1. METHODISCH HANDELEN 1: BESLISSENDE PROFESSIONAL
o Jeugdprofessional maakt heel veel beslissingen
o Gefaseerd werken, maar cyclisch (niet lineair) fasen bv. 1ste gesprek of midden
van traject
o Integratie van de 5 wolken
Typen kennis en kennisbenutting
Empirische kennis: via onderzoek en nog
niet bewezen bv. wetenschappelijk
artikel voor een opdracht
Theoretische kennis: boeken + is
bewezen bv. cursus sociale pedagogie
Procedurele kennis: de afspraken bv.
schoolreglement
Persoonlijke kennis bv. hobby’s zoals
lezen
Praktijkkennis bv. stage-ervaring zoals
teamvergadering
Expertise en ervaring
Bv. stage, jobstudent
Maatschappelijke opdracht en waarden
Bv. lln. mocht van statuut uit
buitengewoon ond niet naar gewoon
secundair ond toch aangekaart en nu naar 1B gewoon secundair
Organisatie en organisatorische context
Bv. niet boven de urgentiecode, geen afspraak binnen de 2 weken
Kind/jongere en diens context met voorkeuren, behoeften en wensen
Bv. door prikkelbaarheid en weerstand niet verder gaan op het
ongewenste onderwerp
o Eens vertragen als jeugdprofessional !
Ander en betere beslissingen kunnen nemen
o Methodisch handelen = motiveren waarom je een beslissing maakt en nadenken
hoe
1.1. VISIE, EEN SAMENSTELSEL VAN PROFESSIONELE KENNIS EN
WAARDENKADERS
o Afgebakend tot de visie van
hulpverlening
Hoe krijg je een kijk of
greep op de
achterliggende visie van
je eigen handelen als
hulpverlener?
1
,1.2. NOODZAAK VAN KRITISCHE REFLECTIE
o Handelen als jeugdprofessional is gestoeld op een visie
Ideeën en opvattingen over wat wij aan het doen zijn
o De opvattingen zijn gebaseerd op
Common-sense – overwegingen
Ervaringskennis
Theoretische overwegingen
1.3. VERKLARENDE ANALYSE
o In analysefase hypotheses (= geen diagnoses)
Hypotheses komen tot stand door beschikbare info te ordenen in causale
invloeden die problematiek kunnen verklaren
Om tot juiste interventies te komen is het onvoldoende om enkel te
vertrekken vanuit info over het gedrag of symptomen
Juiste interventies te plannen moeten we weten
Welke factoren het gedrag versterken, verminderen of in stand
houden
Zijn het dynamische of statische factoren
Goede analyse en probleemformulering houdt rekening met alle
betrokkenen gezamenlijke probleemformulering
= kompas dat de richting naar gewenste situatie bepaald alsook de
deelstappen die gezet moeten worden
7 factorenmodel zowel persoon als omgeving als draagkracht en last in
beeld brengen
Voor dat we een stappenplan richting gewenste situatie uitwerken visie
nodig van alle betrokkenen kennen en meenemen in de uitwerking van
interventieplan
1.3.1. ZEVEN FACTORENMODEL
1. Problematiek
a. Startpunt van ordening van info over 7 factoren
b. Kan gaan over
i. Aanwezigheid en symptomen van gedrag dat niet gewenst is bv.
automutilatie
ii. Gedrag dat niet conform de leeftijd is van kind/jongere
iii. Ontbreken van gedrag dat net wel verwacht mag worden en dat wel
gewenst is
2. Normatieve verwachtingen
a. Welke normatieve verwachtingen vanuit verschillende context?
