DEEL I: DIRECTE BELASTINGEN 4
HOOFDSTUK 1: INLEIDING PERSONENBELASTING 4
1. de inkomstenbelastingen: 4
1.1 de 4 categorieën 4
1.2 Territorialiteitsbeginsel: 4
2. De personenbelasting 5
2.1 Wie is onderworpen aan de P.B? 5
2.2 Belastbare grondslag voor rijksinwoners 5
2.3 Gemeenschappelijke aangifte of alleenstaande in de PB? 6
2.4 Inkomsten van de minderjarige kinderen 7
2.5 Belastbaar tijdperk en aanslagjaar in de PB 7
2.6 Aangiftetermijn in de BP 8
3. Onroerend inkomen 10
3.1 Inkomsten uit onroerende goederen 10
3.2 Bij wie is het belastbaar 10
3.3 Onroerende goederen die toebehoren aan kinderen 11
3.4 Verandering van eigenaar tijdens het BT 11
3.5 Verandering van bestemming tijdens BT 11
3.6 Belastbare onroerende inkomsten 12
3.7 Kadastraal inkomen (K.I.) 12
3.8 Gebouwen 13
3.9 Gronden 16
3.10 Onroerend inkomen belastingverminderingen: woonbonus 16
4. Roerend inkomen 18
4.1 Roerende inkomsten: 18
4.2 Soorten roerende inkomsten: 18
4.3 Wie belastbaar is op roerende inkomsten 18
4.4 Roerende goederen toebehorend aan kinderen 18
4.5 Verplicht en facultatief aan te geven roerende inkomsten 18
4.6 Herkwalificatie interesten in dividenden 20
4.7 Auteursrechten 21
4.8 aanslagmodaltiteiten roerende inkomsten 21
5. Beroepsinkomsten 22
5.1 Soorten beroepsinkomsten 22
5.2 Winsten 22
5.3 Baten 23
5.4 Meerwaarden 24
5.5 Winsten en baten in verband met een voorheen uitgeoefende beroepswerkzaamheid 25
5.6 stopzettingsmeerwaarden 25
5.7 Bezoldigingen werknemer 27
5.8 Bezoldigingen bedrijfsleiders 27
5.9 Bezoldigingen 27
5.10 Raming van voordelen in natura/ VAA 28
5.11 Vrijgestelde bezoldigingen 29
5.12 Van bruto naar netto-beroepsinkomsten 30
6. Diverse inkomsten 33
6.1 Belastbare inkomsten 33
6.2 Toevallige winsten of baten 33
6.3 Inkomsten uit de deeleconomie en verenigingswerk 33
1
, 6.4 Onderhoudsuitkeringen 35
6.5 Onderverhuring van een onroerend goed 35
6.6 Meerwaarde op gronden 36
6.7 Meerwaarde op gebouwen 36
7. Berekening in de PB 38
7.1 De gewestelijke personenbelasting 38
7.2 Berekening in de personenbelasting 39
HOOFDSTUK 2: VENNOOTSCHAPBELASTING 45
1. Toepassingsgebied 45
2. Onderscheid ‘grote’ en ‘kleine’ vennootschappen 46
2.1 Kleine vennootschap 46
3. Het belastbaar tijdperk en aanslagjaar 46
4. Belastbare inkomsten 47
4.1 Vaststelling van de belastbare grondslag (bewerkingen) 47
5. Verlaagd tarief vennootschapsbelastingen 53
5.1 Tariefdaling vennootschapsbelasting voorbije jaren 53
5.2 Verlaagd tarief vennootschapsbelasting 54
6. Afzonderlijke aanslag geheime commissielonen 54
7. Voorafbetaling vennootschapsbelasting 54
DEEL II: INDIRECTE BELASTINGEN 56
HOOFDSTUK 1: BASISPRINCIPES VAN HET BELGISCH FISCAAL RECHT 56
1. Algemene principes 56
1.1 het begrip belasting 56
1.2 Waarom belasting 57
1.3 Wie mag belastingen heffen? 58
1.4 Hoe heffen we belasting? 58
1.5 Grondwettelijke beginselen van belastingheffing: 60
1.6 Andere beginselen en kenmerken van het fiscaal recht 61
1.7 Indeling van de belastingen 62
1.8 Administratieve inrichting 63
HOOFDSTUK 2: ERFBELASTING 64
1. De successierechten (erfbelasting) 64
1.1 Rechten van successie en van overgang bij overlijden 64
1.2 Taks tot vergoeding van de successierechten 68
HOOFDSTUK 3: REGISTRATIEBELASTING 69
1. Registratierechten 69
1.1 Algemeen 69
1.2 Verplicht te registreren akten en geschriften 70
1.3 Registratietermijnen 70
1.4 Personen verplicht tot aanbieding ter registratie en betaling van federaal ingevorderde
rechten 70
1.5 Plaats van de registratie 70
1.6 Soorten registratierechten 71
2. Schenkingsrecht (schenkbelasting): 77
2.1 Evenredige registratierechten 79
2.2 Terugbetaling en ambtshalve ontheffing 80
