ABSORPTIE EN
GENEESMIDDELENDISPOSITIE
,H1: INLEIDING
DEFINITIES
Farmacologie
bestudeert interacties tssn geneesmiddelen of farmaca en biologische systemen
=> cellen: in vitro (geen dier betrokken), weefsels: ex vivo (stukje van een dier gebruiken), levende
organismen: in vivo
Algemene farmacologie
wat het lichaam doet met een geneesmiddel = PK = farmacokinetiek
wat geneesmiddelen doen met het lichaam = PD = farmacodynamiek
Bijzondere/klinische farmacologie
bestudeert verschillende klassen geneesmiddelen
Farmacokinetiek
bestudeert tijdsverloop vd concentratie vh geneesmiddel in het organisme (WHAT THE BODY DOES TO
THE DRUG)
Farmacodynamiek
bestudeert werking vh geneesmiddel op het organisme (WHAT THE DRUG DOES TO THE BODY)
Farmacognosie
bestudeert herkomst en structuur van geneesmiddelen van plantaardige oorsprong
Farmacotherapie
doel: optimale behandeling van de patiënt door toevoeging geneesmiddel
Farmacotoxicologie
toxische effecten (bijwerkingen) van geneesmiddelen op het individu
Farmacogenetica (farmacogenomics)
bestudeert invloed van genetische variatie op de geneesmiddelenrespons ~ variatie in effect
(mutaties in bepaalde genen die ervoor zorgen dat je anders reageert op een gm)
BASISBEGRIPPEN
Welke dosis moet ik geven om een bepaald effect te bekomen?
- Geen echte rechte: eerder een wolk door interindividuele verschillen in ADME processen =>
eenzelfde dosis kan verschillende plasmaconcentraties kan geven
Optimale balans tssn gewenste en ongewenste effecten bekomen door dosisbepaling
Bij systemische geneesmiddelen nuttig om plasma- of bloedconcentratie te kennen waarbij de
effecten optreden
Weten of het therapeutisch venster (= concentratierange waarbinnen gewenst effect wordt
bereikt, zonder onaanvaardbare bijwerkingen (= off-target effecten)) groot of klein is
o Ondergrens: min drempel om effect te hebben
o Bovengrens; toxische grens; je krijgt neveneffecten
1
,Geneesmiddel kan werking pas uitoefenen als het in voldoende concentratie op plaats van actie is
=> geneesmiddel moet eerst uit farmaceutische vorm (= farmaceutische fase) vrijkomen
- Farmaceutische beschikbaarheid = maat voor hoeveel en hoe snel een gm vrijkomt uit de
farmaceutische vorm
Dosis → plasmaconcentratie → concentratie op plaats van actie (biofase; lokalisatie waar receptor voor
werking zich bevindt; kan op 1 op meerdere plaatsen zijn)) → effect (therapeutisch, toxisch)
Farmaceutische fase (geneesmiddel moet actieve stoffen vrijgeven) omvat processen die geneesmiddel
beschikbaar stellen => bepalen mate en snelheid van afgifte; beïnvloedende factoren:
- Fysische eigenschappen
o Bv korrelgrootte (hoe kleiner, hoe sneller in oplossing) en -distributie, lipofiliciteit,
stabiliteit (pH maag hond is anders dan van rund), oplosbaarheid
o Harde tablet valt minder snel uit elkaar
- Aanwezigheid van hulpstoffen of excipientia
- Presentatievorm
o Bv tablet, capsule, gecoat, zalf, gel, oplossing, suspensie
Farmaceutische fase omvat desintegratie/vrijstelling van toedieningsvorm (bv tablet) en dissolutie vh
geneesmiddel in waterig milieu (bv maag) zodat het beschikbaar komt voor opname/absorptie
Vrijstelling van geneesmiddelen (met systemische werking):
- Geneesmiddel in vaste vorm op de absorptieplaats (farmaceutische fase)