b. Contexten kunnen gezin, school, leeftijdsgenoten, sociale contacten,
maatschappij zijn
c. Hulpvraag kan vanuit ouders gesteld worden vanuit perceptie dat bepaald
gedrag van kind niet voldoet aan norm
3. Persoonlijke vaardigheden in het dagelijks functioneren welke vaardigheden
hebben ze
2
, a. = resultaat van een continu leerproces van kind in interactie met
omgevingsverwachtingen gedurende de ontwikkeling
b. Wanneer kinderen/jongere niet de nodige vaardigheden hebben om aan de
verwachtingen te voldoen = skills deficit
c. Wel over vaarduigheden beschikken maar deze onvoldoende kunnen
toepassen in bepaalde situatie = performance deficit
d. Vertrekken vanuit normatieve verwachtingen
i. Vaardigheden wel aanwezig maar door externe stressoren
bemoeilijkt om vaardigheden in te zetten
ii. Verwachtingen van omgeving en vaardigheden van kind in
evenwicht = competentie van kinderen/jongere
iii. Onevenwicht skills deficit of performance deficit: causale
verklaring voor het al dan niet voldoen aan verwachtingen bij
interventies op zoek naar welke vaardigheden nodig heeft om
verwachtingen te voldoen
4. Stressoren in omgeving (bv. stress van juf met grote klas)
a. Stressor = acute/chronische externe omgevingsinvloed binnen 1 of
meerdere leefdomeinen die een bedreiging vormen voor lichamelijke of
psychische gezondheid en/of voor het welzijn van individu
i. 4 soorten
1. Algemeen: voor iedereen
2. Specifiek: specifiek voor kinderen/jongeren een
kwetsbaarheid bezit
3. Chronische: VOS, armoede, IFG
4. Incidentele: 1 heftige gebeurtenis kan leiden tot PTSS
b. Stress = psychische en lichamelijke stressreactie van individu als
antwoord op het blootstellen aan stressoren
5. Kwetsbaarheid van persoon (bv. kind is niet zindelijk door verstandelijke
beperking)
a. Kwetsbaarheden = aangeboren of verkregen gevoeligheid of vatbaarheid
die risico op ontstaan van somatische, psychische en sociale problemen
verhoogt
b. Ontoereikende, afwijkende of belemmerende bio en psycho processen
i. Bv. zintuigelijke beperking, temperament, FASD
c. Interne persoonsfactoren die problematiek kunnen triggeren of in stand
houden
d. Toe leiden dat bepaalde vaardigheden niet goed gekend zijn normatieve
verwachtingen niet voldoen
e. Kunnen aangeboren zijn bv. erfelijkheid
f. Tijdens leven ontstaan bv. NAH
6. Steun in omgeving oog hebben voor de krachten (bv. naast kleuterjuf ook
kinderbegeleider in klas)
a. Belang van ondersteuning van ouders/gezinsleden bij alledaagse
uitdagingen tijdens groeiproces
b. Soms ontbreekt het gezin perspectief opvoederschap
c. Steun vanuit omgeving startpunt voor opstelling van handelingsplan
d. Omgeving: gezin + sociaal netwerk
e. Omvang van netwerk - belangrijk, kwaliteit is belangrijker
7. Kracht van persoon (bv. kind kan wel aangeven als hij naar toilet moet, maar nog
niet zindelijk)
a. Krachten in kaart brengen die gerelateerd zijn aan
aanmeldingsproblematiek en probleemoplossing
3
, b. Hoe bespreken? Bv. nagaan hoe iemand situatie volhoudt
c. Locus of control versterken door empowerment
i. = overtuiging en zelfvertrouwen rond haalbaarheid van doelen
o Wisselwerking van omgevingsfactoren en
kindfactoren
Als JP oog voor interactie tussen kind en
omgeving
Verklaring voor (probleem)gedrag of
(probleem)situatie kan in context
gevonden worden wederzijdse invloed
2. MOTIVERENDE GESPREKSVOERING = MVG
o Definitie: MVG is op samenwerking gerichte gespreksstijl die iemands eigen
motivatie en bereidheid tot verandering versterkt
o Doel: motivatie van mensen vergroten door verkennen en verminderen van
ambivalente (=tegenstrijdigheid) gevoelens over gedragsveranderingen
mensen zelf laten werken aan gedrag door motivatie van persoon zelf te
versterken
2.1. INLEIDING
o = methode van gesprekken voeren die voortkomt uit de verslavingszorg
ontwikkeld door Miller en Rollnick
o Methode van gesprekken er wordt van persoon waarmee je werkt, verwacht dat
er sprake is van zeker taalvaardigheid en reflectief vermogen
2.2. KERNPUNTEN
o Basisstijl = gidsen (tussen sturen en volgende stijl)
o Ambivalentie hoort bij het voorbereiden op verandering en kan kwestie zijn waar
iemand enige tijd in vastzit
o Als een helper een sturende stijl gebruikt en voor verandering pleit tegen iemand
