Geschreven door studenten die geslaagd zijn Direct beschikbaar na je betaling Online lezen of als PDF Verkeerd document? Gratis ruilen 4,6 TrustPilot
logo-home
Document preview thumbnail
Voorbeeld 4 van de 90 pagina's
Samenvatting

Samenvatting biologie, genetica en embryologie (D013255A)| Biomedische wetenschappen | UGent |

Document preview thumbnail
Voorbeeld 4 van de 90 pagina's

Gedetailleerde, volledige en correcte samenvatting van het vak Biologie, Genetica en Embryologie van de eerste bachelor Biomedische Wetenschappen aan de Universiteit Gent. Het document bevat voor elk afzonderlijk vak een uitgebreide en complete samenvatting van de leerstof. Bij Biologie worden de verschillende onderwerpen uitgebreid besproken, met voldoende voorbeelden en een duidelijke uitleg van alle belangrijke modelorganismen die besproken worden in de cursus. Daarnaast zijn alle eerdere examenvragen opgenomen en volledig beantwoord, waardoor je gericht kunt oefenen voor het examen. Bij genetica wordt elk hoofdstuk overzichtelijk en volledig uitgelegd, aangevuld met verschillende voorbeeldoefeningen om de leerstof toe te passen en de vraagstukken onder de knie te krijgen. Voor embryologie bevat het document een duidelijke samenvatting van de leerstof, aangevuld met een overzicht van alle verschillende technieken die tijdens de lessen aan bod kwamen. Deze samenvatting is ideaal als voorbereiding op het examen en helpt je om zowel de theorie als de verschillende casussen en examenvragen grondig in te oefenen. De documenten werden door mij en medestudenten gebruikt ter voorbereiding op het examen en we hebben het examen met glans volbracht (+16/20)!

Voorbeeld van de inhoud

BIOLOGIE – evolutie
1. Structuur en functie -> cellen en weefsels, bouw en ontwikkeling, …
2. Informatie -> genetica, humane moleculaire genetica, moleculaire biologie, biochemie, …
-> DNA en RNA -> alle organismen hebben het gemeen + geven info door op generaties
-> is stabiel (generaties behouden) en dynamisch (evolutie)
3. Energie en materie -> moleculaire biologie, biochemie, metabolisme (energie omzetten)
4. Regulatie en homeostase -> algemene en stelselmatige fysiologie, metabolisme, …
-> alle levende organismen kunnen zich aanpassen op 2 manieren
- Intern -> fysiologie
- Extern -> reageren op externe stimulus
5. Evolutie -> alle levende organismen evolueren
-> biologie is heel breed -> ecosystemen, weefsels, bacterie, …

Proto-evolutieleer…
Anaximander -> zei dat de mens wss ontstond uit vissen gemaakt uit modder
-> vissen zijn op het land gekropen en geëvolueerd tot mens
Aarde in het begin -> 1 grote vuurbal… nu: vooral water

Aristoteles -> treden van het leven
= onderste treden zijn aarde, grond daarboven, dan planten, dan dieren, de mens, hemel, engelen en God

Gradualisme
18e eeuw -> James Hutton grondlegger die grondlagen bestudeerde
→ Hij zag dat aardlagen en verschuivingen evolutie kennen (erosie, aardbevingen, …)
→ door veranderingen bestaat de aarde al langer dan we denken

Catastrofisme
→ Georges Cuvier dacht dat er organismen waren onder de aarde en uitsterven
→ God zou ‘opnieuw’ beginnen en nieuwe organismen maken omdat vorige niet goed genoeg waren
→ spreekt totaal niet over evolutie
→ ‘God schept de dieren zoals ze zijn’

+ grondlegger paleontologie
= bestuderen van fossielen -> vond fossielen van dieren die nu niet meer bestaan
Vb: fossielen in Antwerpen gevonden van in de zee -> men weet dat er vroeger wss een oceaan daar was

Lamarckisme (transformatietheorie) – spreekt wel over evolutie
→ nek van giraf verandert door evolutie
→ velen geloven hem niet want hij spreekt God tegen
→ zegt dat evolutie en concreet doel heeft… klopt natuurlijk niet