Vrijstelling
- Vaste vorm vrijgesteld aan vloeistoffen op absorptieplaats(farmaceutische fase)
Oplossing
- Geneesmiddel opgelost in vloeistof bij absorptieplaats(farmaceutische fase)
Absorptie
- Systemische concentraties (opgeloste molecule: adme processen)
Geneesmiddel (gm) in bloedbaan (systemische circulatie): hieruit distributie naar plaats van werking (gm
moet door verschillende membranen mbv transportprocessen) => gm verlaat lichaam via eliminatie
(uitscheiding via nier of metabolisatie)
Deze processen = PK (processen bestuderen obv veranderingen in concentraties ifv de tijd)
Mate van snelheid van ADME processen: absorptie – distributie/verdeling – eliminatie
(metabolisme/biotransformatie + excretie) zijn fysiologische basis van deze veranderingen
door variatie in PK bij verschillende patiënten kan de plasmaconcentratie verschillend zijn
Als gm plaats van werking bereikt heeft kan het zijn effect vertonen = farmacodynamische (PD) fase
2
, In bloedbaan: geneesmiddelen gekoppeld aan plasma-EWn (albumine en alfaglycoproteïne)(losse
binding die weer los kan komen)(enkel ongebonden vrij stoffen kunnen de biofase bereiken => beïnvloed
snelheid van verdeling
!! enkel de vrije ongebonden fractie van het geneesmiddel is in staat om biologische membranen te
passeren
Gm ook verdeeld naar organen die instaan voor eliminatie zoals nier en lever:
- Nier: excretie van onveranderde
geneesmiddel of zijn metaboliet(en)
- Lever: veel gm omgezet in andere stoffen
(metabolieten) die makkelijker het lichaam
kunnen verlaten
Door eliminatie daalt de concentratie thv de
target site en verdwijnt het effect
- A: intra-arteriele toediening
- B: intraveneuze toediening
- C: bv intramusculair, subcutaan,… toedienen
- D: via de long
- E: gastro-intestinaal stelsel => eerst naar lever met v portae (first pass effect) => dan naar
algemene systemische circulatie)
o Kan van lever terug naar darm via gal (entero-hepatische cyclus: EHC) (niet alle gm
hebben zo een cyclus)
3
GENEESMIDDELENDISPOSITIE
,H1: INLEIDING
DEFINITIES
Farmacologie
bestudeert interacties tssn geneesmiddelen of farmaca en biologische systemen
=> cellen: in vitro (geen dier betrokken), weefsels: ex vivo (stukje van een dier gebruiken), levende
organismen: in vivo
Algemene farmacologie
wat het lichaam doet met een geneesmiddel = PK = farmacokinetiek
wat geneesmiddelen doen met het lichaam = PD = farmacodynamiek
Bijzondere/klinische farmacologie
bestudeert verschillende klassen geneesmiddelen
Farmacokinetiek
bestudeert tijdsverloop vd concentratie vh geneesmiddel in het organisme (WHAT THE BODY DOES TO
THE DRUG)
Farmacodynamiek
bestudeert werking vh geneesmiddel op het organisme (WHAT THE DRUG DOES TO THE BODY)
Farmacognosie
bestudeert herkomst en structuur van geneesmiddelen van plantaardige oorsprong
Farmacotherapie
doel: optimale behandeling van de patiënt door toevoeging geneesmiddel
Farmacotoxicologie
toxische effecten (bijwerkingen) van geneesmiddelen op het individu
Farmacogenetica (farmacogenomics)
bestudeert invloed van genetische variatie op de geneesmiddelenrespons ~ variatie in effect
(mutaties in bepaalde genen die ervoor zorgen dat je anders reageert op een gm)
BASISBEGRIPPEN
Welke dosis moet ik geven om een bepaald effect te bekomen?
