M. Feddahi
@docenteconomie
VASTGOEDECONOMIE
1.0 Praktische info
A. Situering vastgoedeconomie
volgens economisch principe:
C. Consumptiegoederen versus
B. Nut vastgoedeconomie investeringsgoederen
Verbruiksgoederen
Consumptiegoederen
Gebruiksgoederen
Economische goederen
Kapitaalgoederen
Investeringsgoederen
Vlottende
investeringsgoederen
• Investeringsgoederen
- die bedrijven gebruiken om andere
ALGEMENE ECONOMIE geoderen te produceren
2.0 Inleiding ➢ kapitaalgoederen
A. Doel economische wetenschap zijn lagner dan 1j in het bedrijf
• Alternativiteitskost = opportuniteitskost bv.
Bv. Bouwt een fabriek op de grond van een bos, ➢ vlottende investeringsgoederen
kost = bos dat weg is. bv.
• consumptiegoederen
- die gezinnen gebruiken
➢ gebruiksgoederen
bv. Tandenborstel (kan je hergebruiken)
➢ verbruiksgoederen
bv. Tandpasta (gaat op)
D. Welvaart en welzijn
A. Opportuniteitskost • Welvaart
(alternativiteitskost) - = mate waarin mensen met de
• = de waarde van het beste alternatief dat wordt beschikbare schaarse middelen in
opgegeven wanneer een keuze wordt gemaakt. hun behoeften kunnen voorzien
• Bv. Bouwt een fabriek op de grond van een bos, - Macro-economische grootheden
kost = bos dat weg is. (Hfst 4)
- Conjunctuur, groei en ontwikkeling
B. Nuttigheid en keuzeprobleem (Hfst 5)
• i.f.v. beschikbare middelen - Inkomen en werkgelegenheid (Hfst
• i.f.v. behoeften 6)
- Overheidsbeleid
➔ Monetair (Hfst 7)
1
, ➔ Budgettair (Hfst 11)
• Welzijn
- = gevoel van welbevinden
➔ Duurzame ontwikkeling (Hfts
10)
E. Economie als wetenschap (pag 9.)
Wat is economie: The science of choice
- Relatie tussen doelen en schaarse
middelen, waar er een
opporunitietskost is.
F. Methode (pag. 8)
• Vereenvoudigingen van de
werkelijkheid D. Afleiding van de
• Veronderstellingen individuele vraagcurve (pag.
- Homo economicussen 19)
• Vereenvoudigingen van de - Wat is de invloed van de prijs van
werkelijkheid bv. één goed op de gevraagde
Bv. Als de rente stijgt gaat de vraag naar hoeveelheid van dat ene goed?
koopwoningen dalen - Werkwijze:
- Ceteris paribus 1. Afleiden uit budgetlijnen (niet kennen)
➔ Relatie bestuderen tussen 2. Ceteris paribus (alle andere factoren
twee variabele met alle andere houden we constant)
variabelen neutraal te stellen a. = inkomen
b. = voorkeuren
c. = prijzen andere goederen
HOOFDSTUK 1: VRAAGCURVE
1.0. Vraagcurve
A. Consument in de economie
wetenschap (pag. 14)
• Hoe consumptiebeslissingen nemen?
