Semester 3 pathologie II zita allemeersch
Pathologie II
DEEL 2: VOORNAAMSTE AANDOENINGEN VAN BEPAALDE
ORGAANSTELSELS
Hoofdstuk 4: kanker (vanaf diagnostisch onderzoek)
1. Diagnostisch onderzoek
Anamnese en klinisch onderzoek
o Aspecifiek symptomen (bv. vermageren, vermoeidheid,)
o Specifieke symptomen (bv. galwegobstructie)
Klinisch onderzoek: bv. rectaal toucheren, borstonderzoek
1.1. Laboratoriumonderzoek
Hiermee kunnen speciale tumormarkers worden bepaald:
= stoffen in bloed, urine of cerebrospinaal vocht (liquor) die door
kankercellen worden aangemaakt of door ‘normale’ cellen in reactie
op de kanker.
Gebruikt voor diagnose (steeds samen met andere onderzoeken),
opvolging behandeling, na de behandeling
Verhoogde concentratie -> niet noodzakelijk kanker
1.2. Beeldvormend onderzoek
Röntgenopname (met contrast)
CT
PET/ PET-CT
Botscan
Endoscopie
MRI
Echo
1.3. Histologie en cytologie
In meeste gevallen nodig voor diagnose en bepalen optimale
behandeling
Histologie -> biopt van een stukje weefsel
Cytologie -> cellen verkregen door een punctie van vocht in de
tumor of een uitstrijkje
1.4. Stadiëring
Diagnostiek nodig voor:
Bepalen type kanker, differentiatiegraad, specifieke moleculaire
kenmerken, …
Bepaling van uitgebreidheid van de tumor -> TNM(G) =
anatomische classificatie
o grootte/ lokale uitgebreidheid primaire tumor: T
o lymfekliermetastasen: N
o aan- of afwezigheid van metastasen op afstand: M
o differentiatiegraad: G
1
,Semester 3 pathologie II zita allemeersch
Invasieve groei en metastasering
via lymfebanen naar eerste lymfeklier
indien tegengehouden in lymfeklier én groei tot tumor: ontstaan
van lymfekliermetastase -> verspreiding mogelijk
bij veel patiënten: kankercellen (of tumorcel DNA) aantoonbaar in
bloed (liquid biopsy) -> voornamelijk in venen die tumorgebied
drainen
veel tumoren typisch metastaseringspatroon -> afhankelijk van
veneuze drainage
voorspellen van risico op meta’s belangrijk voor bepaalde therapie
2. Behandeling
Afhankelijk van type kanker, stadium, specifieke kenmerken van de
kankercellen, algemene conditie van patiënt
Curatief of palliatief
Aanvullende behandeling: adjuvant (aanvullende behandeling na
operatie) of neo-adjuvant (voorafgaand aan de operatie)
Vaak ook een combinatie
2.1. Operatie/chirurgie
Bij veel vormen van kanker kan worden geopereerd. Hierbij wordt
de kwaadaardige tumor verwijderd.
o Endoscopische chirurgie
o Laparoscopische chirurgie
o Schildwachtklierbiopsie
Indienmogelijk ook omliggend weefsel verwijderen -> tumor groeit
invasief in zijn omgeving
2.2. Radiotherapie
= behandeling met ioniserende straling om kankercellen te doden.
(stralingen uit: bestralingsapparaten of radioactieve stoffen)
Hoe werkt het?
o Straling wordt deels geabsorbeerd in weefsel.
o Eenheid Gray (Gy) = 1 J/kg
o Straling veroorzaakt ionisatie -> elektronen komen vrij ->
vormen reactieve radicalen
o Deze radicalen beschadigen vooral het DNA -> belangrijkste
oorzaak van celdood
Gevolgen voor cellen
o Straling raakt ook andere celonderdelen -> apoptose en
necrose
o Zeer gevoelige cellen (lymfocyten, spermatogonia) sterven
binnen uren.
