Examen: 20 meerkeuze, 2 à 3 open vragen: 1 concept uitleggen en
een lijstjes vraag + er is een proefexamen, extra materiaal op
Toledo is geen leerstof
Belangrijke personen
H1: wat is filosofie?
Eerste natuurfilosofen: 6e eeuw in Griekenland
Thales: alles bestaat uit water, aarde draait als vlot op kosmische zeeën
Anaximander: ongedefinieerde substantie, aarde is een ton
Anaximenes: lucht is oorsprong van alles, aarde zweeft op omringende luchtstromen
gemeenschappelijk idee: levende en levenloze natuur komt voort uit één bepaalde
oerstof
Fundamentele Westerse filosofen: 1ste piek
Plato: zintuiglijke wereld is te veranderlijk om echte kennis te leveren, mogelijkheid tot kennis
biedt perspectief op ideale andere wereld: 2 werelden
Besluit: kennis moet voortkomen uit iets stabiel, eeuwig en onveranderlijk
⭆ alles wat veranderlijk is buiten beschouwing laten, en enkel essentie
overlaten
Aristoteles: pro zintuiglijke waarneming v/d wereld
H2: René Descartes
De wetenschappelijke revolutie - sleutelfiguren
Descartes: kind v/d wet. revolutie, verdieping epistemologie,vader van de moderne
wijsbegeerte
Copernicus: 16e eeuwse sterrenkundige; gezien als fundament van wetenschap. revolutie
⭢ Heliocentrisme: zon is middelpunt van universum, niet de aarde
Kepler: 17e eeuwse astronoom en wiskundige
⭢ aanvulling op Copernicus: Geen cirkelvormige, maar ellipsvormige baan rond de zon
Galilei: Formuleerde traagheidswet, bouwt telescoop: 11 hemellichamen (⭤ 7)
Mechanisering van het wereldbeeld
Galilei: Traagheidswet was katalysator in wetenschappelijke revolutie men vervangende
doeloorzaken door mechanische oorzaken
Thomas van Aquino: 13e eeuwse filosoof, in late middeleeuwen, Vertegenwoordiger van de
scholastiek (⭢ verzoening aristotelische filosofie en christendom)
Descartes: Maakt komaf met doeloorzakelijke theorieën van Aristoteles & Geeft mechanische
1
,oorzaak; kenmerken van entiteiten worden verklaard m.b.v. kwaliteiten van die materie
Descartes ging op zoek naar onbetwijfelbare zekerheid als fundament voor meer
zekerheden
o Trok ALLES in twijfel
o eenmaal eerste zekerheid gevonden, paste hij zijn 4-regelmethode toe om
verder te bouwen
o 1 lichtpuntje bleef overeind; ‘ik denk, dus ik ben’
o Gehele natuur v/h ding bestaat uit denken → geen lichaam nodig
o Oorzakelijkheid, volmaaktheid
Hume: tegenpool Descartes, formuleert ook kritiek op zijn werk: leven is gebaseerd op
aannames en veronderstellingen die onredelijk zijn
H3: zijn wij ons brein?
Descartes: Substantiedualisme = opvatting dat hersenentoestanden en lichaam (fysisch
spul) en mentale toestanden (geestesspul) fundamenteel verschillen
Gebaseerd op:
Principe van identiteit
Lichaam is opgebouwd uit mechanische onderdelen
Metafysische mogelijkheid van een malin genie
Substantiesub. laat ruimte voor centrale instituties v/h gezond verstand
Ryle: dualisme is gebaseerd op een drogreden: categorisatie fout
La Mettrie: de eerste materialist
Publiceerde L’homme machine, zijn bekendste werk
Enorme kritiek op Descartes
Geest en hersenen zijn identiek
Lichaam is een machine, en elk onderdeel aangedreven door kracht die inherent is
aan dat onderdeel; krijgt op zijn beurt energie via voeding en af en toe ‘onderhoud’
Verklaring voor het denken: simpelweg eigenschap van de materie
Nagel: schreef boek: “Hoe is het om een vleermuis te zijn?” ⭢ Wetenschap kent fysica
hierachter (kijkt toe als 3e persoon), maar niet subjectieve beleving van vleermuis
H4: kunnen dieren denken?
