CYTOLOGIE EN HISTOLOGIE
DEEL 1: CYTOLOGIE
Inleiding
1. Celafmetingen
- Microscopische afmetingen: zoogdieren 7 tot 40µm
- soms groot: vb. ei van struisvogel (= 1 cel) → door opstapeling reservestoffen
- grootte van een cel afh. van:
1. diffusiemogelijkheid: cel neemt zuurstof en voedingsstoffen op via celoppervlak
→ cel vergroot →volume stijgt nog sneller dan opp (stel straal x2: opp² maar v³)
2. controle van kern over de cel: wnr cel vergroot → delen liggen verder van
controlecentrum → coördinatie moeilijker + hoe minder actief de cel (hoe lager
metabolisme), hoe groter afmetingen
vb. startende kine krijgt eerste klant doorgestuurd, doet het goed, meer klanten
maar TE veel, nieuwe kines aanstellen & patiënten komen van overal,
praktijken overal
→ cel doet dit ook, wnr te groot, delen
- algemene regel: hoe lager metabolisme, hoe groter de cel
- celvolume: onafhankelijk van grootte organisme
vb. levercellen ve muis = levercellen rund → verschil in orgaangrootte niet te wijten aan
celvolume, maar aan aantal cellen
2. Celvorm
1. Wisselend: vb. leucocyten/wbc(=verzamelnaam voor alle afweercellen in het bloed
vb.macrofagenn, lymfocyten)
(vrije cellen)
vb. witte bloedcellen (wbc)
→ vorm afh. van externe factoren: de cellen moeten door kleine openingen van de
bloedbaan om infectiegebied te bereiken
2. constant: vb. zaadcel (vrije cel), en algemeen de vaste cellen van een meercellig organisme
vb. epitheelcellen(bekleden de huid)
opbouw huid: a) hypodermis= onderste laag
b) dermis= middelste laag
c) epidermis= bovenste laag/opperhuid met verschillende cellagen
→ onderste laag = basale laag
kenmerk: langs alle kanten vastgehecht zodat er geen cel
vormverandering is
uitzondering: zaadcellen → hebben vaste celvorm maar kunnen bewegen door flagel/staart
DE MATE WAARIN DE VORM AANPAST HEEFT DUS TE MAKEN MET BEWEGING
→ wbc/macrofagen bewegen langs alle kanten → veel verandering ↔ huid overal
1
,3. Celbouw
Drie grote delen:
1. Celmembraan
2. Cytoplasma, met de verschillende celorganellen
3. Nucleus (= celkern)
2
,Hoofdstuk I: celmembraan
1. Structuur
- omgeeft de cel
- Dikte: +-7,5 nm
- Oplossing van:
● georiënteerde lipiden (opgebouwd uit
triglyceride die gekoppeld zijn aan glycerol)
=fosfolipiden
● globulaire eiwitten/proteïnen
1.1 lipiden/vetten
voor we kijken naar wat er in de celmembraan zit, hoe ziet een triglyceride/vet eruit?
→ 3 vetzuurketens + 1 molecuul glycerol
→ vetten zijn hydrofiel(=waterafstotend)
MAAR in celmembraan(zitten geen vetten, maar wel fosfolipiden):
Fosfolipiden bestaan uit:
- fosfaat: sterk neg. geladen →hydrofiel: belangrijk voor oriëntatie!!
- lipiden
→ afgeleid van dat vet: 1 vetzuurketen afgekoppeld & fosfaatgroep gekoppeld
- fosfatidylcholine
- fosfatidylethanolamine
→ komen allebei frequent voor & vormen een dubbele laag:
● polair-hydrofiel gedeelte (de fosfaatgroepen)
→ gericht naar waterig milieu
● apolair-hydrofoob gedeelte (de vetzuurketens/staarten)
→ gericht naar het midden van membraan
→ zijn lipofiel
3
,Een celmembraan bestaat uit een dubbele laag fosfolipiden.
● Elke fosfolipide heeft een kop (fosfaatgroep) en
staarten (vetzuurketens).
● De kop is hydrofiel (= waterminnend).
● De staarten zijn lipofiel (= vetminnend, houden van
vetten).
→ Lipofiel= vetzuurstaarten graag in contact met
vetten/andere lipiden, maar niet met water.
In de dubbele laag:
● De hydrofiele koppen zitten naar buiten, in contact
met het waterige milieu (cytoplasma en
extracellulaire vloeistof).
