Deel 3: Afstemmen op je cliënt
3.1 Biologische basis van gedrag
Inhoud
1. Evolutietheorie en genetica
2. Het hormoonstelsel
3. Het zenuwstelsel
4. De hersenen
Inleiding: Biopsychosociaal Model
Het biopsychosociaal model van gedragsbiologie bekijkt gedrag als het resultaat van een complex
samenspel tussen biologische, psychologische en sociale factoren. Het benadrukt dat:
Gedrag niet louter biologisch bepaald is;
Ook sociale context (zoals opvoeding, cultuur) én mentale processen (zoals emoties,
motivatie) een belangrijke rol spelen;
Er steeds sprake is van wederzijdse beïnvloeding tussen deze domeinen.
Voor het begrijpen van gedrag moeten we dus altijd rekening houden met:
1. De biologische basis (bv. genen, hersenen, hormonen)
2. Psychologische processen (bv. gedachten, emoties)
3. De sociale omgeving (bv. gezin, cultuur, vrienden)
Evolutietheorie en genetica
1. Gedrag en mentale processen als resultaat van evolutie
Gedrag en mentale processen zijn (deels) gevormd door evolutionaire aanpassing. Soorten
veranderen over generaties door natuurlijke selectie: eigenschappen die overleving bevorderen,
worden doorgegeven.
Darwin theorie
Charles Darwin stelde in On the Origin of Species (1859) dat alle levensvormen een
gemeenschappelijke oorsprong hebben.
Hij introduceerde natuurlijke selectie als mechanisme:
o Eigenschappen die de overleving of voortplanting bevorderen, verspreiden zich.
o Niet alleen lichamelijke, maar ook psychologische eigenschappen (zoals
empathie) kunnen geëvolueerd zijn.
🔹 Kernbegrippen evolutietheorie
Natuurlijke selectie: eigenschappen die goed passen bij de omgeving worden vaker
doorgegeven.
Variatie binnen soort: binnen elke soort zijn natuurlijke verschillen die evolutionaire
voordelen kunnen geven.
Survival of the fittest: "fit" betekent niet sterkste, maar best aangepast aan de
omgeving.
📌 Voorbeeld: Darwinvinken met snavels aangepast aan hun voedselbron op de
Galapagoseilanden.
🔹 Empathie als evolutionair voordeel
Empathie bevorderde samenwerking in groepen.
Mensen met empathie zorgden beter voor elkaar → sterkere sociale netwerken.
Groepen met empathische leden hadden meer overlevingskans.
🧠 Toepassing in de psychologie:
Veel gedragskenmerken (zoals angsten, sociale vaardigheden) zijn genetisch beïnvloed.
Aangeboren angsten (bv. voor slangen) hebben beschermende functie gehad.
,📌 Conclusie: Empathie was een adaptief gedrag – het verhoogde de overlevingskans van de
groep, en dus werd het via evolutie doorgegeven.
Wat is creationisme?
Creationisme is de overtuiging dat al het leven en het universum zijn ontstaan door een
scheppende kracht, meestal God. Dit staat in contrast met de wetenschappelijke
evolutietheorie, die stelt dat soorten zich geleidelijk ontwikkelen door natuurlijke
selectie en mutaties.
📌 Kenmerken van creationisme:
Gaat uit van een letterlijke interpretatie van religieuze teksten, zoals de Bijbel.
Stelt dat de aarde en alle levensvormen in hun huidige vorm zijn geschapen door een
goddelijke macht.
Verwerpt of betwijfelt vaak de wetenschappelijke verklaringen voor het ontstaan van leven,
zoals evolutie.
🆚 Creationisme vs Evolutietheorie:
Aspect Creationisme Evolutietheorie (Darwin)
Oorsprong van
Door een schepper (God) Door natuurlijke processen
leven
Vaak duizenden jaren oud (jong Miljarden jaren van geleidelijke
Tijdlijn
universum) evolutie
Verandering Soorten zijn onveranderlijk Soorten veranderen en evolueren
Grondslag Religieuze overtuiging Wetenschappelijk onderzoek
Genen en hun rol in psychologisch functioneren
Genen, chromosomen en DNA
🔹 Genetica
De wetenschap die onderzoekt hoe erfelijke eigenschappen worden doorgegeven van
generatie op generatie.
🔹 Genen
De bouwstenen van erfelijke informatie.
Liggen op chromosomen en bevatten de codes voor fysieke én psychologische
eigenschappen.
➤ Voorbeelden: intelligentie, persoonlijkheid, of kwetsbaarheid voor psychische stoornissen.
Zijn als "kralen" gerangschikt op chromosomen.
🔹 DNA (= desoxyribonucleïnezuur)
Molecuul waarin alle genetische informatie is opgeslagen.
Elk gen is een stukje DNA dat instructies bevat voor de ontwikkeling van een specifiek
kenmerk.
Gen: een stukje DNA met de codes voor de erfelijke lichamelijke en psychische
eigenschappen
🔹 Chromosomen
Dunne, spiraalvormige draden dat bestaat uit DNA.
Elke menselijke cel bevat 23 paren chromosomen = 46 in totaal.
Samen vormen ze het genoom = de volledige set genetische informatie van een mens.
Genen op chromosomen – hoe werken ze precies?
📍 Wat gebeurt er op de chromosomen?
Genen liggen op chromosomen in een bepaalde volgorde, net als hoofdstukken in een boek.
Elke gen bevat de instructies voor de ontwikkeling van een bepaald kenmerk (bijv. oogkleur,
hormonen, neurotransmitters…).
