Hoofdstuk 1. Fundamentele rechten, contractvrijheid en gebondenheid
A. Elkeen kan zijn fundamentele rechten uitoefenen via rechtshandelingen en
andere gedragingen
Fundamentele rechten bescheren de vrijheid van personen om zich te
ontplooien in de samenleving. Die rechten worden niet alleen uitgeoefend
tegenover de overheid, maar ook in het privaatrechtelijk verkeer tussen burgers
onderling.
Personen oefenen hun fundamentele rechten uit door..
– rechtshandelingen (zoals contracten sluiten)
– feitelijke gedragingen
– deelname aan economisch en sociaal verkeer
Voorbeeld! De vrijheid om een contract te sluiten is een uiting van persoonlijke
vrijheid, economische vrijheid en autonomie van de persoon. Contractsvrijheid
vormt daarom een belangrijk onderdeel van de individuele zelfbeschikking.
B. Fundamentele rechten worden in verticale en horizontale relaties beperkt in
het licht van een afweging van belangen en waarden
Fundamentele rechten zijn niet absoluut. Ze moeten steeds worden afgewogen
tegen andere rechten, belangen en maatschappelijke waarden.
• Verticale werking betreffende de verhouding tussen burger en overheid
De overheid mag fundamentele rechten slechts beperken indien daarvoor een
wettelijke basis bestaat; de beperking een legitiem doel nastreeft; de beperking
proportioneel is.
• Horizontale werking tussen burgers onderling
Bij contracten moet men dus rekening houden met rechten van de wederpartij;
bescherming van zwakkere partijen; openbare orde; menselijke waardigheid;
economische en sociale belangen.
Gevolg: de rechter maakt vaak een belangenafweging tussen contractsvrijheid;
bescherming van kwetsbare personen; rechtszekerheid; gelijkheid; goede trouw.
C. Ook de contractvrijheid en de contractuele gebondenheid zijn
aan beperkingen onderworpen
Hoewel contractsvrijheid een fundamenteel uitgangspunt is, mag men niet
onbeperkt contracteren.
Contractsvrijheid wordt beperkt door onder meer openbare orde; dwingend
recht; consumentenbescherming; arbeidsrecht; mededingingsrecht; goede
trouw.
Voorbeelden! Men kan geen geldig contract sluiten voor een huurmoord. Een
consument kan beschermd worden tegen onrechtmatige bedingen. Een
werknemer geniet bescherming tegen misbruik door de werkgever.
Ook het principe: “contracten moeten worden nagekomen” is niet absoluut.
In bepaalde omstandigheden kan een partij bevrijd worden van haar
verbintenissen of aanpassing van het contract vragen of een contract laten
vernietigen.
Voorbeelden zijn overmacht; imprevisie; wilsgebreken; misbruik van
omstandigheden; nietigheid wegens strijdigheid met openbare orde.
,Hoofdstuk 2. Contractvrijheid
A. Basisbeginsel, fundamenteel recht en functies
Contractsvrijheid is een fundamenteel beginsel van het contractenrecht en
vormt een uitdrukking van de individuele autonomie.
Het houdt in dat personen vrij zijn om:
· al dan niet te contracteren;
· hun medecontractant te kiezen;
· de inhoud van hun overeenkomst te bepalen.
De contractsvrijheid is terug te vinden in onder meer artikelen 5.14 en 5.15 BW,
Europese grondrechten en economische vrijheden.
Functies van de contractsvrijheid:
• Wilsautonomie
Een contract bindt omdat partijen dit zelf hebben gewild. Bij interpretatie van
een overeenkomst zoekt men daarom naar: de gemeenschappelijke bedoeling
van de partijen.
• Vertrouwen en rechtszekerheid
Contracten creëren vertrouwen in het rechtsverkeer. Partijen moeten erop
kunnen rekenen dat beloften worden nagekomen en overeenkomsten
afdwingbaar zijn.
• Efficiëntie
Contractvrijheid bevordert economische efficiëntie.
Voorbeeld! Algemene voorwaarden bij online aankopen versnellen transacties;
vermijden eindeloze onderhandelingen; maken massahandel mogelijk.
• Rechtvaardigheid
Contractsvrijheid wordt genuanceerd door het streven naar billijkheid en
bescherming van zwakkere partijen. Daarom bestaan
consumentenbescherming; arbeidsrechtelijke bescherming; regels tegen
misbruik.
B. Twee facetten
1. Materiële contractvrijheid (artikel 5.14 en 5.15 BW)
Materiële contractsvrijheid betreft de inhoudelijke vrijheid van partijen.
Omvat vrijheid om al dan niet te contracteren; vrijheid om de medecontractant
te kiezen; vrijheid om de inhoud van het contract te bepalen.
Er bestaat in principe: geen contracteerdwang.
In bepaalde gevallen kan de wet toch verplichten om te contracteren.
Voorbeeld! Dwanglicentie bij intellectuele eigendomsrechten.
2. Formele contractvrijheid (art. 5.28 en 5.5 BW)
Formele contractsvrijheid betreft de vorm van het contract.
Principe: consensualisme. Een contract ontstaat in principe door loutere
wilsovereenstemming. Dus meestal is geen bijzondere vorm vereist.
Soms legt de wet een bepaalde vorm “formalisme” op.
Voorbeelden zijn een huwelijksakte, notariële akte, testament enzovoort.
,Wanneer de vereiste vorm ontbreekt, kan het contract nietig zijn.
Hoofdstuk 3. Contractuele gebondenheid
Contractuele gebondenheid betekent dat partijen juridisch verbonden zijn door
hun overeenkomst. Een geldig contract heeft bindende kracht: het geldt als wet
tussen partijen.