2
,Semester 3 pathologie II zita allemeersch
o Andere cellen sterven pas na 1 of meerdere delingen door
opstapeling van onherstelbare DNA-schade (post-mitotische
dood)
Vormen van radiotherapie
Uitwendige bestraling Inwendige bestraling
(teletherapie) (brachytherapie)
Fotonen/protonen Radioactieve bronnen worden
Voordeel protonen: energie in of tegen de tumor geplaatst.
komt vrij in klein gebied -> Straling neemt snel af met
minder schade aan gezond afstand -> hoge dosis in
weefsel tumor, lage dosis buiten tumor.
Doel: zo veel mogelijk tumor Direct loading of afterloading
vernietigen en gezond weefsel (radioactieve bron pas
sparen geplaatst wanneer applicator
Speciale technieken: op de juiste positie zit).
Multi-leaf collimator
Gating (bestralen op juiste
moment, bv. volgens
ademhaling)
Stereotactische radiotherapie
Bijwerkingen: lokaal en systematisch/acuut en laat
Vermoeidheid; nausea en braken; algemene malaise
Huid- en slijmvliesaantasting
o radiodermatitis
o haaruitval
o mucositis
o laattijdig: oedeem, fibrose, hyper- en depigmentatie
Radiatiepneumonitis en longfibrose (bij borstkanker bestraling)
Secundaire tumoren
…
2.3. Chemotherapie
= toediening van chemische/organische stoffen die sneldelende cellen
doden. (gericht op tumorcellen doorheen het hele lichaam, dus ook bij
uitzaaiingen)
Werkingsmechanismen
Chemotherapie verstoort de celcyclus, vooral:
o S-fase (DNA-replicatie): antimetabolieten, topo-isomerase-
inhibitoren
o M-fase (mitose): vinca-alkaloïden, taxanen
Groeifractie
o Grotere tumoren: enkel buitenrand deelt actief, binnen
necrose en rust-> minder gevoelig
o Kleinere tumoren: grotere groeifractie -> reageren beter op
chemo en hebben minder kans op resistentie
3
, Semester 3 pathologie II zita allemeersch
o Metastasen reageren vaak beter dan de primaire tumor
Targeted delivery met ‘dragers’ (MAB/ADC)
o Voorbeeld: Trastuzumab-emtansine (Kadcyla). Bindt aan
HER2-receptor, laat binnenin de cel een microtubulaire
inhibitor vrij → M-fase blokkeren + apoptose.
Toxiciteit en bijwerkingen
Algemeen
o Chemo heeft een smal therapeutisch gebied -> snel toxisch
o Toxisch kan acuut, uitgesteld of laat optreden
Acute toxiciteit (bepaalt dosis per toediening)
o Beenmergsuppressie: neutropenie, trombopenie, anemie
o GI-schade: nausea, braken, diarree
o Haaruitval (follikels worden geremd)
2.4. Hormoontherapie
Meestal gericht op het remmen of blokkeren van de werking van de
geslachtshormonen
Vooral bij borst- en prostaatcarcinoom
Keuze voor hormoonbehandeling ~ hormoonreceptoren op of in de
kankercellen (hormoongevoelig)
Toedieningsvormen: injectie (IM, SC), tablet, neusspray
2.5. Doelgerichte
= alle componenten/ moleculen van signaaltransductiepad van belang
voor biologie van kanker -> potentiële doelwitten voor ontwikkeling van
een moleculair doelgerichte behandeling
mutante eiwitten bv HER/neu 2 amplificatie bij mammaca
doeleiwitten in ondersteunende cellen bv VEGF remmen
(angiogenese)
niet-specifieke doeleiwitten bv remmer van proteasoomsysteem
synthetische lethaliteit bv PARP-1-inhibitoren
MAB
antilichamen die specifiek binden aan een receptor of eiwit op
tumorcellen
Trastuzumab → blokkeert HER2-receptor (borstkanker)
Rituximab → bindt aan CD20 op B-lymfocyten (non-Hodgkin)
Bevacizumab → angiogeneseremmer (anti-VEGF)
Tyrosinekinase-remmers
Blokkeren intracellulaire signaalroutes tussen groeifactorreceptoren
en de celkern -> stoppen celdeling
Kenmerken
o Meestal oraal
o Tumoren hebben vaak overexpressie van receptoren
Andere doelgerichte therapieën
PARP-remmers
4
Pathologie II
DEEL 2: VOORNAAMSTE AANDOENINGEN VAN BEPAALDE
ORGAANSTELSELS
Hoofdstuk 4: kanker (vanaf diagnostisch onderzoek)
1. Diagnostisch onderzoek
Anamnese en klinisch onderzoek
o Aspecifiek symptomen (bv. vermageren, vermoeidheid,)
o Specifieke symptomen (bv. galwegobstructie)
Klinisch onderzoek: bv. rectaal toucheren, borstonderzoek
1.1. Laboratoriumonderzoek
Hiermee kunnen speciale tumormarkers worden bepaald:
= stoffen in bloed, urine of cerebrospinaal vocht (liquor) die door
kankercellen worden aangemaakt of door ‘normale’ cellen in reactie
op de kanker.
Gebruikt voor diagnose (steeds samen met andere onderzoeken),
opvolging behandeling, na de behandeling
Verhoogde concentratie -> niet noodzakelijk kanker
1.2. Beeldvormend onderzoek
Röntgenopname (met contrast)
CT
PET/ PET-CT
Botscan
Endoscopie
MRI
Echo
1.3. Histologie en cytologie
In meeste gevallen nodig voor diagnose en bepalen optimale
behandeling
Histologie -> biopt van een stukje weefsel
Cytologie -> cellen verkregen door een punctie van vocht in de
tumor of een uitstrijkje
1.4. Stadiëring
Diagnostiek nodig voor:
Bepalen type kanker, differentiatiegraad, specifieke moleculaire
kenmerken, …
Bepaling van uitgebreidheid van de tumor -> TNM(G) =
anatomische classificatie
o grootte/ lokale uitgebreidheid primaire tumor: T
o lymfekliermetastasen: N
o aan- of afwezigheid van metastasen op afstand: M
o differentiatiegraad: G
1
,Semester 3 pathologie II zita allemeersch
Invasieve groei en metastasering
via lymfebanen naar eerste lymfeklier
indien tegengehouden in lymfeklier én groei tot tumor: ontstaan
van lymfekliermetastase -> verspreiding mogelijk
bij veel patiënten: kankercellen (of tumorcel DNA) aantoonbaar in
bloed (liquid biopsy) -> voornamelijk in venen die tumorgebied
drainen
veel tumoren typisch metastaseringspatroon -> afhankelijk van
veneuze drainage
voorspellen van risico op meta’s belangrijk voor bepaalde therapie
2. Behandeling
Afhankelijk van type kanker, stadium, specifieke kenmerken van de
kankercellen, algemene conditie van patiënt
Curatief of palliatief
Aanvullende behandeling: adjuvant (aanvullende behandeling na
operatie) of neo-adjuvant (voorafgaand aan de operatie)
Vaak ook een combinatie
2.1. Operatie/chirurgie
Bij veel vormen van kanker kan worden geopereerd. Hierbij wordt
de kwaadaardige tumor verwijderd.
o Endoscopische chirurgie
o Laparoscopische chirurgie
o Schildwachtklierbiopsie
Indienmogelijk ook omliggend weefsel verwijderen -> tumor groeit
invasief in zijn omgeving
2.2. Radiotherapie
= behandeling met ioniserende straling om kankercellen te doden.
(stralingen uit: bestralingsapparaten of radioactieve stoffen)
Hoe werkt het?
o Straling wordt deels geabsorbeerd in weefsel.
o Eenheid Gray (Gy) = 1 J/kg
o Straling veroorzaakt ionisatie -> elektronen komen vrij ->
vormen reactieve radicalen
o Deze radicalen beschadigen vooral het DNA -> belangrijkste
oorzaak van celdood
Gevolgen voor cellen
o Straling raakt ook andere celonderdelen -> apoptose en
necrose
o Zeer gevoelige cellen (lymfocyten, spermatogonia) sterven
binnen uren.