● De lipofiele staarten zitten naar binnen, naar elkaar toe, weg van het water.
→ celmembraan vormt barrière die water en opgeloste stoffen niet zomaar doorlaat.
4
, 1.2 proteïnen/eiwitten
- niet enkel aan oppervlak
- geen continue laag → mozaïkpatroon
- 2 soorten eiwitten:
1. integrale= overspannen het membraan
2. perifere= enkel aan buiten- of binennzeide
- polair en apolair gedeelte
functies van de eiwitten
1. structureel als bouwelement
→ eiwitten + cholesterol zorgen voor weerstand/minder soepelheid vh celmembraan maar
toch nog steeds dynamisch
vb. druppeltjes olie in water verplaatsen ook wat op het opp. maar zinken niet
2. transportproteïnen/carriers
→ stoffen moeten binnen en buiten kunnen (voedingsstoffen in, schadelijke out) zodat er
energie kan geleverd worden & componenten kunnen worden aangemaakt
vb. om te lopen belangrijk: energie(proteïnen, vetten, glucose/koolhydraten)
→ suikers vanuit bloed moeten worden opgenomen door de skeletspieren via
glucosetransporters(=integrale eiwitten waarop glucose kan binden waardoor
eiwit en glucose kan worden opgenomen in de cel)
3. ionenkanalen
cel heeft elektrische functie → over de celmembraan zit een (rust)membraanpotentiaal door
het ladingsverschil ( binnenzijde membraan negatief geladen & buitenkant positief geladen)
probleem: fosfolipiden zijn hydrofiel (kop) en lipofiel/hydrofoob (staarten) → de dubbele
laag blokkeert vrij transport van ionen, omdat ionen geladen zijn en niet door het lipofiele
midden kunnen
oplossing: cel gebruikt membraaneiwitten, zoals ionenkanalen en pompen, om ionen
selectief door de membraan te laten:
- Lekkanalen: laten ionen passief stromen.
- Pompen: verplaatsen actief ionen tegen hun concentratiegradient.
- Spanningsafhankelijke kanalen: openen of sluiten bij verandering in
membraanpotentiaal.
Resultaat: rustmembraanpotentiaal behouden en elektrische signalen genereren
(bijvoorbeeld in zenuwcellen of spiercellen).
5
DEEL 1: CYTOLOGIE
Inleiding
1. Celafmetingen
- Microscopische afmetingen: zoogdieren 7 tot 40µm
- soms groot: vb. ei van struisvogel (= 1 cel) → door opstapeling reservestoffen
- grootte van een cel afh. van:
1. diffusiemogelijkheid: cel neemt zuurstof en voedingsstoffen op via celoppervlak
→ cel vergroot →volume stijgt nog sneller dan opp (stel straal x2: opp² maar v³)
2. controle van kern over de cel: wnr cel vergroot → delen liggen verder van
controlecentrum → coördinatie moeilijker + hoe minder actief de cel (hoe lager
metabolisme), hoe groter afmetingen
vb. startende kine krijgt eerste klant doorgestuurd, doet het goed, meer klanten
maar TE veel, nieuwe kines aanstellen & patiënten komen van overal,
praktijken overal
→ cel doet dit ook, wnr te groot, delen
- algemene regel: hoe lager metabolisme, hoe groter de cel
- celvolume: onafhankelijk van grootte organisme
vb. levercellen ve muis = levercellen rund → verschil in orgaangrootte niet te wijten aan
celvolume, maar aan aantal cellen
2. Celvorm
1. Wisselend: vb. leucocyten/wbc(=verzamelnaam voor alle afweercellen in het bloed
vb.macrofagenn, lymfocyten)
(vrije cellen)
vb. witte bloedcellen (wbc)
→ vorm afh. van externe factoren: de cellen moeten door kleine openingen van de
bloedbaan om infectiegebied te bereiken
2. constant: vb. zaadcel (vrije cel), en algemeen de vaste cellen van een meercellig organisme
vb. epitheelcellen(bekleden de huid)
opbouw huid: a) hypodermis= onderste laag
b) dermis= middelste laag
c) epidermis= bovenste laag/opperhuid met verschillende cellagen
→ onderste laag = basale laag
kenmerk: langs alle kanten vastgehecht zodat er geen cel
vormverandering is
uitzondering: zaadcellen → hebben vaste celvorm maar kunnen bewegen door flagel/staart
DE MATE WAARIN DE VORM AANPAST HEEFT DUS TE MAKEN MET BEWEGING
→ wbc/macrofagen bewegen langs alle kanten → veel verandering ↔ huid overal
1
,3. Celbouw
Drie grote delen:
1. Celmembraan
2. Cytoplasma, met de verschillende celorganellen
3. Nucleus (= celkern)
2
,Hoofdstuk I: celmembraan
1. Structuur
- omgeeft de cel
- Dikte: +-7,5 nm
- Oplossing van:
● georiënteerde lipiden (opgebouwd uit
triglyceride die gekoppeld zijn aan glycerol)
=fosfolipiden
● globulaire eiwitten/proteïnen
1.1 lipiden/vetten
voor we kijken naar wat er in de celmembraan zit, hoe ziet een triglyceride/vet eruit?
