3. ARTICULATIONES INTERVERTEBRALES
Occiput- atlas
= art. atlanto-occipitalis
Atlas-axis
= art. atlantoaxialis
3.1 GEWRICHTEN TUSSEN CORPORA VERTEBRAE C2-L5
= juncturae cartilagineae
Gewrichtsvlakkken bedekt hyalien kraakbeen
Discus intervertebralis (tussenwervelschijf)
Secundaire synchondrosen/ symfysen (tss 2 botten kleine
holte met vocht / fibreus-kraakbeenachtige tussenstof)
Nog additionele gewrichten
De uncovertebrale gewrichten = gewrichten van Von Luschka
3.1.1 LIG. LONGITUDINALE ANTERIUS
= band van longitudinale vezels
Van pars basilaris (os occipitale)- facies pelvina v sacrum
Verbreed van boven- > onder (dikst: thoracale streek)
Innig vergroeid met disci intervertebrales, doch betrekkelijk los aan voorzijde van wervellichamen
3.1.2 LIG. LONGITUDINALE POSTERIUS
Dubbel gelaagde band
Ventraal in de canalis vertebralis, vanaf corpus v axis tot canalis sacralis
Versmalt boven -> onder (thv cervicale- thoracale wervels = regelmatig breed - thv lumbale wervels
getand: breed op discus- smal op lichaam)
Vast verbonden met disci (minder met de randen van wervellichamen)
3.1.3 DISCUS INTERVERTEBRALIS
Schijf tussen corpora vertebrae (+ innig verbonden)
bestaat uit:
o analus fibrosus (lamellair gerangschikte vezels van collageen bindweefsel)
o nucleus pulposus (waterige, enigszins geleiachtige massa)
+/- 1/5 van totale lengte WK
verdikt boven -> onder
o Dikst thv cervicaal-lumbair segment + dikker ventraal dan dorsaal -> lordosestand
o thoracale streek: nagenoeg even dik, kyfosering is daar te wijten aan wigvorm van corpora
vertebrae
, analus fibrosus
vezels - verschillende richtingen => beperkte bewegingen wervellichamen tegenover elkaar
controleren
overmatige bewegingen van anulus verhinderd door ligamenten (ligg. Longitudinale anterius +
posterius - thoracale streek: lig. Intra-articulare costovertebrale: tss rib-wervel)
gevoed: buitenrand- bloedvaten + bloed-lymfevaten van omliggend kraakbeen (vasculaire
voorzienig)
nucleus pulposus
Gelatineuze massa (80% water, mucopolysachariden, kraakbeencellen + chordacellen) -> 10/20 e
levensjaar verandert: fibreus kraakbeen
centraal, iets dorsaal gelegen
aan een bestendige druk onderhevig -> niet samendrukbaar -> druk overgebracht ganse discus ->
anulus fibrosus onder continue spanning
nucleus: zekere expansiekracht, drukabsorberend + drukverdelende functie
analus fibrosus: veerkracht van ganse discus
3.1.4 DE UNCOVERTEBRALE GEWRICHTEN (GEWRICHTEN VAN VON LUSCHKA)
Halswervelkolom ontstaan tss 6e-10e levensjaar: transversale scheurtjes
laterale kanten: bewegelijke verbinding met de omhoogstaande randen v de wervellichamen =
processus uncinati
door slijtage + wrijving -> opp na verloop van tijd: glad + krijgen gewrichtsachtig karakter
pseudoarthrosen (door ontbreken gewrichtskapsel + gewrichtsvocht)
3.2 VERBINDINGEN TSS LAMINAE ARCUS VERTEBRALIS
= verbinding door processus articulares
Verstevigd door ligg. Flava, supraspinale, intraspinalia en intertransversaria
3.2.1 DE JUNCTURAE ZYGAPOPHYSEALES
Synoviaal gewricht (art plana, diarthrosis)
Omringd door dun, los naar onder toe verstevigend gewrichtskapsel (waar
het aanleunt tegen ligg. flava, bezit het kapsel een hoog gehalte aan
elastische vezels)
Meniscusachtige plooivormingen -> verhogen bewegelijkheid
3.2.1.1 DE LIGG. FLAVA
Gele kleur -> aanwezigheid elastische vezels , vormen dorso-
laterale wand van canalis vertebralis
Liggen verticaal tss respectievelijke laminae, vanaf de
processus articulares
-> dorsaal een spleet: doorgang veneuze bloedvaten
, Controleren beweging van laminae tov elkaar bij vooroverbuigen + actief bij oprichten WK
3.2.1.2 HET LIG. SUPRAPSINALE
Meerlagig – elastische vezels
Processus spinosus van 7e halswervel – os sacrum
Lig. nuchae (erboven) -> tot protuberantia occipitalis externa
(driehoekig – saggitaal vlak)