2
,Semester 3 pathologie II zita allemeersch
o Andere cellen sterven pas na 1 of meerdere delingen door
opstapeling van onherstelbare DNA-schade (post-mitotische
dood)
Vormen van radiotherapie
Uitwendige bestraling Inwendige bestraling
(teletherapie) (brachytherapie)
Fotonen/protonen Radioactieve bronnen worden
Voordeel protonen: energie in of tegen de tumor geplaatst.
komt vrij in klein gebied -> Straling neemt snel af met
minder schade aan gezond afstand -> hoge dosis in
weefsel tumor, lage dosis buiten tumor.
Doel: zo veel mogelijk tumor Direct loading of afterloading
vernietigen en gezond weefsel (radioactieve bron pas
sparen geplaatst wanneer applicator
Speciale technieken: op de juiste positie zit).
Multi-leaf collimator
Gating (bestralen op juiste
moment, bv. volgens
ademhaling)
Stereotactische radiotherapie
Bijwerkingen: lokaal en systematisch/acuut en laat
Vermoeidheid; nausea en braken; algemene malaise
Huid- en slijmvliesaantasting
o radiodermatitis
o haaruitval
o mucositis
o laattijdig: oedeem, fibrose, hyper- en depigmentatie
Radiatiepneumonitis en longfibrose (bij borstkanker bestraling)
Secundaire tumoren
…
2.3. Chemotherapie
= toediening van chemische/organische stoffen die sneldelende cellen
doden. (gericht op tumorcellen doorheen het hele lichaam, dus ook bij
uitzaaiingen)
Werkingsmechanismen
Chemotherapie verstoort de celcyclus, vooral:
o S-fase (DNA-replicatie): antimetabolieten, topo-isomerase-
inhibitoren
o M-fase (mitose): vinca-alkaloïden, taxanen
Groeifractie
o Grotere tumoren: enkel buitenrand deelt actief, binnen
necrose en rust-> minder gevoelig
o Kleinere tumoren: grotere groeifractie -> reageren beter op
chemo en hebben minder kans op resistentie
3
, Semester 3 pathologie II zita allemeersch
o Metastasen reageren vaak beter dan de primaire tumor
Targeted delivery met ‘dragers’ (MAB/ADC)
o Voorbeeld: Trastuzumab-emtansine (Kadcyla). Bindt aan
HER2-receptor, laat binnenin de cel een microtubulaire
inhibitor vrij → M-fase blokkeren + apoptose.
Toxiciteit en bijwerkingen
Algemeen
o Chemo heeft een smal therapeutisch gebied -> snel toxisch
o Toxisch kan acuut, uitgesteld of laat optreden
Acute toxiciteit (bepaalt dosis per toediening)
o Beenmergsuppressie: neutropenie, trombopenie, anemie
o GI-schade: nausea, braken, diarree
o Haaruitval (follikels worden geremd)
2.4. Hormoontherapie
Meestal gericht op het remmen of blokkeren van de werking van de
geslachtshormonen
Vooral bij borst- en prostaatcarcinoom
Keuze voor hormoonbehandeling ~ hormoonreceptoren op of in de
kankercellen (hormoongevoelig)
Toedieningsvormen: injectie (IM, SC), tablet, neusspray
2.5. Doelgerichte
= alle componenten/ moleculen van signaaltransductiepad van belang
voor biologie van kanker -> potentiële doelwitten voor ontwikkeling van
een moleculair doelgerichte behandeling
mutante eiwitten bv HER/neu 2 amplificatie bij mammaca
doeleiwitten in ondersteunende cellen bv VEGF remmen
(angiogenese)
niet-specifieke doeleiwitten bv remmer van proteasoomsysteem
synthetische lethaliteit bv PARP-1-inhibitoren
MAB
antilichamen die specifiek binden aan een receptor of eiwit op
tumorcellen
Trastuzumab → blokkeert HER2-receptor (borstkanker)
Rituximab → bindt aan CD20 op B-lymfocyten (non-Hodgkin)
Bevacizumab → angiogeneseremmer (anti-VEGF)
Tyrosinekinase-remmers
Blokkeren intracellulaire signaalroutes tussen groeifactorreceptoren
en de celkern -> stoppen celdeling
Kenmerken
o Meestal oraal
o Tumoren hebben vaak overexpressie van receptoren
Andere doelgerichte therapieën
PARP-remmers
4