HOOFDSTUK 1: INLEIDING
WAT IS DIDACTIEK?
Didactiek is de wetenschap en praktijk van lesgeven
- Omvat methoden, strategieën en technieken die gebruikt worden om kennis en
vaardigheden over te dragen op een gestructureerde en doeltreffende manier
- Richt zich op de vraag hoe een leerproces het best georganiseerd word zodat het
optimaal aansluit bij leerbehoeften van studenten of patiënten
Pedagogiek richt zich op de bredere ontwikkeling van de lerende waarbij aspecten
zoals opvoeding, sociaal – emotionele groei en morele vorming een rol spelen
Onderwijskunde bestudeert hoe onderwijs als systeem werkt en hoe dit verbeterd kan
worden
- Gaat over curriculumontwikkeling, onderwijsbeleid, toetsing en de effectiviteit van
verschillende onderwijsmethoden
PEDAGOGISCH HANDELEN
Pedagogisch handelen omvat alle bewuste acties, keuzes en houdingen van opvoeders
en leerkrachten die gericht zijn op de totale ontwikkeling, emotionele veiligheid en
begeleiding van kinderen/jongeren
- Draait om creëren van positief klimaat, opbouwen van vertrouwensrelatie en het
bieden van structuur en ondersteuning op maat
THERAPEUTISCHE RELATIES
Kenmerken correcte therapeutische houding:
1. Veilig leerklimaat
2. Vertrouwensband met de zorgvrager en met de omgeving
3. Motiveren van de zorgvrager
4. Zorgvrager in zijn kracht zetten empowering
5. Zelfredzaamheid bevorderen NIET hebben, aangeleerde hulpeloosheid =
houding waar jij moet zeggen tegen mij wat ik precies moet doen
Vb: patiënt moet iets alleen kunnen in therapie maar tijdens hun
huiswerk
6. Zelfsturing stimuleren
7. Vermijden van aangeleerde hulpeloosheid
1
, ORTHO – DIDACTIEK/ ORTHO – PEDAGOGIEK
Ortho – didactiek of ortho pedagogiek hoe leerprocessen aanpassen aan behoeften van
lerende met specifieke noden
Vb: hoe een doof kind leren lezen, hoe woordenschat aanleren aan kind met
TOS
HOOFDSTUK 2: DE BASIS IS GEDRAG
NATURE VS NURTURE
Nature biologie, genetica
Nurture omgeving
Wat is de rol van biologie tozv invloed van omgeving op het gedrag?
Is gedrag aangeboren of is gedrag de resultante van de omgeving
- Interactie tussen beiden = je hebt iets meekregen in u genen of bouw van u
lichaam en hoe dat de omgeving erop reageert zal bepalen hoe jij je gaat
gedragen of bepaalde vaardigheden wel of niet kunt
BEM – MODEL
Biologisch genen, hersenen,
hersenontwikkeling beïnvloed door de
omgeving = brein gaat zich anders
organisaren omdat je gaat leren
Cognitief alle cognitieve functies
die te maken hebben met het denken
in het brein = brein, logisch, denken,
executieve functies, actief luisteren
en begrijpen wat er word gezegd
Gedrag handelingen die je ziet =
lezen en schrijven, rekenen,
motorisch gedrag en taal begrijpen
Vb: de jongen wordt gebeten
door de hond, tonen hoe je dat
precies moet doen
Hoe meer je oefent, hoe sterker
de hersenverbindingen
2
, COGNITIEF NIVEAU = BREIN/DENKEN
Cognitieve functies:
1. Waarneming
2. Aandacht
3. Geheugen
4. Informatieverwerking
5. Executieve functies
6. Handelen
EXECUTIEVE FUNCTIES
Executieve functies containerbegrip voor mentale processen die een superviserende
rol hebben bij het denken en het gedrag. De term omvat een aantal functies met een
neurologische basis, die samenwerken bij het leiden en coördineren van onze
inspanningen om een doel te bereiken
SOORTEN EXECUTIEVE FUNCTIES
1. Respons inhibitie nadenken voordat je iets doet
2. Werkgeheugen
3. Emotieregulatie reguleren van emoties = beheersen of bepaalde manier van
handelen van emoties
4. Volgehouden aandacht
5. Taakinitiatie probleem = uitstelgedrag
6. Planning/prioritering
7. Organisatie
8. Timemanagement tijd inschatten, verdelen en deadlines
9. Doelgericht gedrag
10. Flexibiliteit flexibel omgaan met veranderingen en tegenslag
11. Metacognitie nadenken over je eigen manier van leren en denken
KERN EXECUTIEVE FUNCTIES
Het is erg onduidelijk welke functies hier allemaal ondervallen
- Vanuit 3 executieve functies is een hogere – orde functies opgebouwd =
redeneren, probleemoplossend vermogen en plannen
Internationaal overeenstemming over de 3 belangrijkste kern executieve
functies:
1. Impulsinhibitie de vaardigheid om onmiddelijke beloningen te kunnen uitstellen
en niet direct te handelen of te reageren maar pas na een zekere reflectie
2. Werkgeheugen het opslaan, verwerken en onthouden van informatie =
werkgeheugen houdt info vast die we via de zintuigen hebben binnengekregen
maar ook informatie uit het langetermijngeheugen
- Werkgeheugen maakt mogelijk om info vast te houden – te ‘parkeren’ maar ook
om met die informatie te werken
3