Naast de genen zelf zijn er ook regelmechanismen die bepalen:
Welke genen worden "aan" of "uit" gezet
Wanneer dat gebeurt
In welk deel van het lichaam
👉 Dit noemen we genexpressie: het proces waarbij genetische informatie daadwerkelijk tot
uiting komt.
🔄 Genexpressie = opdracht actief maken
, Niet alle genen zijn altijd actief.
Omgevingsfactoren (zoals stress, voeding, opvoeding) kunnen bepalen of een gen tot
expressie komt.
Dit verklaart waarom twee mensen met hetzelfde genotype toch verschillend
gedrag of klachten kunnen vertonen.
🧠 Voorbeeld (psychologisch):
Iemand heeft een genetische aanleg (genotype) voor een angststoornis.
Maar dat gen komt pas tot expressie (fenotype) als die persoon langdurig wordt
blootgesteld aan stress of traumain de jeugd.
Samenvattend:
Genen liggen op chromosomen in een vaste volgorde. Niet elk gen is altijd actief
— genexpressie bepaalt wanneer en hoe een gen zichtbaar wordt, en dat is vaak afhankelijk
van de omgeving.
🔹 Trisomie 21 (Syndroom van Down)
Een genetische aandoening waarbij iemand een extra chromosoom 21 heeft → dus 47
in plaats van 46 chromosomen.
Gevolgen:
o Vertraging in verstandelijke en motorische ontwikkeling
o Herkenbare uiterlijke kenmerken
o Verhoogd risico op gezondheidsproblemen
Elke cel bevat genomen, opgebouwd uit chromosomen, die weer DNA bevatten. DNA is
opgebouwd uit korte segmenten: de genen.
🧬 Geslachtschromosomen en genetisch geslacht
🔹 Geslachtschromosomen
Elke menselijke lichaamscel bevat twee geslachtschromosomen.
Deze bepalen het genetische geslacht:
o XX = vrouw
o XY = man
Het Y-chromosoom bevat de genetische informatie die zorgt voor de ontwikkeling
van mannelijke geslachtskenmerken (zoals baardgroei, diepe stem, etc.).
⚠️ Afwijkingen in geslachtschromosomen kunnen leiden tot syndromen:
1. Syndroom van Turner (alleen bij meisjes)
Één X-chromosoom ontbreekt (dus slechts 1 i.p.v. 2)
Gevolgen:
o Onvruchtbaarheid
o Achterstand in de ontwikkeling van vrouwelijke geslachtskenmerken
o Kleinere lichaamslengte
o Mogelijke leerproblemen (vooral met ruimtelijk inzicht)
2. Syndroom van Klinefelter (alleen bij jongens)
Eén of meerdere extra X-chromosomen (bv. XXY)
Gevolgen:
o Minder spierontwikkeling
o Weinig beharing
, o Onvruchtbaarheid
o Problemen met taal en leervermogen
o Emotionele en sociale moeilijkheden kunnen voorkomen
Genotype vs. Fenotype
🔹 Genotype
= De genetische code die je van je ouders erft
Dit is je blauwdruk: de informatie in je DNA voor o.a. haarkleur, oogkleur, gedragstrekken,
aanleg voor ziektes.
Niet altijd zichtbaar met het blote oog.
Voorbeeld: je hebt genen voor bruin haar (zelfs als je haar geverfd is of grijs wordt).
🔹 Fenotype
= De zichtbare of merkbare uiting van je genotype
Dit zijn de waarneembare kenmerken, zoals uiterlijk én gedrag.
Wordt beïnvloed door:
✔ je genotype
✔ je omgeving (voeding, opvoeding, stress, ziekte, etc.)
🧠 Voorbeelden fenotype:
Werkelijke haarkleur (bijv. bruin haar)
Een probleem met oog-hand-coördinatie (komt door hersenontwikkeling)
Laag serotonineniveau, wat kan leiden tot depressieve symptomen
Ezelsbrug:
Term Wat is het? Voorbeeld
Genotyp De onzichtbare Gen voor depressie of bruin
e genetische code haar
Fenotyp De zichtbare of merkbare Lage serotonine → depressie
e uiting Probleem met coördinatie
Verklaren genen onze psychische processen?
🔹 Gedrag is complex!
Psychologische kenmerken zoals:
Intelligentie
Persoonlijkheid
Psychische stoornissen (bv. depressie, schizofrenie)
Seksuele geaardheid
Lees- en taalstoornissen
… worden niet door één gen veroorzaakt, maar zijn het resultaat van complexe interacties
tussen veel genen en omgevingsfactoren.
🔹 Meerdere genen beïnvloeden psychologische processen
Er is geen “één op één” verband tussen een gen en gedrag.
Meerdere genen (in combinatie met omgevingsinvloeden) bepalen bijvoorbeeld je
temperament of risico op een psychische stoornis.
🔹 Geen genetisch determinisme!
🛑 Schrijf gedrag nooit uitsluitend toe aan erfelijkheid.
Psychologische processen zijn niet volledig genetisch bepaald.
⚠️ Ook opvoeding, ervaringen, trauma, cultuur en omgeving spelen een grote rol.
→ Dit voorkomt deterministisch denken ("het zit in de genen, dus we kunnen er niets aan doen").
🔹 Fouten of variaties in genen → verhoogde kwetsbaarheid
Genetische variaties of fouten kunnen een verhoogd risico geven op:
o Hersenverlamming
o Mentale beperking
o ADHD, ASS (autismespectrumstoornis)
o Schizofrenie, bipolaire stoornis, ...
➤ Belangrijk: vaak geen enkele genetische oorzaak, maar meerdere kleine
genvariaties die samen het risico verhogen.