Charles Darwin…
-> vader wou dat hij arts werd maar hij kon niet tegen bloed -> wou geen geneeskunde doen maar was
geïnteresseerd in de natuur -> studie dominee -> vertrok op reis in opdracht -> bekijkt de natuur
-> hij bekeken soorten over de hele wereld… ze zagen er anders uit dan in Amerika

Hij zag veel verschillende soorten vinken maar ze leken toch allemaal op elkaar
→ zouden gemeenschappelijke voorouder moeten hebben
→ hoe je van 1 afstamming verschillende elementen krijgt durfde hij niet te publiceren want hij
spreekt God tegen

Descent with modification = afstamming met kleine aanpassingen




1

,‘Essay of the principle of population’ -> mens maakt te veel nakomelingen om op aarde te zetten
-> oorlogen, ziektes, … zijn nodig om te minderen

The Origin Of Spieces: descent with modification
1. The unity of life -> al het leven lijkt op elkaar
2. The diversity of life -> veel verschillen afhankelijk van de omgeving
3. The striking ways for life
-> organismen zijn aangepast aan hun omgeving

Darwin’s Focus on Adaptation: descent with modification
→ hij keek naar opgegraven fossielen en zag evolutie
→ legde verbonden tussen levende organismen

Natuurlijke selectie en aanpassing
→ Binnen een populatie is er vaak veel variatie (vb: lieveheersbeestjes)
→ Alle organisme produceren veel meer nakomelingen dan de omgeving aankan (er moet selectie
gebeuren want ze kunnen niet allemaal overleven)

Natuurlijke Selectie – 2 conclusies
→ Individuen waarvan de erfelijke eigenschappen hen in een bepaalde omgeving een grotere kans
geven om te overleven en zich voort te planten, hebben de neiging meer nakomelingen achter te
laten dan andere individuen
→ Deze ongelijke kans om te overleven en zich voort te planten leidt er, over opeenvolgende
generaties, toe dat gunstige eigenschappen zich opstapelen in de populatie
-> survival of the fittest
Vb: 2 gecamoufleerde motten -> je ziet ze bijna niet zitten -> dit is NIET DOELBEWUST, maar TOEVAL
-> ze worden minder snel opgegeten en geven hun kleur mee aan hun nakomelingen = evolutie

De variatie moet genetisch zijn !! -> dan kan er selectie optreden




Directionele selectie
= wanneer generatie na generatie eenzelfde selectiedruk dezelde genotypes bevoordeelt
→ zorgt voor fenotypische veranderingen in een populatie = micro-evolutie
Vb: nek giraffen -> evolutie op populatieniveau, niet per organisme !!
-> evolutie naar rechts -> meer groene kleur dan rood over lange tijd




2

,Stabiliserende selectie
= bestendigt generatie na generatie de ‘gemiddelde’ kenmerktoestanden
→ verlaagt de genotypische diversiteit
→ ‘gaat zichtbare evolutie tegen’
Vb: legselgrootte: indien te veel nakomelingen -> lagere overlevingskans -> indien te
weinig -> lage ‘fitness’, geboortegewicht


Disruptieve selectie -> specialisatie
→ bevoordeelt ‘extreme’ kenmerkstoestanden
→ sterke ‘driver’ van evolutie
→ maakt soortvorming mogelijk binnen een populatie waarbinnen gene flow perfect
mogelijk is (sterk in combi met assortive mating)
→ groep met veel variatie waarbij uitersten een voordeel hebben
= sympatrische soortvorming
Vb: snavels van vinken -> ene snavel is beter voor noten te breken, de andere voor blaadjes
te prikken


Seksuele selectie
→ Intraseksuele selectie vs interseksuele selectie
- Intraseksuele = competitie tussen individuen van hetzelfde geslacht
- vb: vrouwtjes vallen op sterkere mannen en overleven het langst
- Interseksuele = voorkeur van het ene geslacht voor bepaalde kenmerken bij het andere
geslacht – vb: herten vechten tegen elkaar met gewei om omgeving te beschermen
→ Handicap-hypothes
-> Voordeel gigantische staart / pluimen / hoorns = handicap -> als je hiermee kunt overleven
bewijs je dat je extra sterk bent -> zwakkere worden uitgeselecteerd

