Inhoud
Lessen dr. Edith Stuyven ........................................................................................... 2
1. Antigenen ............................................................................................................. 2
2. Antistoffen ........................................................................................................... 2
2.1 Algemene structuur ......................................................................................... 3
2.2 Ig isotypes ....................................................................................................... 5
2.2.1 IgG ........................................................................................................... 5
2.2.2 IgM ........................................................................................................... 5
2.2.3 IgA ........................................................................................................... 6
2.2.4 IgE ............................................................................................................ 7
2.2.5 IgD ........................................................................................................... 7
2.3 Antigenische determinanten op Ig..................................................................... 8
2.4 Ig van de huisdieren → niet kennen ................................................................... 9
2.5 Ag-As interactie ............................................................................................... 9
2.6 Ig diversiteit................................................................................................... 11
2.6.1 Genstructuur .......................................................................................... 11
2.6.2 Vorming van diversiteit in het V-gebied: idiotypes ....................................... 12
2.6.3 Waar gebeurt deze diversificatie en recombinatie? .................................... 14
2.6.4 Diversiteit van het constante domein: isotype switching............................. 15
2.6.5 Membraangebonden vs gesecreteerd Ig .................................................... 16
2.7 Fc- of antistoffenreceptoren → niet kennen ..................................................... 17
2.8 Monoclonale As ............................................................................................ 17
2.8.1 Nucleotiden, nucleosiden en basen ......................................................... 17
2.8.2 De novo-synthese van purine en pyrimidine nt ........................................... 17
2.8.3 Salvage pathway ..................................................................................... 17
2.8.4 Hybridoma’s ........................................................................................... 17
3. Antistoffenrespons ............................................................................................. 18
3.1 Primaire en secundaire respons ..................................................................... 19
3.1.1 Primaire respons ..................................................................................... 19
3.1.2 Secundaire respons ................................................................................ 19
3.1.3 Affiniteitsmaturatie.................................................................................. 19
1
,Lessen professor Bert Devriendt .............................................................................. 20
1. Het mucosaal immuunsysteem ........................................................................... 20
1.1 Inleiding ........................................................................................................ 20
1.2 Intestinaal epitheel ........................................................................................ 21
1.3 Darm-geassocieerd lymfoïd weefsel (GALT) ..................................................... 23
1.4 Secretorische IgA .......................................................................................... 27
2. Immunoprofylaxis ............................................................................................... 28
2.1 Passieve immuniteit ...................................................................................... 28
2.1.1 Maternale immuniteit bij vogels ................................................................ 28
2.1.2 Maternale immuniteit bij zoogdieren ......................................................... 28
2.2 Actieve immuniteit......................................................................................... 34
2.2.1 Vaccins .................................................................................................. 34
2.2.2 Adjuvantia .............................................................................................. 39
Lessen dr. Edith Stuyven
1. Antigenen
Zie vorige samenvatting
2. Antistoffen
• Eiwitten geproduceerd door B-cellen die geactiveerd werden door antigeen
• Binden specifiek aan antigenen en versnellen vernietiging
• Soorten antistoffen
o Membraan Ig = mIg = BCR
o Gesecreteerd Ig = sIg (in serum)
▪ Bevat additioneel gebied aan C-terminus: sequentie van hydrofobe
AZ die zich aan celmembraanlipiden bindt
Indeling van Ig op 3 manieren
• Elektroforetische beweeglijkheid
o Migratie: - → +
o ϒ-globulines – β-globulines – α-globulines – albumine
• Moleculair gewicht
o Van 150-900 kDa
o Afhankelijk van het isotype
2
, ▪ IgM = pentameer → 180 x 5 = 900 kDa
▪ IgA = dimeer → 160 x 2 + J-keten = 360 kDa
▪ IgG = monomeer → 160 kDa
▪ IgE = monomeer → 200 kDa
• Antigenische structuur
o Dmv elektroforese indeling As in 5 isotypen:
▪ IgM
• µ-keten
• Primaire respons
▪ IgD
• ժ-keten
▪ IgG
• ϒ-keten
• Systemische immuniteit
▪ IgA
• α-keten
• Mucosale immuniteit
▪ IgE
• ɛ-keten
• Allergische reacties van het onmiddellijke type
2.1 Algemene structuur
Voorbeeld IgG
• Homodimeer van 2 zware ketens (50-60 kDa)
• Zware ketens verbonden met lichte keten (20 kDa)
• Fc → bindt Fc-receptor op celoppervlak van WBC
• F(ab’)2 → 2 antigeenbindende gebieden
• Papaïne behandeling: 2 Fab + Fc
• Pepsine behandeling: F(ab’)2
Types van lichte ketens
• Herkend door specifieke As
• Κ en λ met verschillende AZ-sequentie
• Verhouding κ/λ varieert tussen diersoorten
Subklassen van IgG
• Gebaseerd op structurele verschillen tussen de zware ketens
• Gelijkaardige antigenische structuur
• IgG1, IgG2, IgG2a, IgG2b, IgG3, IgG4
Primaire structuur
• Lichte keten sequentie (214 AZ)
3
, o CL: constant gebied of C-gebied: carboxyterminus (COOH)
o VL: variabel gebied of V-gebied: verschillende aminoterminus (NH2)
• Zware keten sequentie (445 AZ)
o CH: carboxyterminus vertoont minder verschillen
o VH: aminoterminus is verschillend
Variabele gebied
• Hypervariabele gebieden
o Sequentievariatie
o 3 kleinere gebieden binnen het V-gebied
o Binden specifiek aan Ag: bepalen vorm van Ag-bindende domein (=
paratoop) dat specifiek is voor een epitoop van het Ag
o Complementariteits-determinerende regio’s (CDR)
▪ Elke CDR = 6-10 AZ (kort)
▪ 3 CDR gebieden: CDR1, CDR2, CDR3
▪ CDR1 en CDR2 → gecodeerd door V-gensegment
▪ CDR3 wordt gevormd door samenkomst V(D)J-gebieden
• Framework gebieden
o Relatief constante gebieden
o Tussen hypervariabele gebieden
Constante gebied
• Constante domeinen = herhalende C-gebieden in lichte (CL) en zware keten
(CH)→ zekere AZ-gelijkenis
• Deze domeinen weerspiegelen herhalende duplicatie van 1 primordiaal gen
coderend voor 110 AZ
• 3 constante domeinen voor ϒ en α keten (IgG, IgA): CH1, CH2, CH3
• 4 constante domeinen voor µ en ɛ keten (IgM, IgE) → zwaarder Fc-deel dan IgG en
IgA
Functionele gebieden
• VL en VH → antigeen bindend gebied
• CH1 en CL stabiliseren Ag-bindende zijde
• CH2 domeinen bevatten een gebied voor de binding en activatie van complement
(IgG, IgM)
• CH3 domeinen bevatten een gebied dat bindt aan receptoren van fagocyterende
cellen (Fc-receptor)
Scharniergebied
• Fab gebieden = mobiel → draaien rond zoals een kogelgewricht
• Scharnier bestaat uit ~12 AZ gelegen tussen CH1 en CH2
o Geen homologie tussen de kogel en andere zware keten domeinen
4