die ambivalent is, dan roept dat bij die ander vanzelf tegengestelde argumenten
op ”ja, maar”
Als je gepusht wordt ja, maar overtuiging dat het niet zal lukken
o Mensen raken vooral overtuigd van wat zichzelf horen zeggen
2.3. SPIRIT VAN MGV
o Gebaseerd op 4 onderling samenhangende kernelementen
Partnerschap
Vanuit samenwerking voor en met iemand
Persoon is expert over zichzelf die expertise activeren tot
verandering te komen
Als jeugdprofessional een positief leefklimaat dat bevorderlijk is
voor verandering maar daar niet toe dwingen
Dansen ipv. worstelen iemand die leidt, maar er is een
samenwerking
4
, Valkuil = verbeterreflex = neigen naar ‘het beter weten’
Tip: eigen ambities in gaten houden en die van hulpvrager
Wensen uit elkaar vraag stellen hoe je tot motivational
congruence (= welke motivatie is gemeenschappelijk) komt
(transparantie over eigen agenda duidelijk zijn wat je wil
bereiken)
Acceptatie
Absolute waarde
Respect voor de andere als iemand
die op zichzelf van waarde is
Basaal vertrouwen in andere
persoon
Gelinkt aan positief mensbeeld (=
geloven vanuit je/hun krachten)
Accurate empathie
Actieve belangstelling voor belevingswereld van ander en
daadwerkelijke inspanning deze te begrijpen, de wereld door
zijn/haar ogen zien
o Niet sympathie of gevoel van medelijden
o Niet identificeren met hetgeen je zelf meegemaakt
hebt
Empathie = vermogen het referentiekader van ander te
begrijpen, gekoppeld aan overtuiging dat dat ook de moeite
waard is
Autonomie ondersteunen
Recht op maken van eigen keuzes
Visie die er vanuit gaat dat mensen in staat zijn tot maken
van eigen keuzes
Rekening met ontwikkelingsfase
o Welke mate kunnen k/j autonomie geven, rekening
houdende met hun socio- emo ontwikkeling
Ongeveer 2j - 2,5j eigen ik ontwikkelen
Link met opvoedingsstijlen en gevolgen hiervan op gedrag
van kinderen en jongeren
o Laissez-faire: kinderen mogen zelf beslissen (veel
autonomie)
o Autoritair : niet veel autonomie, er wordt beslist voor
jou
o Democratisch : deels autonomie, deels sturend
(bovenhand)
Bevestigen
Richt je als jeugdprofessional op de sterke kanten en inzet
van personen
Positieve ingesteldheid vs. op zoek gaan naar wat er mis
loopt
o Ingesteldheid zien we vanuit medisch model,
diagnostiek, risicobepaling
Compassie
Geen medelijden
Wel: actief inzetten voor welzijn van ander vanuit het voorop stellen
van behoeften van ander
5
, Compassie is doelbewust inzetten voor het welzijn en belangen van
de ander
Volksmond: je hart op de juiste plaats, niet uit eigen belang
Ontlokken
Diagnostiek en onderzoek zijn vaak gericht op het opsporen van
gebreken die met behulp van professionele expertise in orde
gemaakt moeten worden
Op zoek naar ontbrekende puzzelstuk wordt toegevoegd
Spirit: mensen hebben vaak wat er nodig is al in zich, maar dit
gedrag moet ontlokt worden
Richt zich op iemand zijn sterke punten en eigen bronnen en
trachten deze te vinden
Mensen beschikken over zelfkennis en hebben goede
redenen om te doen wat ze doen
Ambivalentie is meestal al aanwezig ontlokken in
gesprekken
2.4. WAT IS MOTIVATIE
o Voorspelt actie je wilt iets doen
o Is gedragsspecifiek/doelspecifiek
o Is veranderlijk
o Is interactief altijd in verhouding met iets anders
o Wordt van binnenuit en van buitenaf beïnvloed
o Combi van 3 factoren
Willen = bereidheid om te veranderen
Kunnen = vaardigheden en kennis hebben om te veranderen
Klaar zijn = gereedheid / juiste stiptheid om te veranderen
2.4.1. ZELFDETERMINATIETHEORIE
o = theorie over persoonlijkheidsontwikkeling en zelfgemotiveerde
gedragsverandering
3 noodzakelijke psychologische basisbehoeften om te kunnen functioneren
(invloed op verschillende vormen van motivatie)
Autonomie
Competentie: behoefte om zaken te kunnen
Verbondenheid: erbij horen
Gestreefd naar psychologische integratie
Optimale ontwikkeling is slechts mogelijk als je een doel hebt
gesteld die voor jezelf belangrijk vindt en gelooft in jouw kunnen
realiseren
Geloof is sterk afhankelijk van hoe verbonden je bent met anderen
6 verschillende vormen van motivatie (tabel, Deci en Ryan)
6
, Geïdentificeerd = persoonlijk belangrijk vinden
Geïntegreerd = waarden en normen
Bv:
Tiener die naar school gaat zonder enige interesse of doel.