- Geen echte rechte: eerder een wolk door interindividuele verschillen in ADME processen =>
eenzelfde dosis kan verschillende plasmaconcentraties kan geven
Optimale balans tssn gewenste en ongewenste effecten bekomen door dosisbepaling
Bij systemische geneesmiddelen nuttig om plasma- of bloedconcentratie te kennen waarbij de
effecten optreden
Weten of het therapeutisch venster (= concentratierange waarbinnen gewenst effect wordt
bereikt, zonder onaanvaardbare bijwerkingen (= off-target effecten)) groot of klein is
o Ondergrens: min drempel om effect te hebben
o Bovengrens; toxische grens; je krijgt neveneffecten
1
,Geneesmiddel kan werking pas uitoefenen als het in voldoende concentratie op plaats van actie is
=> geneesmiddel moet eerst uit farmaceutische vorm (= farmaceutische fase) vrijkomen
- Farmaceutische beschikbaarheid = maat voor hoeveel en hoe snel een gm vrijkomt uit de
farmaceutische vorm
Dosis → plasmaconcentratie → concentratie op plaats van actie (biofase; lokalisatie waar receptor voor
werking zich bevindt; kan op 1 op meerdere plaatsen zijn)) → effect (therapeutisch, toxisch)
Farmaceutische fase (geneesmiddel moet actieve stoffen vrijgeven) omvat processen die geneesmiddel
beschikbaar stellen => bepalen mate en snelheid van afgifte; beïnvloedende factoren:
- Fysische eigenschappen
o Bv korrelgrootte (hoe kleiner, hoe sneller in oplossing) en -distributie, lipofiliciteit,
stabiliteit (pH maag hond is anders dan van rund), oplosbaarheid
o Harde tablet valt minder snel uit elkaar
- Aanwezigheid van hulpstoffen of excipientia
- Presentatievorm
o Bv tablet, capsule, gecoat, zalf, gel, oplossing, suspensie
Farmaceutische fase omvat desintegratie/vrijstelling van toedieningsvorm (bv tablet) en dissolutie vh
geneesmiddel in waterig milieu (bv maag) zodat het beschikbaar komt voor opname/absorptie
Vrijstelling van geneesmiddelen (met systemische werking):
- Geneesmiddel in vaste vorm op de absorptieplaats (farmaceutische fase)
Vrijstelling
- Vaste vorm vrijgesteld aan vloeistoffen op absorptieplaats(farmaceutische fase)
Oplossing
- Geneesmiddel opgelost in vloeistof bij absorptieplaats(farmaceutische fase)
Absorptie
- Systemische concentraties (opgeloste molecule: adme processen)
Geneesmiddel (gm) in bloedbaan (systemische circulatie): hieruit distributie naar plaats van werking (gm
moet door verschillende membranen mbv transportprocessen) => gm verlaat lichaam via eliminatie
(uitscheiding via nier of metabolisatie)
Deze processen = PK (processen bestuderen obv veranderingen in concentraties ifv de tijd)
Mate van snelheid van ADME processen: absorptie – distributie/verdeling – eliminatie
(metabolisme/biotransformatie + excretie) zijn fysiologische basis van deze veranderingen
door variatie in PK bij verschillende patiënten kan de plasmaconcentratie verschillend zijn
Als gm plaats van werking bereikt heeft kan het zijn effect vertonen = farmacodynamische (PD) fase
2
, In bloedbaan: geneesmiddelen gekoppeld aan plasma-EWn (albumine en alfaglycoproteïne)(losse
binding die weer los kan komen)(enkel ongebonden vrij stoffen kunnen de biofase bereiken => beïnvloed
snelheid van verdeling
!! enkel de vrije ongebonden fractie van het geneesmiddel is in staat om biologische membranen te
passeren
Gm ook verdeeld naar organen die instaan voor eliminatie zoals nier en lever:
- Nier: excretie van onveranderde
geneesmiddel of zijn metaboliet(en)
- Lever: veel gm omgezet in andere stoffen
(metabolieten) die makkelijker het lichaam
kunnen verlaten
Door eliminatie daalt de concentratie thv de
target site en verdwijnt het effect
- A: intra-arteriele toediening
- B: intraveneuze toediening
- C: bv intramusculair, subcutaan,… toedienen
- D: via de long
- E: gastro-intestinaal stelsel => eerst naar lever met v portae (first pass effect) => dan naar
algemene systemische circulatie)
o Kan van lever terug naar darm via gal (entero-hepatische cyclus: EHC) (niet alle gm
hebben zo een cyclus)
3