- Nut maximaliseren
- Afh. Van preferenties
- Binnen budget
B. Wet van het dalend
marginaal nut (pag. 15)
• =grensnut
• 1ste wet van gossen
Voorbeeld: E. bv
- Je krijgt op u kot een plant van u
tante
➔ Heeeel blij
- Krijgt van u oma ook nog een plant
➔ blij
- …
F. Beweging van de
individuele vraagcurve (p. 21)
C. Keuze optimale Drie mogelijke oorzaken:
goederencombinatie (pag.14) 1. Verandering in het inkomen
2
,2. Verandering in de voorkeuren
3. Verandering in de prijs van andere goederen
1. Verschuiving van de vraagcurve door
wijzigingen in het inkomen
(p. 21)
• Daling van het inkomen*
=> V-curve verschuift naar links 3. Verschuiving van de vraagcurve
➔ Pintjes worden durder voor je door wijzigingen in prijs andere
omdat je minder inkomst hebt goederen (p. 23)
dus je kan er minder kopen • Substitueerbare goederen
• Veronderstel prijsdaling appels*
➔ Toename vraag naar appels
➔ Afname vraag naar peren
G. Marktvraag (p. 25)
2. Verschuiving van de
vraagcurve door
wijzigingen in voorkeuren
(p. 23)
• Veronderstel voorkeur pintjes *
=> V-curve pintjes verschuift naar
links
-> blauwe persoon heeft bv. minder Waarom kurve anke anders als tom:
geld - Verschil in hun inkomen of budget
- Markt vraag (=geagregeerde vraag)
H. Determinanten marktvraag
(p. 25)
• Meer consumenten verschuiving naar
rechts
• Factoren die kunnen leiden tot stijging of
daling van de marktvraag:
• Demografie
• Budget
• Verwachtingen
• Prijzen van andere goederen
(complementen, substituten)
• Preferenties
3. Verschuiving van de
vraagcurve door I. Determinanten vraag
wijzigingen in prijs koopwoningen residentiële markt
andere goederen (p. 23) 1. Demografie
• Complimentaire goederen a. Bevolkingsgroei in bepaalde
• Veronderstel prijsdaling auto’s* regio (meer mensen in een
➔ Toename vraag naar auto’s huishouden)
➔ Toename vraag naar benzine b. Gezinsverdichting
(Minder mensen in een
huishouden)
2. Budget
a. Inkomens(verdeling)
3
, b. Spaarvermogen Toepassing: groeiende nood aan kleinere en betaalbare
c. Krediettoegankelijkheid en woningen
rentevoet Vraag gebonde factoren aangehaald in artikel:
3. Verwachtingen • Demografische evolutie
a. Inkomenszekerheid, stabiliteit - Bevolkingsgroei
werkgelegenheid ➔ 447000 extra huishoudens
b. Economisch vertrouwen tegen 2040
4. Prijzen van andere goederen ➔ Stijgende buitenlandse vraag,
a. Substituten zoals bv. Nederland
huurwoningen, woningen in - Gezinsverdunning
andere regio’s, andere ➔ Sterketoename van
investeringsmogelijkheden alleenstaande
b. Complementen zoals ➔ Vergrijzing
renovatiekosten, prijs ➔ Dalende geboortecijfers
hypothecair krediet (rentevoet) - Voorkeuren
5. Preferenties
Bv. Tijd van corona, aanvraag naar
huizen met een tuin groter - -> toenemende aantale 2de
a. Huis of appartement verblijven
b. Energiezuinigheid
c. Locatie HOOFDSTUK 2: ELASTISCITIETEN (= helling van de
d. Trends vraagcurve)
6. Fiscaal en institutioneel kader • Gevoeligheid waarmee de vraag reageert op
- Institutioneel(=alles wat temakne een van deze wijzigingen
heft met de overheid)
a. Belastingen De mate waarin de gevraagde hoeveelheid reageert op
b. Subsidies …
c. Regelgeving 1. … een wijziging in de prijs van het bestudeerde
goed
= prijselasticiteit van de vraag
2. … een wijziging in de prijs van een ander goed
= kruiselingse prijselasticiteit van de vraag
Bv. Voor een duo van goederen te bekijken
3. … een wijziging in het inkomen
Wat is de inpakt daarvan
= inkomenselasticiteit van de vraag
1. Prijselasticitiet van de vraag
1. Vertrekken noemer (= prijsweiziging)
2. Noemer (= inpakt op die verandering =
hoeveelheid)
Prijselastischitiet geen eenheid
Teken van de prijs van de elastischiteit = negatief
tekenen
4