Deel 1: Doelgroepen – What’s in a name
(zelfstudie)
Deel 2: Lichamelijke beperking
1. Terminologie
Definitie = blijvende, tijdelijke of recidiverende (ene dag wel, andere dag
niet) motorische beperking
Personen met een lichamelijke beperking worden door blijvende, tijdelijke
of recidiverende motorische belemmeringen gehinderd in hun groei,
ontwikkeling en handhaving. De lichamelijke beperking heeft tot gevolg
dat de persoon hinder ondervindt bij het gebruiken van het lichaam. De
belemmeringen vinden hun oorsprong in neurologische, musculaire,
metabolische (‘stofwisseling’) stoornissen of traumata. Personen met een
lichamelijke beperking vormen geen duidelijk afgebakende groep.
Sommigen hebben een bijkomende beperking (verstandelijk, zintuiglijk) of
bijkomende problemen (gedrags- en/of emotionele problemen,
leerproblemen, communicatieve problemen...)
Doelgroep lichamelijke beperking = zeer heterogeen (verschillende)
Rolstoel, krukken, arm verloren, meervoudige handicap…
1.1 Belangrijkste van definitie:
- Hinder in motorische ontwikkeling
- Dagelijks functioneren wordt bemoeilijkt
- Korte duur of blijvend
, - Progressief verloop (= wordt steeds erger)
- Recidiverende aandoening (= wisselend verloop)
- Verschillende oorzaken (aangeboren, verworven)
- Musculair, neurologisch, metabolisch, trauma
1.2 ICF bij lichamelijke beperking
WHO 2 belangrijke instrumenten om beperking te definiëren + in kaart
brengen
- ICD11 = international classification of diseases
- ICF = international classification of functioning, disability and health
Volgens ICF is handicap interactie tussen individu en omgeving
Mens wordt in geheel bekeken (holistisch)
3 niveaus/dimensies in beeldvorming persoon met beperking:
- 1e dimensies: Stoornissen zelf
Ziekte/aandoening concreter benoemd in lichamelijke
eigenschappen
Bv. verkorte spieren, geamputeerde onderarm…
- 2 dimensies: Mogelijke beperkingen
e
Stoornis heeft gevolgen op dagelijks functioneren
- 3e dimensies: Participatieproblemen
Mogelijke gevolgen in sociale omgeving en maatschappelijk leven
3 niveaus samen worden het functioneren van persoon genoemd
(VAPH gebruikt nog steeds ‘handicap’ om te wijzen naar participatie
problemen die persoon ondervindt als gevolg van stoornis)
Wisselwerking tussen 3 dimensies en persoonlijke en externe factoren:
- Persoonlijke factoren
Bv. Karakter van persoon veel of weinig doorzettingsvermogen
Coping = manier hoe je met probleem omgaat
- Externe factoren
Omgeving van persoon
, Bv. omgeving kan steunend of veeleisend zijn…
Onderscheid zien tussen stoornis, beperking, participatie
2 personen met zelfde stoornis kunnen andere beperkingen en
participatie problemen ondervinden
Verwachtingen en ondersteuning die persoon verwacht hangen ook
af van personen in context
Spreken pas van handicap/beperking ALS:
- Stoornis gevolgen heeft voor participeren in dagelijkse leven en aan
maatschappij
ICF-schema gebruikt voor:
- Beeldvorming van personen met lichamelijke beperking kijken op
welke domeinen het leven verbeterd kan worden
- Lichamelijke beperking niet bekijken als statisch WEL concept met
meerdere lagen
2. Etiologie
2.1 Indeling mogelijke oorzaken
3 mogelijke momenten van oorzaak:
- Prenataal: voor de geboorte (= aangeboren beperking)
- Perinataal: oorsprong rond geboorte (= aangeworven beperking)
- Postnataal: probleem, stoornis, beperking na geboorte (=
aangeworven beperking)
Aard van oorzaak:
- Biologische factoren bv. genetische afwijking, medische
problemen
- Sociale factoren gevolg van specifiek gedrag/beperking in
ontwikkeling of onderwijs
2.2 Etiologie lichamelijke beperking
, Lichamelijke beperking indelen volgens aard van aandoening 3
subcategorieën: