DEEL 1 — EERSTE REFLEX BIJ ELKE CASUS
STAP 1 — WELK ZAKELIJK RECHT?
Art. 3.3 BW — numerus clausus
Zakelijke rechten:
A. Eigendom
● eigendom
● mede-eigendom
B. Zakelijke gebruiksrechten
● erfdienstbaarheid
● vruchtgebruik
● erfpacht
● opstal
C. Zakelijke zekerheidsrechten
● hypotheek
● pand
● bijzondere voorrechten
● retentierecht
⚠️ Onteigening en opeising zijn géén zakelijke rechten.
Het zijn overheidsingrepen in het eigendomsrecht.
STAP 2 — VAST EXAMENSTAPPENPLAN
Bij elke oefening over een zakelijk gebruiksrecht:
1. Welk recht?
↓
2. Voldoet het aan de definitie/wezenskenmerken?
↓
3. Kan dit recht op dit goed rusten?
↓
4. Hoe is het verkregen? → art. 3.14 BW
↓
5. Was de vestiger beschikkingsbevoegd? → nemo plus
↓
6. Is publiciteit nodig? → o.a. art. 3.30 BW
↓
7. Welke bevoegdheden heeft de titularis?
↓
8. Welke beperkingen gelden?
↓
9. Zijn er bouwwerken? → denk accessoir opstalrecht
↓
10. Wie draagt onderhoud/herstellingen/kosten?
↓
11. Kan het recht tenietgaan? → eerst art. 3.15 + 3.16 BW
,↓
12. Welke bijzondere beëindigingsgrond bestaat?
↓
13. Welke vordering/remedie?
Dit sluit aan bij de methodiek uit deel 1: eerst kwalificeren en vervolgens steeds het algemene én het
bijzondere regime controleren.
DEEL 2 — ALGEMENE REGELS VOOR ALLE ZAKELIJKE
RECHTEN
1. VERKRIJGING — ART. 3.14 BW
A. Afgeleide verkrijging
Je krijgt het recht van iemand anders.
Controle:
1. Titel / causa
→ waarom krijg je het recht?
2. Beschikkingsbevoegdheid
→ kan de persoon dit recht wel geven?
3. Juridische levering
Nemo plus iuris
Je kunt niet méér rechten overdragen dan je zelf hebt.
Voorbeeld:
Vruchtgebruiker heeft nog 12 jaar vruchtgebruik
→ hij kan geen recht geven dat tegenover de eigenaar 30 jaar blijft bestaan.
B. Oorspronkelijke verkrijging
Er ontstaat een nieuw recht.
Belangrijkste voorbeeld:
→ verkrijgende verjaring
2. TENIETGAAN — ALTIJD CONTROLEREN
ART. 3.15 BW — alle zakelijke rechten
Zakelijk recht gaat teniet door:
1° recht rechtsvoorganger gaat teniet
2° voorwerp gaat teniet
→ tenzij zakelijke subrogatie
3° titel gaat teniet
● nietigheid
● ontbinding
● ontbindende voorwaarde
● herroeping
● enz.
4° gerechtelijke onteigening
5° afstand van het recht
ART. 3.16 BW — EXTRA voor zakelijke gebruiksrechten
Dus voor:
● erfdienstbaarheid
, ● vruchtgebruik
● erfpacht
● opstal
Ook einde door:
1° verstrijken duurtijd
2° 30 jaar niet-uitoefening
→ bevrijdende verjaring / non-usus
3° vermenging
→ gerechtigde en eigenaar worden dezelfde persoon
4° vervallenverklaring
→ manifest misbruik van gebruik/genot
bv. ernstige beschadiging of kennelijk waardeverlies door gebrek aan onderhoud.
DEEL 3 — ERFDIENSTBAARHEID
1. WELK RECHT?
Definitie — art. 3.114 BW
Een last op een onroerend goed ten voordele van het gebruik en nut van een ander
onroerend goed.
Schema
HEERSEND ERF
⬇ krijgt voordeel
LIJDEND ERF
⬆ draagt de last
2. WEZENSKENMERKEN
✅
Controleer:
✅
twee onroerende goederen
✅
verschillende zakelijke aanspraken
✅
last op lijdend erf
✅
objectief nut voor heersend erf
✅
geen persoonlijke bevoordeling
in principe negatieve/duldplicht voor lijdend erf
Zeer belangrijk
Erfdienstbaarheid is: puntueel + objectief + versterkt accessoir
❌
Dus:
❌
niet afzonderlijk verkopen
niet afzonderlijk hypothekeren
Ze volgt het heersend erf.
3. ZICHTBAAR OF ONZICHTBAAR?
Art. 3.115 BW
Zichtbaar
Er zijn uiterlijke tekenen.
Bv.:
● pad
● poort
● bandensporen