Kunstmatige selectie = door de mens -> veel verschillende soorten ontstaan
→ kunstmatige verkleining door selectie op uiterlijk
→ = sire effect -> genetic bottleneck -> inteeltdepressie
Vb: vele hondenrassen hebben problemen wan ze zijn gekweekt op uiterlijke kenmerken maar dus ook de
negatieve -> die geven ze door aan hun nakomelingen = inteeltdepressie = vernauwing variatie
-> ook bij koolsoorten, dus op planten -> broccoli kweken op basis van plantendelen

Genetische drift – random changes
→ toevallige veranderingen in allelfrequenties
→ invloedrijk op kleine populaties + is spontaan
→ variatie treedt enkel toe waar het ingrijpt (vb: roken op de longen)

Bottleneck effect
= als populatie sterk afneemt door externe gebeurtenis, niet alle individuen overleven en de genetische
samenstelling van de overlevende is niet representatief aan de oorspronkelijke populatie

Voorbeelden bottleneck effect:
Gejaagd op neushoorns voor de hoorns -> weinig overlevende
-> toevallig sperma bewaard -> via ivf overlevende vrouwtjes proberen te
bevruchten -> geen genetische variatie omdat er zo weinig individuen
overblijven = inteeltdepressie veroorzaakt
-> gevoelig aan ziekten, grote kans op uitsterving als omgeving niet verandert

Voorbeeld bottleneck effect op mensen:
Eiland Pingelap bij Australië werd getroffen door een grote tsunami -> koning overleefde en die heeft
achromatopsie (soort kleurenblind) -> nu heeft 15% van de bevolking deze aandoening ook



3

, Founder effect
= als een kleine groep individuen zich afscheidt van een grotere populatie en een nieuwe populatie sticht
in een nieuw gebied

Voorbeeld founder effect:
Amish-populatie is een groep gesticht door een kleiner aantal individuen. Door beperkte genenstroom
komen erfelijke aandoeningen (Ellis- van Creveld syndroom) vaker voor dan in een algemene bevolking.


BELANGRIJK:
1. selectie kan enkel gebeuren op bestaande variatie (evolutie heeft geen concreet doel <->
Lamarck) + hoe minder variatie, hoe gevoeliger de soort is
2. evolutie wordt beperkt door de omstandigheid
3. aanpassingen zijn vaak compromissen (voor- en nadelen)
4. toeval, natuurlijke selectie en omgeving interageren
→ evolutie is NIET doelgericht


HET ONTSTAAN VAN SOORTEN:
Soort = een groep van natuurlijke populaties waarvan de individuen zich onderling kunnen voortplanten
en levensvatbaar, vruchtbaar nageslacht voortbrengen, maar die reproductief geïsoleerd zijn van andere
dergelijke groepen.




*veel soorten uitgestorven (99%)

Allopatrische soortvorming – barrièrevorming
= populaties worden geografisch gescheiden van elkaar waardoor genenuitwisseling stopt
-> onafhankelijke evolutie in beide groepen: 2 verschillende soorten
Vb: verschillende zeekreeftjes in een grote oceaan, ze evolueren maar duidelijk te zien dat ze van dezelfde
voorouder zijn = tweelingsoorten

Parapatrische soortvorming – gedeeltelijk gescheiden
= populaties leven naast elkaar, maar de genenstroom is beperk door ecologische verschillen (voorkeur /
niche) -> vaak met overgangszones

Sympatrische soortvorming – samenlevend
= zonder geografische scheiding door vb verschillende voorplantingstijd of partnerkeuze
Vb: verschillende soorten vissen afhankelijk van diepte of etensvoorkeuren bij vinken




4

Documentinformatie

Geüpload op
31 augustus 2026
Aantal pagina's
90
Geschreven in
2025/2026
Type
Samenvatting
€15,99

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kan je een ander document kiezen. Je kan het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Verkocht
0
Volgers
0
Items
8
Laatst verkocht
-



Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via Bancontact, iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo eenvoudig kan het zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen