Inhoudsopgave
Inleiding: definities van bos en bosbeheer
- Bosfuncties, bosverspreiding
Hoofdstuk 1: de boom
- Boommorfologie, Autecologie
- Groei, voortplanting, hout
Hoofdstuk 2: de bomenpopulatie
- Opstandstructuur en -ontwikkeling
Hoofdstuk 3: het bosecosysteem
- Klimaat en energiestromen
- De hydrologische cyclus
- Bodem en biogeochemie
- Successie en stabiliteit
Hoofdstuk 4: het bosbeheer/ de bosbouw
- Bosbehandeling
- Bedrijfsvormen
- Bedrijfssoorten
1
,Inleiding: definities van een bos en bosbeheer
Wat is een bos?
Vroeger (na tweede wereldoorlog): economische functie, meer gericht op het menselijk
gebruik, maar geen essentieel karakteristiek van een bos
Ecologische definities:
- Zekere minimum grondoppervlakte
“Bos is een plantengemeenschap hoofdzakelijk bestaande uit bomen en andere houtige
gewassen, al of niet ingeschakeld in de productie, en een grote landoppervlakte
bezettend.”
→ Vlaams Gewest: bos vanaf 1/2de ha
→ Core zone moet minstens even groot zijn als bufferzone
→ Bufferzone moet 3 x de boomhoogte zijn
➔ Een redelijk grote oppervlakte nodig om te kunnen spreken van een bos met een
micro-klimaat
- Bedekt met bomen
- In een zekere dichtheid
2
,“Een vegetatievorm waarin bomen overheersen; van een zodanige oppervlakte en
dichtheid dat de standplaatsfactoren zoals temperatuur, licht, wind, vocht niet meer
door de omgevende buitenwereld alleen, maar ook door de bomen zelf worden beheerst
m.a.w. er dus een eigen bosklimaat heerst. Bos wordt dus gekenmerkt door een zekere
hoogte en een meer of minder gesloten karakter”.
→ Dichtheid van minimum 10 %
→ Hoogte minimum 3 m
- Dat een ecosysteem vormt met een microklimaat en een levensgemeenschap
“Bos is een gemeenschap van houtige gewassen die gekarakteriseerd wordt door
eerstens haar bestendigheid, tweedens door wederzijdse beïnvloeding en derdens door
inwerking op de omgeving waarin deze gemeenschap voorkomt.”
→ Een duidelijk verband tussen (gevoels)temperatuur; hoe extremer de
temperatuur, des te hoger de afkoeling/verkoeling in een bos
→ Hogere luchtvochtigheid in bos
→ Lagere oppervlaktetemperatuur
Juridische definitie
FAO symposium te Canberra in 1967 werd vooral gewezen op:
1. Een bos moet een zekere minimumlengte en -breedte hebben (≠ oppervlakte!)
2. De voornaamste component vh bos zijn de bomen
3. De beplanting moet een typisch bosklimaat vormen
FAO beschouwt als bos een terrein waarop de bedekking met bomen ten minste 5 %
bedraagt (niet hoger? -> veel bos niet meer van tel en niet meer beschermd)
Bosdecreet voor Vlaanderen (1990): De bossen zijn de grondoppervlakten waarvan de
bomen en de houtachtige struikvegetaties het belangrijkste bestanddeel uitmaken,
waartoe een eigen fauna en flora behoren en die een of meer functies vervullen.
Als bos worden eveneens beschouwd:
1. De kaalvlakten, voorheen met bos bezet, die tot het bos blijven behoren;
3
, 2. Niet-beboste oppervlakten die nodig zijn voor het behoud van het bos, zoals de
boswegen, de brandwegen, de aanpalende of binnen het bos gelegen
stapelplaatsen, dienstterreinen en ambtswoningen;
3. Bestendig bosvrije oppervlakten of stroken en recreatieve uitrustingen binnen het
bos;
4. De aanplantingen die hoofdzakelijk bestemd zijn voor de houtvoortbrengst, onder
meer die van populier en wilg[, uitgezonderd de korte-omloop-houtteelt waarvan
de aanplant plaatsgevonden heeft op gronden die op dat ogenblik gelegen zijn
buiten de ruimtelijk kwetsbare gebieden [zoals bepaald in artikel 1.1.2, 10°, van
de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.];
5. De grienden; gebieden waar men aan wissenteelt deed (twijgen voor manden,
stoelen…)
NIET als bos worden beschouwd:
1. De fruitboomgaarden en fruitaanplantingen;
2. De tuinen, plantsoenen en parken;
3. De lijnbeplantingen en houtkanten, onder meer langs wegen, rivieren en kanalen;
4. De boom- en sierstruikkwekerijen en arboreta die buiten het bos zijn gelegen;
5. De sierbeplantingen;
6. De aanplantingen met naaldbomen die uitsluitend bestemd zijn voor de verkoop
als kerstboom. Een aanplanting wordt geacht niet langer aan deze voorwaarde te
voldoen wanneer de gemiddelde hoogte van het bestand 4 meter heeft bereikt;
7. Alle tijdelijke aanplantingen met houtachtige gewassen in uitvoering van de
verordeningen van de Europese Gemeenschap voor wat betreft het uit produktie
nemen van bouwland;
8. De wissenteelt waarvan de bovengrondse massa periodiek tot maximaal drie jaar
na de aanplanting of na de vorige oogst, in zijn totaliteit wordt geoogst.
9. Systemen voor grondgebruik waarbij de teelt van bomen wordt gecombineerd
met landbouw op dezelfde grond, toegepast op een perceel landbouwgrond als
vermeld in artikel 2, 12 ,van het decreet van 22 december 2006 houdende
inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwer, exploitatie
en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en het landbouwbeleid
en waarvan de aanmelding via de verzamelaanvraag en het aanplanten van de
bomen gebeurde na het inwerking treden van het decreet van 20 april 2012
houdende diverse bepalingen inzake leefmilieu en natuur.
Bosbeheer
4