Partijen moeten hun verbintenissen dus uitvoeren.
Grondslagen van de bindende kracht
De bindende kracht van contracten wordt verklaard door verschillende
theorieën.
a. Wilsleer - Een contract bindt omdat partijen het zelf gewild hebben.
b. Vertrouwensleer - De wederpartij mag erop vertrouwen dat beloften worden
nagekomen.
c. Rechtszekerheid - Het economisch verkeer vereist stabiele en afdwingbare
afspraken.
d. Efficiëntie - Bindende contracten bevorderen handel en economische
activiteit.
e. Rechtvaardigheid en ethiek - “Beloofd is beloofd.”
f. Wettelijke grondslag - De wet bepaalt uitdrukkelijk dat overeenkomsten
bindend zijn.
Gevolg van contractuele gebondenheid
Wanneer een partij haar verbintenissen niet naleeft, kan de andere partij..
· uitvoering eisen
· schadevergoeding vragen
· ontbinding vorderen
· andere contractuele sancties toepassen
Contractuele gebondenheid vormt dus het noodzakelijke gevolg van de
contractsvrijheid.
Hoofdstuk 4. Mechanismen ter beperking van de contractvrijheid en de
contractuele gebondenheid
A. De openbare orde en rechtsregels van dwingend recht
1. Invulling van de openbare orde (artikel 1.3, lid 3 en 4 en 5 BW)
De contractvrijheid en de contractuele gebondenheid zijn niet onbeperkt. Zij
worden begrensd door regels van openbare orde en regels van dwingend recht;
en daar kan niet van worden afgeweken.
Rechters mogen geen uitvoering geven aan overeenkomsten of bedingen die
strijdig zijn met de openbare orde, zelfs wanneer beide partijen hiermee
instemmen.
‘Openbare orde’ is een evolutief begrip dat afhankelijk is van tijd en
maatschappelijke ontwikkelingen. Naast wettelijke openbare orde bestaat ook
virtuele of buitenwettelijke openbare orde: situaties waarin nieuwe feitelijke
evoluties aanleiding geven tot bescherming van fundamentele maatschappelijke
waarden, ondanks het ontbreken van specifieke wetgeving. Een voorbeeld
hiervan zijn draagmoederschapscontracten.
1.1. Klassieke invulling door het Hof van Cassatie en de kritiek erop
, De klassieke definitie uit de rechtspraak van het Hof van Cassatie en de
rechtsleer van Henri De Page.. volgens deze invulling omvat openbare orde
twee categorieën regels:
– regels die de essentiële belangen van de staat en gemeenschap beschermen
– regels die de juridische grondslagen bepalen waarop de maatschapij steunt.
Voorbeelden hiervan zijn het fiscaal recht en het strafrecht; artikel 1792 Oud
BW inzake de tienjarige aansprakelijkheid van aannemers en architcten bij
instroting van gebouwen; het verbod op bepaalde indexatiebedingen in
commerciële contracten (wet van 1976) ter voorkoming van economische
ontwrichting en inflatiespiralen.
Niet elke beschermende regel behoort echter tot de openbare orde. Zo behoort
een groot deel van het arbeidsrecht slechts tot het dwingend recht.
Het Hof van Cassatie koppelt de nietigheid van een overeenkomst traditioneel
aan een ongeoorloofd voorwerp of een ongeoorloofde oorzaak. Enkel wanneer
het contract zelf strijdig is met de openbare orde, kan het absoluut nietig
worden verklaard. Er bestaat kritiek op deze benadering omdat zij weinig
rekening houdt met de concrete gevolgen van een overeenkomst voor de
maatschappij.
1.2. Wettelijke invulling in het nieuwe recht
Het Burgerlijk Wetboek bevestigt het onderscheid tussen openbare orde en
dwingend recht, onder meer artikel 5.58 BW: er moet worden nagegaan of een
regel “in hoofdzaak” de bescherming van een algemeen belang dan wel een
particulier belang beoogt.
Een overeenkomst of beding dat strijdig is met een regel van openbare orde is
vatbaar voor absolute nietigheid & vatbaar voor relatieve nietigheid indien dat
strijdig is met een regel van dwingend recht.
Wanneer na het sluiten van een overeenkomst een nieuwe regel van openbare
orde of dwingend recht wordt ingevoerd, kan dit gevolgen hebben voor
bestaande overeenkomsten. In dat geval wordt een strijdig beding doorgaans
onafdwingbaar, zondar dat het volledige contract automatisch nietig wordt.
3. Functie van de openbare orde
De openbare orde heeft als functie het beschermen van fundamentele
maatschappelijke belangen en eht vrijwaren van de essentiële waarden waarop
de samenleving steunt. Zij beperkt de contractvrijheid wanneer private
afspraken strijdig zijn met het algemeen belang.
De rechter moet daarom weigeren om contractuele bepalingen toe te passen
die in strijd zijn met de openbare orde. Hierdoor wordt vermeden dat contracten
de economische, sociale, morele of juridische orde ondermijnen.
4. Onderscheid met de regels van dwingend recht
Regels van dwingend recht beschermen in hoofdzaak particuliere belangen of
bepaalde beschermde categorieën van personen. Het gaat niet noodzakelijk om
de feitelijk zwakkere partij, maar om de partij die de wetgever bescherming wil
bieden.
Voorbeelden van dwingend recht zijn sociaal recht ter bescherming van
werknemers; artikel 18 WAO dat werknemers beschermt tegen