Afgrenzingsproces = regels die in het gezin gelden -> wie wel of niet aan een bepaalde
interactie mag deelnemen
Alliantie = welke gezinsleden een interesse delen en wie erbuiten valt
Coalitie = gezinsconstellatie waarbij door een aantal gezinsleden gezamenlijk actie
gevoerd wordt tegen een derde partij
- ouders werken samen
Detouring = coalitie van beide ouders ten aanzien van kind
Parentificatie = kind neemt ouderrol op
Pedagogisch besef = term van BAARTMAN, hoe ouders betekenis geven aan het gedrag
van hun kind en hoe ze hun eigen handelen daarnaar richten en vormgeven
Siblinggroep = (half/stief)broers- en zussen
Gezinscultuur = hoe gevoelens uitdrukken, meningen geven
Gezinsdynamiek
Gezinsorganisatie = interactieprocessen
Opvoedingscontext = sociale & materiële omstandigheden
HOOFDSTUK 1
• Kan binnen een concrete gezinsbeschrijving aangeven hoe deze variabelen de
opvoedingssituatie kleuren.
• Kan elementen binnen een concrete gezinsbeschrijving plaatsen binnen een bepaald
model.
INLEIDING
Pedagogie = opvoeding, onderwijs en vorming centraal. Focus op hoe ontwikkelings-,
opvoedings- en leerprocessen verlopen, hoe in gezinnen, scholen, organisaties en
bredere maatschappelijke contexten optimale omstandigheden gecreëerd kunnen
worden voor leren en ontwikkeling.
= Veelvuldige interacties tussen een kind en opvoeder, gedurende langere tijd dag in dag
uit met kind samenleeft en zich verantwoordelijk weet/voelt voor ontwikkeling en
toekomst kind
Welke ondersteuning nodig is indien opvoeden, leren en ontwikkelen niet
vanzelfsprekend verlopen?
1
,Het menselijk gedrag in de context van de opvoeding en omgeving.
1.1 BEGRIPSOMSCHRIJVING
HELLINCKX:
Opvoeden = een complex fenomeen
Kern van opvoeden = samenleven
Moeilijkheid van opvoeden:
Intentionele opvoeding = expliciete sturing = als ouder bewust bezig zijn met je kind
(bv. emotieregulatie, sociale vaardigheden)
Functionele opvoeding = impliciete sturing = onbewust opvoeden, kind neemt gedrag
over van opvoeder
® Problematische opvoedingssituaties analyseren? Beide vormen aandacht
besteden
® Als ouder agressief reageren, niet verwonderd zijn dat kind ook agressief gaat
reageren wanneer iets niet lukt
Grootste stuk van opvoeding gebeurt onbewust!
Opvoeding = continue wisselwerking actie en reactie van kind en opvoeder
Tijdens het samenleven met elkaar, voed je als opvoeder op!
Opvoeder =
• Gedurende langere tijd
• Dagelijks
• Met een kind samenleeft
• Zich verantwoordelijk weet/voelt voor de toekomst van het kind
® Dit is toekomstgericht! Bv babysitter zorgt voor kind OP DAT MOMENT, maar is
niet verantwoordelijk voor wie het kind later zal worden
® Leerkrachten en onthaalmoeders zijn ook opvoeders!
Is een geïnterneerde biologische vader een opvoeder?
Nee, maar bloedband heeft invloed op kind. Theorie van Nagy vult dit aan.
Elke opvoeder voelt verantwoordelijkheid, maar niet iedereen slaagt erin om dit te
volbrengen.
2
,Opvoeden =
Opvoeden is een complementair en circulair proces!
• Complementair = beide partijen zijn gelijkwaardig, opvoeden is interactie tussen
kind en opvoeder (niet 1 partij die alles beslist)
• Circulair = wisselwerking, wederzijdse beïnvloeding
o Interdependente asymmetrie = invloed van ouders op kind is groter
o Deculpabiliseren = ontlasten van schuldgevoelens
• Multifactorieel: verschillende beïnvloedende factoren:
o Interventies van de ouders
o Kind is actief
o Het leefklimaat: de opvoedingscontext
Snappen wat het probleem is, niemand de schuld geven!
Opvoeden = een systeem = een samenhangend geheel van verschillende factoren
Factoren werken voortdurend op elkaar in, daarom zal een verandering in 1 factor grote
gevolgen hebben op andere factoren
1.2 OPVOEDING ALS WETENSCHAP: VARIABELEN
Cluster van opvoedingsfactoren = opvoedingsvariabele
3 variabelen:
• Kind
• Opvoeder of ouder
• Opvoedingscontext
Manier waarop verschillende variabelen zich tot elkaar verhouden en elkaar beïnvloeden
= opvoedingsmodel
KIND
• Genetische factoren
• Neurobiologische invloeden
• Pre-, peri- en postnatale invloeden
Hebben invloed op ontwikkeling
= temperamentkenmerken
1. Kinderen met moeilijk temperament (10%)
2. Kinderen met gemakkelijk temperament (40%)
3
, 3. Langzame starters = combinatie van beide groepen -> biologische functies zijn
regelmatiger dan eerste groep, maar reageren mild, maar negatief op nieuwe
situaties – afwachtende kinderen (15%)
4. Resterende groep (35%)
MAAR ook fysieke kenmerken, geslacht,…
(als vraag en aanbod niet overeenkomt -> “onhandelbaar” gedrag)
OPVOEDER OF OUDER
Filmpje huilbaby:
Welke signalen zijn er waardoor het samenleven niet vanzelfsprekend loopt?
- Stress (chronisch -> eigen batterij niet opladen, constant aanstaan)
- Krijgen niets klaar
- Continue focus op babymonitor
- Mama perfectionistisch? (“ik doe het niet goed”)
- Mama sensitief?
- Mama niet georganiseerd?
Welke kindkenmerken beïnvloeden het samenleven? (wat verhoogt de draaglast?)
- Huilbaby (meer dan 3u/dag wenen)
Het heeft te maken met een mismatch tussen ouders en kind! (ouders zijn niet slecht)
Via de ouders mismatch herstellen.
4