Het opleidingsonderdeel ‘verpleegkundige methodiek en vaardigheden 6’ behandelt drie zorgthema’s:
1. Respiratie
2. circulatie
3. verpleegkundig handelen in de operatiezaal
1. Anatomie en Fysiologie van de ademhaling
leerdoelen
● Kunnen omschrijven wat bedoeld wordt met ‘dode ruimte’.
● De twee soorten ‘dode ruimte’, die samen de totale fysiologische dode ruimte vormen, kunnen benoemen
en verklaren.
● De vier belangrijke processen van de gasuitwisseling kunnen benoemen, verklaren en linken aan
praktijkvoorbeelden
,1. Anatomie
Maak een schets waarin de verschillende onderdelen van het ademhalingsstelsel aan bod komen.
Benoem daarna alle onderdelen die je schetste. Bij twijfel raadpleeg je het handboek ‘Anatomie en
fysiologie: een inleiding’ van F.H. Martini & E.F. Bartholomew
, Bovenste luchtwegen
1. Neusholte (cavum nasi)
2. Neusschelpen (conchae)
3. Neusbijholten (sinussen) – voorhoofd-, kaak-, wiggebeen- en zeefbeensinus 4. Mondholte
(cavum oris)
5. Keelholte (farynx / pharynx)
- Nasofarynx
- Orofarynx
- Laryngofarynx
Strottenhoofd (larynx)
1. Epiglottis (strottenklepje)
2. Schildkraakbeen (thyroid cartilage)
3. Ringkraakbeen (cricoid cartilage
4. Stemplooi(en) / stembanden
Onderste luchtwegen
1. Luchtpijp (trachea)
2. Kraakbeenringen van de trachea
3. Hoofdbronchi (bronchi principales) – linker en rechter
4. Lobaire bronchi (bronchi lobares) – per longkwab
5. Segmentale bronchi (bronchi segmentales)
6. Kleine bronchi
7. Bronchioli (bronchiolen)
8. Terminale bronchiolen
9. Respiratoire bronchiolen
Gaswisselingsgebied
1. Ductuli alveolares (alveolaire gangen)
2. Alveolae (longblaasjes)
3. Capillair netwerk rondom de alveoli
4. Respiratoire membraan (bestaande uit: alveolair epitheel, basale lamina en capillair endotheel)
Longen en omliggende structuren
1. Long (pulmo) rechts – 3 kwabben
2. Long (pulmo) links – 2 kwabben
3. Longtop (apex pulmonis)
4. Longbasis (basis pulmonis)
5. Mediastinum
6. Pleura visceralis (longvlies)
7. Pleura parietalis (borstvlies)
8. Pleuraholte (cavitas pleuralis) – met pleuravocht
Ademhalingsspieren
1. Diafragma (middenrif)
2. Externe tussenribspieren (mm. intercostales externi)
3. Interne tussenribspieren (mm. intercostales interni)
4. (Eventueel) Hulpspieren – m. sternocleidomastoideus, mm. scaleni, buikspieren
, 2. Fysiologie
2.1 Het proces van inspiratie en expiratie
Het volume van de longen verandert doordat het diafragma en de borstkas bewegen en is afhankelijk
van de grootte van de thoraxholte. Deze bewegingen bepalen de drukverschillen die lucht laten in- en
uitstromen.
• Inspiratie (inademing)
- In rust is de druk binnen en buiten de longen gelijk.
- Het diafragma trekt samen en beweegt omlaag; de thorax zet uit.
- Hierdoor vergroot het longvolume en daalt de druk in de longen.
- Omdat de longdruk nu lager is dan de atmosferische druk, stroomt lucht naar binnen.
• Expiratie (uitademing)
- Het diafragma ontspant en beweegt omhoog; de thorax verkleint.
- Hierdoor neemt het longvolume af en stijgt de druk in de longen.
- Omdat de longdruk nu hoger is dan de buitenlucht, stroomt lucht naar buiten.
★ Inspiratie (inademing) proces
1. In het begin is de druk in de longen gelijk aan de buitenlucht, dus er beweegt geen lucht. 2. Het diafragma
trekt samen en gaat omlaag, en de borstkas wordt door de ademhalingsspieren groter.
2. Doordat de borstkas groter wordt, rekken de longen mee en neemt het longvolume toe.
3. De druk in de longen daalt hierdoor onder de druk van de buitenlucht.
4. Omdat lucht altijd beweegt van hoge naar lage druk, stroomt lucht de longen in.
★ Expiratie (uitademing) proces
1. De expiratie begint wanneer het diafragma ontspant en weer omhoog komt, en de borstkas
kleiner wordt.
2. Door deze verkleining daalt het longvolume
3. De druk in de longen wordt daardoor hoger dan de druk van de buitenlucht.
4. Omdat lucht naar een plek met lagere druk stroomt, verlaat de lucht de longen.