Vaucanson: uitvinding mechanische eend in 18e eeuw (illustratie v. geloof in mechanisering v/h
wereldbeeld)
Descartes: dieren zijn machines, net als menselijke lichamen
Mensen zijn hybride wezens
o Lichaam
o Immateriële geest ⭢ “rationele geest”
2 kenmerken: uniek menselijk
Taalvermogen & intelligentie
➜ dieren op mechanische manier begrijpen, want machines
Dieren kunnen niet denken
Gebaseerd op antropologische vooronderstellingen
Cavendish oneens dat dieren geen intelligentie hebben
2
, Dieren zijn hyperspecialisten ⭢ erg goed in uitvoeren v reeks van
handelingen/ingrepen
Intelligentie = domeinspecifiek ⭢ elke diersoort heeft eigen vorm van intelligentie
o Bij mens: generaliserende intelligentie ⭢ niet-specialistische vorm
Chomsky: 2 invullingen v/h taalconcept
Eng: computationeel systeem waarin recursiviteit centraal staat
Breed: taal als geheel van 3 systemen
o Recursief systeem
o Zintuigelijk-motorische systeem
o Conceptueel-intentioneel systeem
Bentham 18e eeuw
Dieren in staat om pijn te ervaren ⭢ morele belangen = Utilitarisme
In onderzoek: lijden van dieren afwegen tegen geluk v/d mensen die baat hebben bij
de resultaten + zoveel mogelijk beperken en vermijden
Regan 19e eeuw
Dieren hebben morele rechten
o Veel sterker dan belangen: absoluut ipv relatief
o Want: ieder subject-of-a-life kan aanspraak maken op morele rechten
Darwin: Gradualisme
Elke eigenschap in natuur evolueert stapsgewijs wnr het product is van natuurlijke
selectie
o Menselijke geest = gewijzigde variant v/h fenomeen dat we op andere plaatsen
in de natuur terugvinden vb mensapen
Ryle: descartes maakt categorisatie fout
H5: Friedrich Nietzsche
Nietzsche: Westerse beschaving is ziek ⭢ Kwam met ‘gezonde’, nieuwe levensvorm:
Übermensch
Kennis is mummificering, verschrompeling van zintuiglijke wereld
kennis noodzakelijk, maar ook nefast ⭢ eindigen met lege doos
Plato is een lafaard in het aangezicht van de realiteit, en vlucht in het ideaal”
Lafheid komt voort uit ressentiment; reactieve psychologische toestand
was erg gehecht aan ideeën van presocratici
Herkende zich in naturalisme: rekening houden met methoden van
natuurwetenschappen, geen beroep doen op bovennatuurlijke zaken, geen
onderscheid tussen filosofie en natuurwetenschap
Herkende zich ook in empirisme: zintuigen van groot belang om tot waarheid te
komen; tonen wereld zoals ze is
Herkende zich ook in realisme: werkelijkheid is onafhankelijk van ons denken en
spreken, onverbloemde weergave van werkelijkheid
Werk van Plato en Socrates verstoort evenwicht tussen twee levenskrachten
Het dionysische; verwijst naar Griekse god Dionysus (van wanorde en chaos)
Het apollinische; verwijst naar Apollo (orde en harmonie)
christelijke moraal is vervuld van ressentiment tegen herenmoraal
H6: Moraalfilosofie en morele psychologie
3
, Bentham (18e eeuw, Brits filosoof)
grondlegger Utilitarisme
“Maatstaf van goed en kwaad is grootste geluk voor grootste aantal”
Morele handeling hangt samen met haar nut; nut = eigenschap die de neiging
heeft om voordeel, geluk, het goede te veroorzaken
Kant
Grondlegger Deontologie
Moraliteit van handeling bepaald door morele wet van toepassing op iedereen;
door intentie en motief dat eraan voorafgaat
Slechts één motief: de goede wil, het goede willen doen
⭆ maar: goede wil resulteert pas in goede handeling als de wil in
overeenstemming is met morele wet ⭢ morele wet is imperatief, bevel
Hypothetische & Categorische imperatief
Regan: oneens met Kant: “Dieren hebben niet vermogen over motieven na te denken en hun
keuzes daarop te baseren ⭆ vereist taal en redelijkheid = uniek menselijk”
o Wat met kinderen, dementerende personen, ernstige mentale handicap?
Aristoteles
Grondlegger Deugdethiek
Ethiek gaat niet over wat je moet doen, maar over wie je bent
⭢ geen exacte wetenschap, maar praktische wijsheid
Een goed persoon in wezen is deugdzaam, bevat een bepaald karakter
Nietzsche
niet enkel afkeer van de christelijke moraal, maar van elke vorm van moraal in het
algemeen ⭆ vormt gevaar voor ontwikkeling van Übermensch
Kants deontologie gebaseerd op 3 fundamentele veronderstellingen: Nietzsche is het
oneens met ze allemaal
Mensen bezitten wil waarmee ze op vrije en autonome wijze keuzes kunnen
maken
Verschillende handelingen kunnen worden onderscheiden obv motieven;niet
alle motieven zijn moreel gelijkwaardig, dus ze moeten helder zijn
Mensen zijn gelijk, er geldt 1 enkele morele wet voor iedereen
Fatalisme
geluk kan geen einddoel zijn, pijn en lijden zijn essentieel om tot volle ontwikkeling en
succes te komen
overtuigingen en morele waarden bepaald door natuurlijke feiten die buiten controle
liggen van individu (biologische en onbewuste zaken)
persoonlijkheidskenmerken hebben diepe en voortdurende invloed op ons globale
leven (=globalisme)
Deugdethiek: opvoeding heeft cruciale rol op karakter van een persoon (Nietzsche zette
daar als omgevingsfactoren ook nog voeding en klimaat naast)
H7: Mogen we onszelf verbeteren?
Hull: er bestaat niet zoiets als menselijke natuur want geen essentiële menselijke
eigenschappen (bij alle en enkel bij mensen)
Ongeschikt om grootse morele claims op te funderen
H8: Charles darwin
4