Hoorcollege 1
Het is belangrijk om gedragsproblemen met een neurologische/neurobiologische
oorzaak te herkennen om behandelingsmogelijkheden te evalueren.
De hersenen (p.15)
- Het feit dat wij kunnen bewegen en reageren op- onze omgeving maakt dat wij
hersenen/zenuwstelsel nodig hebben.
- De mens communiceert met de omgeving en reageert daarop: we krijgen input
via waarneming met onze zintuigen → die informatie wordt verwerkt binnen in de
hersenen → reageren op de omgeving (weglopen, praten, etc.)
(input → verwerking → output / zintuigen → hersenen → motoriek)
• De hersenen hebben de taak om informatie op te slaan via het lichaam en de
hersenen sturen vervolgens weer seintjes naar je zenuwen in je lichaam (bijv.
een gevoel in je vingers → hersen verwerken pijn → je spieren aan spannen)
Twee soorten type hersencellen:
- Neuronen= zenuwcellen
• Een neuron heeft een celmembraan (beschermt de cel) met
kanaaltjes/poriën (kunnen voedingstussen door worden uitgewisseld)
• Het heeft een celkern met genetisch materiaal
• Mitochondriën: energievoorziening
• Ribosomen: maken eiwitten
• Een neuron is gewoon een lichaamscel (kenmerken hierboven gelden ook
voor andere cellen), maar is bijzonder ten opzichte van andere cellen omdat
het een specifieke taak heeft namelijk communicatie; het doorgeven van
signalen → daarvoor heeft het specifieke kenmerken:
, o Dendrite: de cel vangt hier informatie op van andere neuronen (de
informatie komt hierbinnen).
o Axon: (p. 25)
Wanneer die informatie bij de
dendrite binnenkomt, gaat het
door naar de soma/cellichaam
en die integreert de informatie.
Vervolgens loopt de informatie
door de axon (de axon kan heel
lang zijn), hiermee kan de cel
informatie afgeven. Axonen
vervoeren een zenuwprikkel.
Axonen kunnen zich aan het eind weer vertakken; presynaptisch terminal
(geeft informatie af aan de volgende cel).
- Gliacellen= cellen die een ondersteunende functie hebben
• De helft van het hersenvolume
• Beïnvloeden de communicatie/informatieverwerking
• Gliacellen en hun functie:
o Ze geven steun
o Aan/afvoer van stoffen (voeding-
glucose/herstel-opnemen van afvoerstoffen
→ verbonden aan bloed en neuronen):
astrocyten. Ze voeren stoffen aan of af en
kunnen daardoor neuronen beïnvloeden.
o Productie hersenvloeistof → gliacellen
halen stoffen uit het bloed en maken
daarvan hersenvloeistof
o Maken myeline (oligodendrocyten). Myeline zit om de axon heen → de
signalen die de axon vervoert kunnen hierdoor niet weglekken. Een
oligodendrocyten kan wel 50
uitlopers hebben die om een
axon heen zitten.
o Rol is afweer tegen virussen en
schimmels: microglia. Microglia
proliferen (vermenigvuldigen →
ze gaan zit delen en er worden
meer microglia aangemaakt) bij
schade aan de hersenen
o Rol bij de ontwikkeling van de
hersenen: radiale gliacellen. Als
cellen ontstaan moeten ze naar de juiste plek worden geleid en die
leiden zich door het neuron.
Brein en zijn omgeving
- De hersenen communiceren met het lichaam via het perifere zenuwstelsel → er
gaat een signaaltje van de hersenen via de ruggenmergel naar het perifere
zenuwstelsel en naar de spieren.
, - Afferent (voert informatie aan): bijv. van de zintuigen naar de hersenen.
- Intrinsiek: de dendrieten en axon liggen in dezelfde structuur (een anatomisch
hersengebied, in het lichaam bijv. je lever, je hart, etc.)
- Efferent (voert informatie af): bijv. van de hersenen naar de spier
Sensorische neuron:
- Afferent
Motorische neuron:
- Efferent
De hersenen moeten beschermd worden → hersencellen kunnen niet vervangen
worden.
- Bot (de hersenen zijn een soort pudding – kwetsbaar - die worden beschermd
door je schedel)
- Vloeistoflaagje (werkt als een soort beschermend kussen)
, - Bloed hersenbarrière: beschermt de
hersenen en zijn gevormd bij de wand
van de bloedvaten, want daar vindt
uitwisseling plaats van stoffen uit de
hersenen naar het bloed en weer terug.
• Voedingsstoffen toelaten: kleine
moleculen (bijv. zuurstof, CO2), in
vet oplosbare stoffen (sommige
vitamines), ongeladen stoffen
kunnen er doorheen. Via speciale
kanaaltjes kan er water doorheen.
Grote moleculen, zoals glucose, aminozuren, sommige vitaminen, ijzer
worden vervoerd via actief transport (: glucose moet verbrand worden om de
grote moleculen in de neuronen te krijgen – kost energie).
• Schadelijke stoffen niet: schadelijke stoffen, zoals virussen. Maar medicijnen
kunnen er ook niet doorheen (nadeel). Alcohol gaat echter wel door je bloed
hersenbarrière heen (houdt dus niet alle schadelijke stoffen tegen)
• Bloed-hersenbarrière kan stuk gaan → kan ernstige gevolgen hebben, bijv.
hersenontsteking.
Synapse is de contactplaatsen tussen zenuwcellen (neuronen) waar signalen worden
overgedragen, meestal van het ene neuron (het pre-synaptische neuron) naar het
andere (het post-synaptische neuron)
Module 1.1 The cells of the nervous system
Een cel bestaan uit een celmembraan (: een structuur die de binnenkant van de cel
scheidt van de buitenomgeving. De meeste chemicaliën kunnen het membraan niet
passeren, maar eiwitkanalen in het membraam aken een gecontroleerde stroom van
water, zuurstof, natrium, kalium en andere belangrijke chemicaliën mogelijk), celkern (:
structuur die de chromosomen bevat), een mitochondrion (: structuur die metabolische
activiteiten uitvoert en de energie levert die de cel voor alle activiteiten gebruikt) en
ribosomen (: plaatsen in een cel die nieuwe eiwitmoleculen synthetiseren:
samenvoegen van afzonderlijke delen tot een nieuw samenhangend geheel)
Het zenuwstelsel bestaat uit 2 soorten cellen: Neuronen en Glia
1. Neuronen: ontvangen informatie en geven deze door aan andere cellen
• Het meest onderscheidende kenmerken van neuronen is hun vorm, die
enorm varieert van neuron tot neuron → in tegenstelling tot andere
lichaamscellen hebben neuronen lange vertakkende uitlopers.
• Alle neuronen bevatten een soma (cellichaam), dendrieten, een axon en
presynaptische uiteinden. De kleinste neuronen missen axonen en sommige
missen goed gedefinieerde dendrieten
o Dendrieten zijn vertakte vezels die naar hun uiteinden toe smaller
worden. Het oppervlak van een dendriet is bekleed met
gespecialiseerde synaptische receptoren, waar de dendriet informatie