Hij doet zijn huiswerk niet en neemt niet deel aan de lessen
omdat hij geen waarde ziet in het leren en geen idee heeft
waarom hij naar school gaat amotivatie
kind dat graag puzzels maakt omdat hij het leuk vindt om
problemen op te lossen en voldoening haalt uit het vinden
van juiste oplossing intrinsiek
meisje dat piano speelt omdat ze zich schuldig voelt als ze
niet oefent. Ze wil de goedkeuring van haar ouders en voelt
zich slecht over zichzelf als ze niet aan hun verwachtingen
voldoet introjectie
Motivationele gespreksvoering = kan proces ondersteunen om van
externe motivatie naar interne motivatie komen
Intrinsieke motivatie = moeilijk te bereiken wel interne of
autonome motivatie hebben dan zal verandering duurzamer zijn
Mensen krijgen naar autonome motivatie is belangrijk !!
2.4.2. STADIA VAN VERANDERING
o Verandermodel van Prochaska en DiClemente
o Belangrijk om te kijken in welke fase van het
motivatiemodel iemand zich bevindt
Soms terugval en dan weer in andere fase
terugkeren
Cyclus
Afronden is uitgang
Voorstadium is start
Alles wordt doorlopen (je doorloopt ze meerdere
keren)
Belangrijk model
7
,2.5. MOTIVERENDE GESPREKSVOERING: METHODE
2.5.1. RELATIE AANGAAN
o Basishouding van jeugdprofessional
Authenticiteit
Respect en Onvoorwaardelijke aanvaarding
Empathie
Krachtgericht
Gelijkwaardigheid
Betrouwbaarheid
Professionele nabijheid
o Gespreksvaardigheden
Metacommunicatie
Open vragen
Parafraseren
Gevoelsreflecties
doelgericht sturen
2.5.2. FOCUS AANBRENGEN
o Samen met persoon bepaal je onderwerp en richting van begeleiding focus om
doelgericht te kunnen toewerken naar gedragsverandering (focus van
jeugdprofessional)
o 3 communicatiestijlen
Sturen: kans op weerbots
Volgen: kans op niet tot onderwerp komen
Gidsen !
o Beleving van persoon bevragen rond veranderonderwerp
Bv. zijn er zaken waar jij jou zorgen over maakt
2.5.3. ONTLOKKEN VAN WENSEN EN MOGELIJKHEDEN
o 1. Breng drijfveren in kaart
Waarom doet iemand wat hij doet? Waarom stelt iemand bepaald gedrag?
Welke voordelen haalt persoon uit dat gedrag
Onderzoek gedrag, bevraag en exploreer maar oordeel, overtuig
en adviseer niet = onvoorwaardelijke acceptatie
Mensen gaan gedrag pas veranderen als ze komen tot eigen inzichten
Komen tot de echte beweegredenen brengen de wensen + obstakels van
persoon in kaart
Wees oprecht geïnteresseerd in de beweegredenen en concretiseer
Voordelen van gedrag concretiseren en empathie tonen
Wil niet zeggen dat je gedrag goedkeurt
o 2. Exploreer ambivalentie
Ambivalentie = twijfel
Kiezen is verliezen
Moeilijke dilemma’s die leiden tot stress
8
, Cognitieve-dissonantie-reductie = onprettig gevoel dat we krijgen wanneer
onze gedachten, gevoelens en/of gedrag botsen
Cognitieve dissonantie, wat we moeten beseffen
Hoe sterker de cognitieve dissonantie is, des te sterker zal
de reactie zijn
Hoe meer iemand zich realiseert dat het niet kan wat hij
doet, des te sterker zal hij in “den beginne” zijn gedachten
en gevoelens aanpassen
Paradox: sterk weerstandsgedrag kan juist wijzen op een
groeiende motivatie
Vergroten van de ambivalentie is een centraal doel binnen
de motiveringsstrategie
Hoe omgaan met ambivalentie
Onvoorwaardelijke acceptatie
Constructieve confrontatie = benoemen van ambivalentie die cliënt
ervaart en je helpt de cliënt deze op te lossen
Valkuil = zelf standpunt innemen en de persoon trachten te
overtuigen van 1 van beide keuzes
Gevolg: persoon gaat andere keuze beargumenteren
Gericht op het creëren van inzicht en een wil bij cliënt bv. lijst van
voor en nadelen opstellen
Hulpverlener is de gids
Vaardigheden van hulpverlener
open vragen stellen
reflectief luisterend reageren
bevestigen en samenvatten
o 3. Creëer discrepantie
Intentie van hulpverlener
Ambivalenties herkennen en verkennen
Voor en nadelen van al dan niet veranderen in kaart brengen
Discrepantie brengen tussen het huidige gedrag van cliënt en gewenste
gedrag in toekomst
Dubbelzijdige reflectie = reflectie die verschillende gezichtspunten van
persoon weergeven maakt ambivalentie heel duidelijk
Voor en nadelen die persoon zelf aanbrengt, geef je weer in reflectie
Stuurt het gesprek door 1st in te zetten op wat persoon niet wenst om
vervolgens te eindigen met positieve zaken
Houdt de hulpvrager een spiegel voor en brengt zo inzicht in gedrag en
de veranderwens
Focus ligt zo op verandering
o 4. Ontlok verandertaal
Bezwaartaal = argumenten tegen verandering
Verandertaal = argumenten of uitspraken pro verandering bv. zo kan het niet
meer verder
Begint met het verkennen van voordelen van veranderen en nadelen van niet
veranderen
Opnieuw dezelfde valkuil: dit moet van cliënt komen niet hulpverlener
Druk leidt tot tegendruk
Negeer de bewaartaal niet, geef erkenning hiervoor maar verleg de focus naar
verandertaal
o 5. Ondersteun zelfeffectiviteit
9
, Cliënt dient vertrouwen te hebben in het eigen kunnen om verandertaal te
ontlokken
Self-efficacy, zelfeffectiviteit of zelfredzaamheid
De cliënt dient het gevoel te hebben in staat te zijn te veranderen, zo niet zal
motivatie beperkt zijn
De copingvraag stellen: “hoe lukt het de cliënt om bv de situatie vol te
houden?” Bv. bij druggebruiker die al twee dagen niet gebruikt heeft =>
“straf, hoe heb je dat gedaan?” => inzicht in eigen kunnen
De uitzonderingsvraag stellen: Wanneer stel je dat gedrag niet? Of wanneer
stelt het probleem zich niet?
= uitzonderingsvraag is link naar oplossingsgericht werken
Wat was er anders aan deze situaties? = succeservaringen benoemen,
krachten benoemen
2.5.4. PLANNEN
o wil veranderen (verandertaal is aanwezig)
o kan veranderen (zelfeffectiviteit)
o is gereed om te veranderen
o over naar actie
o Van verandertaal naar commitmenttaal
= uitspraken over de wens naar verandering kan je van zwak naar sterk zetten
en hebben te maken met de intentie en plan (concreet) van cliënt
Commitmenttaal voorspelt een grotere verandering in het gedrag dan milde
verandertaal
o Hoe concreter werken, hoe beter de verandering gaat helpen
o Doelen opstellen SMART
= specifiek, meetbaar, aanvaardbaar, realistisch en tijdsgebonden
Lange, korte en middellange termijn
Plan uitvoeren
Hoe concreter je doelen, hoe beter uitvoerbaar
3. OPLOSSINGSGERICHT WERKEN
CASUS
Ilse, 23 jaar is alleenstaande. Ze is nooit getrouwd. Ilse heeft 4 kinderen: twee jongens
(8jr en 6jr) en twee meisjes (3jr en 2jr). Wanneer ze langskomt op gesprek, is ze 5
maanden zwanger. Ilse gaat niet werken en krijgt een leefloon. Ze woont in een sociale
huurwoning en deze wordt te klein, nu er een 5de kind op komst is.
- Welke vragen kunnen gesteld worden die nodig zijn om Ilse te helpen
o
Hoe ziet jouw netwerk eruit (familie, vrienden)
Hoe is je relatie met je ouders
o Hoe is de relatie met de andere partners (vaders van kdn)
o Op welke manier zie je dat wel zou lukken
o Wat heb je nu nodig
o Is er hulp rond budgetbeheer
o Hoe is de band met jouw kdn
o Is er al gekeken voor een opvang
10