitten).
Endoplasmatisch reticulum & Golgi-apparaat = grote celorganellen bestaande uit
uitgebreide membraneuze structuren.
➢ Ribosomen zetten zich vast op het ruw ER ⇒ gesynthetiseerde eiwitten in binnenste
van membraanstructuur komen & dan gaan ze naar glad ER → dan naar Golgi-apparaat
en → dan via membraanblaasjes (vesikels) naar celmembraan.
➢ Complex enzymatische reacties stuurt verpakking en processing van macromoleculen
in het Golgi- apparaat.
➢ Alle levensnoodzakelijke eiwitten, glyco- of lipoproteïnen (combinaties van eiwitten
met koolhydraten of vetten) en polysachariden door celorganellen en enzymen
gevormd in het cytoplasma, in membranen ingebouwd of vrijgesteld.
Lysosomen = bijzondere membraanblaasjes gevormd door Golgi-apparaat
= Zijn gevuld met een 40-tal enzymen ➝ afbraak van overbodige macromoleculen &
digestie van gefagocyteerde partikels.
Peroxisomen = gelijkaardige vesikels → neutraliseren giftige stoffen maar niet gevormd door
Golgi-apparaat.
❖ Lysosomale/ peroxisomale ⭢ opstapeling van stoffen ⭢ verstoren werking van het
zenuwstelsel (hersenaandoeningen)
Mitochondrion = powerhouse of the cell: relatief groot organel bestaande uit glad
buitenmembraan, een intermembranaire ruimte & geplooid binnenmembraan.
➔ Leveren het grootste deel van het cellulaire adenosinetrifosfaat (ATP)3
➔ Betrokken bij vele andere processen vb. celgroei en celsterfte: bij bepaalde
Hersenziekten mitochondriale stoornissen ⭢ dementie/autisme
➔ Heeft eigen genoom
3. Macromoleculen en enzymen
Structurele & functionele eigenschappen van cellen = gebaseerd op de interacties tussen
macromoleculen.
3 Gebruikt als bron van chemische energie
3