2.3 Hypotheekrecht 80
2.4 Griffierechten 80
2
,HOOFDSTUK 4: BTW 81
1. Begrip en werking 81
1.1 Voorbeeld werking van het BTW-stelsel 81
1.2 Bepaling en kenmerken 81
1.3 Praktische benadering van een btw-vraagstuk 81
1.4 Structuurelementen van de btw-heffing 81
2. Belastingplichtigen 82
2.1 Soorten belastingplichtigen 82
2.2 Gewone belastingplichtigen 82
2.3 Vrijgestelde belastingplichtigen 84
2.4 Niet-belastingplichtige rechtspersonen 85
2.5 Toevallige belastingplichtigen 85
2.6 Btw-eenheid 86
3. Belastbare handelingen (overzicht) 87
3.1 Overzicht belastbare handelingen 87
4. Levering van goederen 87
4.1 Basisprincipes 87
4.2 Ontrekkingen 88
4.3 Overbrengingen 89
4.4 Commissiecontract 89
4.5 Specifieke commisionairsfictie voor elektronische interfaces 90
4.6 Plaats van de levering 91
4.7 Regime van verkoop op afstand 92
4.8 Levering van goederen 94
4.9 Opeisbaarheid van belastingen 95
5 Het verrichten van diensten 96
5.1 Het begrip van dienst 96
5.2 Schuldenaar van de btw 98
6. Gemeenschappelijke bepalingen 99
6.1 Bijzondere regeling voor vouchers 99
7. Invoer 100
7.1 Invoer van goederen 100
8. De intracommunautaire verwerving van goederen 101
8.1 Intracommunautaire verwerving van goederen 101
9. Maatstaf van heffing 104
9.1 De maatstaf van heffing 104
10. De btw-tarieven 105
10.1 De BTW-tarieven 105
11. De btw-vrijstellingen 105
11.1 De vrijstellingen 105
11.2 Oneigenlijke vrijstellingen 105
11.3 De eigenlijke vrijstellingen 106
12. Aftrek van voorbelasting 107
12.1 De aftrek van voorbelasting 107
13. Teruggaaf, voldoening en verplichtingen 108
13.1 Teruggave van BTW 108
13.2 Voldoening van BTW 108
13.3 De BTW-verplichtingen 109
13.4 De bijzondere BTW-aangifte 110
3
, INLEIDING TOT DE FISCALITEIT
DEEL I: DIRECTE BELASTINGEN
HOOFDSTUK 1: INLEIDING PERSONENBELASTING
1. de inkomstenbelastingen:
1.1 de 4 categorieën
- personenbelasting (pb) (=> 4 categorieën OI, RI, BI en DI)
= natuurlijke, fysieke mensen die in België wonen
o natuurlijke personen
o inwoner van België
- Vennootschapsbelasting (vb)
= gaat zowel over binnenlandse als buitenlandse bedrijven met rechtspersoonlijkheid die hun hoofdzetel/ maatschappelijke
zetel in België hebben die werken met winstoogmerk.
o Vennootschappen
o Met rechtspersoonlijkheid
o Winstoogmerk
o Gevestigd in België
- Rechtspersonenbelasting (rpb)
= rechtspersonen die geen commerciële exploitatie of vennootschap zijn maar wel gevestigd zijn in België
o Verenigingen (niet commerciële exploitatie)
o Gevestigd in België
o Gunstig statuut
o Voorbeeld: een VZW (sommige VZW die erg groot zijn, moeten VB betalen)
- Belasting der niet inwoners (bni)
= de voorwaarde is dat de natuurlijke persoon of de rechtspersoon niet gevestigd zijn in België
o Natuurlijke personen en rechtspersonen (vennootschappen)
o Fiscale woonplaats in het buitenland
o Voorbeeld: een appartement in ander land (onroerend goed) dus je bent geen inwoner van België, dus je zal
hieronder vallen.
of een buitenlander werkt in het ene land, maar woont in een ander land. De fiscale woonplaats is in het
buitenland, maar verkrijgt beroepsinkomen in binnenland dus is belastbaar
1.2 Territorialiteitsbeginsel:
->er moet een aanknoping zijn met België (personele en zakelijke territorialiteit)
- PB Ven B en RPB volgen het principe van de personele territorialiteit
o Woonplaats in België
o Gevolg: belast op wereldwijd behaalde inkomen
- BNI volgt het principe van de zakelijke territorialiteit
o Alleen belasting op in België behaalde inkomsten
-> kan zorgen voor dubbele taxatie
(tewerkstelling en beroepsinkomen in ene land, fiscale woonplaats in buitenland)
4