→ 3 vetzuurketens + 1 molecuul glycerol
→ vetten zijn hydrofiel(=waterafstotend)
MAAR in celmembraan(zitten geen vetten, maar wel fosfolipiden):
Fosfolipiden bestaan uit:
- fosfaat: sterk neg. geladen →hydrofiel: belangrijk voor oriëntatie!!
- lipiden
→ afgeleid van dat vet: 1 vetzuurketen afgekoppeld & fosfaatgroep gekoppeld
- fosfatidylcholine
- fosfatidylethanolamine
→ komen allebei frequent voor & vormen een dubbele laag:
● polair-hydrofiel gedeelte (de fosfaatgroepen)
→ gericht naar waterig milieu
● apolair-hydrofoob gedeelte (de vetzuurketens/staarten)
→ gericht naar het midden van membraan
→ zijn lipofiel
3
,Een celmembraan bestaat uit een dubbele laag fosfolipiden.
● Elke fosfolipide heeft een kop (fosfaatgroep) en
staarten (vetzuurketens).
● De kop is hydrofiel (= waterminnend).
● De staarten zijn lipofiel (= vetminnend, houden van
vetten).
→ Lipofiel= vetzuurstaarten graag in contact met
vetten/andere lipiden, maar niet met water.
In de dubbele laag:
● De hydrofiele koppen zitten naar buiten, in contact
met het waterige milieu (cytoplasma en
extracellulaire vloeistof).
● De lipofiele staarten zitten naar binnen, naar elkaar toe, weg van het water.
→ celmembraan vormt barrière die water en opgeloste stoffen niet zomaar doorlaat.
4
, 1.2 proteïnen/eiwitten
- niet enkel aan oppervlak
- geen continue laag → mozaïkpatroon
- 2 soorten eiwitten:
1. integrale= overspannen het membraan
2. perifere= enkel aan buiten- of binennzeide
- polair en apolair gedeelte
functies van de eiwitten
1. structureel als bouwelement
→ eiwitten + cholesterol zorgen voor weerstand/minder soepelheid vh celmembraan maar
toch nog steeds dynamisch
vb. druppeltjes olie in water verplaatsen ook wat op het opp. maar zinken niet
2. transportproteïnen/carriers
→ stoffen moeten binnen en buiten kunnen (voedingsstoffen in, schadelijke out) zodat er
energie kan geleverd worden & componenten kunnen worden aangemaakt
vb. om te lopen belangrijk: energie(proteïnen, vetten, glucose/koolhydraten)
→ suikers vanuit bloed moeten worden opgenomen door de skeletspieren via
glucosetransporters(=integrale eiwitten waarop glucose kan binden waardoor
eiwit en glucose kan worden opgenomen in de cel)
3. ionenkanalen
cel heeft elektrische functie → over de celmembraan zit een (rust)membraanpotentiaal door
het ladingsverschil ( binnenzijde membraan negatief geladen & buitenkant positief geladen)
probleem: fosfolipiden zijn hydrofiel (kop) en lipofiel/hydrofoob (staarten) → de dubbele
laag blokkeert vrij transport van ionen, omdat ionen geladen zijn en niet door het lipofiele
midden kunnen
oplossing: cel gebruikt membraaneiwitten, zoals ionenkanalen en pompen, om ionen
selectief door de membraan te laten:
- Lekkanalen: laten ionen passief stromen.
- Pompen: verplaatsen actief ionen tegen hun concentratiegradient.
- Spanningsafhankelijke kanalen: openen of sluiten bij verandering in
membraanpotentiaal.
Resultaat: rustmembraanpotentiaal behouden en elektrische signalen genereren
(bijvoorbeeld in zenuwcellen of spiercellen).
5