Semester 3 pathologie I zita allemeersch
Pathologie I
DEEL 1: BASISBEGRIPPEN ‘ONTSTAAN EN VERLOOP VAN ZIEKTEN’
Zie filmpjes juf Danielle!
Hoofdstuk 1: Inleiding in de pathologie
1. Gezondheid en ziekte: concepten en begrippen
• Definitie WHO 1948: toestand van volledig fysiek, geestelijk en sociaal welbevinden
en niet louter het ontbreken van ziekte of gebrek
• Definitie 2014: vermogen om zich aan te passen en eigen regie te voeren, in het licht
van de fysieke, emotionele en sociale uitdagingen van het leven
• Westerse geneeskunde: medisch-biologische visie
o Gezond = homeostase constant -> interne omstandigheden constant houden
in veranderende externe omstandigheden
o Ziekte = verstoren van evenwicht/afwijking van lichaamsstructuren en
functies resulterend in verstoring van vitale functies
2. Epidemiologie
= de studie van het voorkomen van aandoeningen onder de bevolking in relatie tot andere
verschijnselen.
• Morbiditeit = de mate waarin een aandoening in een bepaalde populatie voorkomt
• Incidentie: het aantal nieuwe gevallen van een aandoening in een bepaalde periode,
meestal 1 jaar
• Prevalentie = geeft het aantal gevallen van een aandoening op een bepaald tijdstip in
een bepaalde populatie weer.
• Mortaliteit = een maat voor sterfte, vaak weergegeven als het aantal sterfgevallen per
100.000 inwoners in een bepaalde periode
1
,Semester 3 pathologie I zita allemeersch
3. Etiologie en pathogenese
Etiologie is de leer van de oorzaken van aandoeningen
• Endogeen versus exogeen
o Endogeen = vanbinnen af (overerving)
o Exogeen = van binnenuit (infecties, fysische en chemische factoren en
voedinggerelateerde factoren)
• Idiopathisch = de etiologie is nog niet duidelijk (oorzaak ziekte is niet gekend) -> vaak
wel predisponerende factoren (meerdere factoren die de kans van het krijgen van de
ziekte verhogen).
• Iatrogeen = aandoening kan ook ontstaan als gevolg van een ingreep door een
zorgdeskundige.
• Congenitaal = (aangeboren), dit wil zeggen dat de aandoening bij de geboorte
aanwezig is. (erfelijk of ontstaan tijdens zwangerschap)
Pathogenese beschrijft de processen in het lichaam die, in reactie op een eventuele oorzaak,
tot ziekte lijden
• Inflammatie = ontstekingsreactie (je lichaam die vecht tegen een ziekte, een
natuurlijke reactie)
• Ischemie = niet genoeg zuurstof naar een lichaamsweefsel die van afsterft
• Degeneratie = een lichaamsstructuur die aangetast wordt en meer en meer afsterft
• Metabole stoornissen = stoornissen bij suiker in je bloed bv diabetes
• Neoplasma = abnormale nieuwe groei van weefsel in het lichaam, ook wel een tumor
of een gezwel genoemd.
• abnormale activiteit van het immuunsysteem = allergie, auto-immuunziekte,
immuundeficiëntie, kanker
4. Risicofactoren
• Verhoogde kans op ziekte
• Endogene factoren: leeftijd, geslacht, erfelijke factoren, overgewicht, andere
aandoeningen
• Exogene factoren: fysische en chemische factoren, stressfactoren, leefstijlfactoren
o Leefstijlfactoren -> vermijdbare exogene risicofactoren zoals verkeerde
voedingsgewoontes; weinig lichaamsbeweging, roken, overmatig alcohol,
verstoorde slaap
o Bv roken en longca; hypertensie en CV-ziekte
• Vaak meerdere risicofactoren
o bv cv-ziekte: aHT, hypercholesterolemie, roken, voeding (verzadigde vetten),
gebrek aan lichaamsbeweging
5. Symptomen
• Symptomen: objectief (temp.) en subjectief (pijn, voor iedereen anders),
asymptomatisch
• Combi van symptomen= syndroom
o Bv genetische syndromen (Down), Bv syndroom van Cushing
2
,Semester 3 pathologie I zita allemeersch
6. Diagnostiek
= het onderzoek waarmee vastgesteld wordt wat de oorzaak is van de klachten en
verschijnselen (klinische redeneren) -> gerichte behandeling
• Anamnese
o Hoofdklacht onderzoeken
o Tractusanamnese: arts stelt gerichte vragen over de functie van de
verschillende orgaansystemen.
o Voorgeschiedenis, etc.
o Verpleegkundige anamnese ->zorgverleningsproces, stellen verpleegkundige
diagnoses en opstellen verpleegplan
• Lichamelijke/klinisch onderzoek
o Vitale functies (parameters)→ in acute
levensbedreigende situaties ABCDE-methodiek
▪ Inspectie: het bekijken van de buitenkant van
het lichaam
▪ Percussie: het bekloppen van lichaamsdelen let
vinger op vinger
▪ Auscultatie: het beluisteren van organen met
een stethoscoop
▪ Palpatie: het aftasten van lichaamsdelen
• Aanvullend onderzoek: waarschijnlijkheidsdiagnose/
differentiaaldiagnose
o Labo bv bloed, urine, faeces
o Beeldvorming: RX, CT, MRI, echo, PET/ PET-CT, endoscopie
o Functie-onderzoek bv EKG, EEG, spirometrie
o Afwijkingen op weefsel/celniveau → pathologisch- anatomisch onderzoek
(staaltje van weefsel)
▪ Histologie: het microscopisch onderzoek van een stukje weefsel dat
verkregen wordt door biopsie of door het operatief te verwijderen.
▪ Cytologie: het microscopisch onderzoek van losse cellen die door
middel van een uitstrijkje of punctie uit het lichaam verkregen zijn.
7. Behandeling
• = geheel van maatregelen gericht op:
o Herstel van ziekte
o Verlichting van symptomen
o Voorkomen van complicaties
o Voorkomen dat klachten opnieuw optreden
o Leren omgaan met aandoeningen
• ‘Shared decision making’ bij opstellen van behandeltraject
• Causaal versus symptomatisch
o Causaal = behandeling van de oorzaak
o Symptomatisch = behandeling van de symptomen, verlicht ze
• Curatief, palliatief, preventief; terminale zorg
3
, Semester 3 pathologie I zita allemeersch
o Curatief = werken op de genezing
o Palliatief = niet kunnen genezen maar wel behandelen
o Preventief = vooraf
o Terminaal = beperkt in tijd, laatste
• Medicamenteus versus niet-medicamenteus
• Invasief, chirurgisch, conservatief
o Invasief = in de patiënt zelf bv IM, blaassonde
o Chirurgisch = operatie (gesneden in lichaam)
o Conservatief = behandeling zonder opereren (bv gips)
• Ambulant, klinisch (= opname nodig)
• Eerstelijns-, tweedelijns- en derdelijnszorg
o Eerstelijnszorg = buiten het ziekenhuis gevestigd
o Tweedelijnszorg = ambulante behandeling door verpleegkundige in
ziekenhuis
o Derdelijnszorg = in gespecialiseerde centra
8. Verloop: prognose en complicaties
• Eens diagnose→ prognose: verwacht verloop en uitkomst
o Uitkomst:
▪ volledig herstel, blijvend functieverlies- restverschijnselen bv
subfertiliteit na PID (SOA), verminderde kwaliteit van leven, kortere
levensverwachting
o Verloop:
▪ Acuut versus chronisch→ gepaard met remissies, exacerbaties en
recidieven
▪ Remissies = periode waarin de symptomen van een chronische
aandoening tijdelijk verminderen of zelf helemaal verdwijnen
▪ Exacerbaties = plotselinge verergering van de symptomen van een
chronische ziekte, zoals COPD of astma, die na een periode van rust
opnieuw optreden of heviger worden
• Levensverwachting en overlevingskans→ vijfjaarsoverleving(skans) = na het krijgen
van de diagnose
o Levensverwachting ondermeer afhankelijk van geslacht, afhankelijk van
woonplaats, onderliggende aandoeningen, …
• Complicatie
o Onverwachte bijkomende aandoening tijdens verloop van aandoening of de
behandeling ervan
▪ bv bij immobiliteit: UWI, decubitus, pneumonie
• Co-morbiditeit (ziekte aanwezig)/ multimorbiditeit (meerdere aanwezig)
o Bv samen voorkomen van DM type 2, hypertensie, obesitas en
hypercholesterolemie (metabool syndroom optimalegezondheid.com)
9. Preventie en gezondheidsbevordering
• Voldoende lichaamsbeweging, gezond eten/slapen/voeding…
4
Pathologie I
DEEL 1: BASISBEGRIPPEN ‘ONTSTAAN EN VERLOOP VAN ZIEKTEN’
Zie filmpjes juf Danielle!
Hoofdstuk 1: Inleiding in de pathologie
1. Gezondheid en ziekte: concepten en begrippen
• Definitie WHO 1948: toestand van volledig fysiek, geestelijk en sociaal welbevinden
en niet louter het ontbreken van ziekte of gebrek
• Definitie 2014: vermogen om zich aan te passen en eigen regie te voeren, in het licht
van de fysieke, emotionele en sociale uitdagingen van het leven
• Westerse geneeskunde: medisch-biologische visie
o Gezond = homeostase constant -> interne omstandigheden constant houden
in veranderende externe omstandigheden
o Ziekte = verstoren van evenwicht/afwijking van lichaamsstructuren en
functies resulterend in verstoring van vitale functies
2. Epidemiologie
= de studie van het voorkomen van aandoeningen onder de bevolking in relatie tot andere
verschijnselen.
• Morbiditeit = de mate waarin een aandoening in een bepaalde populatie voorkomt
• Incidentie: het aantal nieuwe gevallen van een aandoening in een bepaalde periode,
meestal 1 jaar
• Prevalentie = geeft het aantal gevallen van een aandoening op een bepaald tijdstip in
een bepaalde populatie weer.
• Mortaliteit = een maat voor sterfte, vaak weergegeven als het aantal sterfgevallen per
100.000 inwoners in een bepaalde periode
1
,Semester 3 pathologie I zita allemeersch
3. Etiologie en pathogenese
Etiologie is de leer van de oorzaken van aandoeningen
• Endogeen versus exogeen
o Endogeen = vanbinnen af (overerving)
o Exogeen = van binnenuit (infecties, fysische en chemische factoren en
voedinggerelateerde factoren)
• Idiopathisch = de etiologie is nog niet duidelijk (oorzaak ziekte is niet gekend) -> vaak
wel predisponerende factoren (meerdere factoren die de kans van het krijgen van de
ziekte verhogen).
• Iatrogeen = aandoening kan ook ontstaan als gevolg van een ingreep door een
zorgdeskundige.
• Congenitaal = (aangeboren), dit wil zeggen dat de aandoening bij de geboorte
aanwezig is. (erfelijk of ontstaan tijdens zwangerschap)
Pathogenese beschrijft de processen in het lichaam die, in reactie op een eventuele oorzaak,
tot ziekte lijden
• Inflammatie = ontstekingsreactie (je lichaam die vecht tegen een ziekte, een
natuurlijke reactie)
• Ischemie = niet genoeg zuurstof naar een lichaamsweefsel die van afsterft
• Degeneratie = een lichaamsstructuur die aangetast wordt en meer en meer afsterft
• Metabole stoornissen = stoornissen bij suiker in je bloed bv diabetes
• Neoplasma = abnormale nieuwe groei van weefsel in het lichaam, ook wel een tumor
of een gezwel genoemd.
• abnormale activiteit van het immuunsysteem = allergie, auto-immuunziekte,
immuundeficiëntie, kanker
4. Risicofactoren
• Verhoogde kans op ziekte
• Endogene factoren: leeftijd, geslacht, erfelijke factoren, overgewicht, andere
aandoeningen
• Exogene factoren: fysische en chemische factoren, stressfactoren, leefstijlfactoren
o Leefstijlfactoren -> vermijdbare exogene risicofactoren zoals verkeerde
voedingsgewoontes; weinig lichaamsbeweging, roken, overmatig alcohol,
verstoorde slaap
o Bv roken en longca; hypertensie en CV-ziekte
• Vaak meerdere risicofactoren
o bv cv-ziekte: aHT, hypercholesterolemie, roken, voeding (verzadigde vetten),
gebrek aan lichaamsbeweging
5. Symptomen
• Symptomen: objectief (temp.) en subjectief (pijn, voor iedereen anders),
asymptomatisch
• Combi van symptomen= syndroom
o Bv genetische syndromen (Down), Bv syndroom van Cushing
2
,Semester 3 pathologie I zita allemeersch
6. Diagnostiek
= het onderzoek waarmee vastgesteld wordt wat de oorzaak is van de klachten en
verschijnselen (klinische redeneren) -> gerichte behandeling
• Anamnese
o Hoofdklacht onderzoeken
o Tractusanamnese: arts stelt gerichte vragen over de functie van de
verschillende orgaansystemen.
o Voorgeschiedenis, etc.
o Verpleegkundige anamnese ->zorgverleningsproces, stellen verpleegkundige
diagnoses en opstellen verpleegplan
• Lichamelijke/klinisch onderzoek
o Vitale functies (parameters)→ in acute
levensbedreigende situaties ABCDE-methodiek
▪ Inspectie: het bekijken van de buitenkant van
het lichaam
▪ Percussie: het bekloppen van lichaamsdelen let
vinger op vinger
▪ Auscultatie: het beluisteren van organen met
een stethoscoop
▪ Palpatie: het aftasten van lichaamsdelen
• Aanvullend onderzoek: waarschijnlijkheidsdiagnose/
differentiaaldiagnose
o Labo bv bloed, urine, faeces
o Beeldvorming: RX, CT, MRI, echo, PET/ PET-CT, endoscopie
o Functie-onderzoek bv EKG, EEG, spirometrie
o Afwijkingen op weefsel/celniveau → pathologisch- anatomisch onderzoek
(staaltje van weefsel)
▪ Histologie: het microscopisch onderzoek van een stukje weefsel dat
verkregen wordt door biopsie of door het operatief te verwijderen.
▪ Cytologie: het microscopisch onderzoek van losse cellen die door
middel van een uitstrijkje of punctie uit het lichaam verkregen zijn.
7. Behandeling
• = geheel van maatregelen gericht op:
o Herstel van ziekte
o Verlichting van symptomen
o Voorkomen van complicaties
o Voorkomen dat klachten opnieuw optreden
o Leren omgaan met aandoeningen
• ‘Shared decision making’ bij opstellen van behandeltraject
• Causaal versus symptomatisch
o Causaal = behandeling van de oorzaak
o Symptomatisch = behandeling van de symptomen, verlicht ze
• Curatief, palliatief, preventief; terminale zorg
3
, Semester 3 pathologie I zita allemeersch
o Curatief = werken op de genezing
o Palliatief = niet kunnen genezen maar wel behandelen
o Preventief = vooraf
o Terminaal = beperkt in tijd, laatste
• Medicamenteus versus niet-medicamenteus
• Invasief, chirurgisch, conservatief
o Invasief = in de patiënt zelf bv IM, blaassonde
o Chirurgisch = operatie (gesneden in lichaam)
o Conservatief = behandeling zonder opereren (bv gips)
• Ambulant, klinisch (= opname nodig)
• Eerstelijns-, tweedelijns- en derdelijnszorg
o Eerstelijnszorg = buiten het ziekenhuis gevestigd
o Tweedelijnszorg = ambulante behandeling door verpleegkundige in
ziekenhuis
o Derdelijnszorg = in gespecialiseerde centra
8. Verloop: prognose en complicaties
• Eens diagnose→ prognose: verwacht verloop en uitkomst
o Uitkomst:
▪ volledig herstel, blijvend functieverlies- restverschijnselen bv
subfertiliteit na PID (SOA), verminderde kwaliteit van leven, kortere
levensverwachting
o Verloop:
▪ Acuut versus chronisch→ gepaard met remissies, exacerbaties en
recidieven
▪ Remissies = periode waarin de symptomen van een chronische
aandoening tijdelijk verminderen of zelf helemaal verdwijnen
▪ Exacerbaties = plotselinge verergering van de symptomen van een
chronische ziekte, zoals COPD of astma, die na een periode van rust
opnieuw optreden of heviger worden
• Levensverwachting en overlevingskans→ vijfjaarsoverleving(skans) = na het krijgen
van de diagnose
o Levensverwachting ondermeer afhankelijk van geslacht, afhankelijk van
woonplaats, onderliggende aandoeningen, …
• Complicatie
o Onverwachte bijkomende aandoening tijdens verloop van aandoening of de
behandeling ervan
▪ bv bij immobiliteit: UWI, decubitus, pneumonie
• Co-morbiditeit (ziekte aanwezig)/ multimorbiditeit (meerdere aanwezig)
o Bv samen voorkomen van DM type 2, hypertensie, obesitas en
hypercholesterolemie (metabool syndroom optimalegezondheid.com)
9. Preventie en gezondheidsbevordering
• Voldoende lichaamsbeweging, gezond eten/slapen/voeding…
4