-> tss protuberantia, tuberculum posterius atlantis + vertebra
prominens (=C7)
-> septum intermusculare – aanhechtingspunt nekspieren
3.2.1.3 DE LIGG. INTERSPINALIA
Korte/ eerder membraneuze banden
Tss respectievelijke proceccesus spinosi
Leunen aan tegen – langs voor: ligg. flava – achter: lig. supraspinale
In halsgebied = matig ontwikkeld
3.2.1.4 DE LIGG. INTERTRANSVERSARIA
Verbinden de aanhalende processus transversi
3.3 DE ART. ATLANTO-OCCIPITALIS
= artt. Ellipsoïdeae
Gewrichtsvlakken
Concaaf: fovea articularis atlantis superiores
Convex: condyli occipitales
Omgeven -> los gewrichtskapsel
Membrana atlanto-occipitalis anterior
o Brede bindweefselplaat
o Voorste boord foramen magnum -arcus atlantis anterior
Occiput- atlas
= art. atlanto-occipitalis
Atlas-axis
= art. atlantoaxialis
3.1 GEWRICHTEN TUSSEN CORPORA VERTEBRAE C2-L5
= juncturae cartilagineae
Gewrichtsvlakkken bedekt hyalien kraakbeen
Discus intervertebralis (tussenwervelschijf)
Secundaire synchondrosen/ symfysen (tss 2 botten kleine
holte met vocht / fibreus-kraakbeenachtige tussenstof)
Nog additionele gewrichten
De uncovertebrale gewrichten = gewrichten van Von Luschka
3.1.1 LIG. LONGITUDINALE ANTERIUS
= band van longitudinale vezels
Van pars basilaris (os occipitale)- facies pelvina v sacrum
Verbreed van boven- > onder (dikst: thoracale streek)
Innig vergroeid met disci intervertebrales, doch betrekkelijk los aan voorzijde van wervellichamen
3.1.2 LIG. LONGITUDINALE POSTERIUS
Dubbel gelaagde band
Ventraal in de canalis vertebralis, vanaf corpus v axis tot canalis sacralis
Versmalt boven -> onder (thv cervicale- thoracale wervels = regelmatig breed - thv lumbale wervels
getand: breed op discus- smal op lichaam)
Vast verbonden met disci (minder met de randen van wervellichamen)
3.1.3 DISCUS INTERVERTEBRALIS
Schijf tussen corpora vertebrae (+ innig verbonden)
bestaat uit:
o analus fibrosus (lamellair gerangschikte vezels van collageen bindweefsel)
o nucleus pulposus (waterige, enigszins geleiachtige massa)
+/- 1/5 van totale lengte WK
verdikt boven -> onder
o Dikst thv cervicaal-lumbair segment + dikker ventraal dan dorsaal -> lordosestand
o thoracale streek: nagenoeg even dik, kyfosering is daar te wijten aan wigvorm van corpora
vertebrae
, analus fibrosus
vezels - verschillende richtingen => beperkte bewegingen wervellichamen tegenover elkaar
controleren
overmatige bewegingen van anulus verhinderd door ligamenten (ligg. Longitudinale anterius +
posterius - thoracale streek: lig. Intra-articulare costovertebrale: tss rib-wervel)
gevoed: buitenrand- bloedvaten + bloed-lymfevaten van omliggend kraakbeen (vasculaire
voorzienig)
nucleus pulposus
Gelatineuze massa (80% water, mucopolysachariden, kraakbeencellen + chordacellen) -> 10/20 e
levensjaar verandert: fibreus kraakbeen
centraal, iets dorsaal gelegen
aan een bestendige druk onderhevig -> niet samendrukbaar -> druk overgebracht ganse discus ->
anulus fibrosus onder continue spanning
nucleus: zekere expansiekracht, drukabsorberend + drukverdelende functie
analus fibrosus: veerkracht van ganse discus
3.1.4 DE UNCOVERTEBRALE GEWRICHTEN (GEWRICHTEN VAN VON LUSCHKA)
Halswervelkolom ontstaan tss 6e-10e levensjaar: transversale scheurtjes
laterale kanten: bewegelijke verbinding met de omhoogstaande randen v de wervellichamen =
processus uncinati
door slijtage + wrijving -> opp na verloop van tijd: glad + krijgen gewrichtsachtig karakter
pseudoarthrosen (door ontbreken gewrichtskapsel + gewrichtsvocht)
3.2 VERBINDINGEN TSS LAMINAE ARCUS VERTEBRALIS
= verbinding door processus articulares
Verstevigd door ligg. Flava, supraspinale, intraspinalia en intertransversaria
3.2.1 DE JUNCTURAE ZYGAPOPHYSEALES
Synoviaal gewricht (art plana, diarthrosis)
Omringd door dun, los naar onder toe verstevigend gewrichtskapsel (waar
het aanleunt tegen ligg. flava, bezit het kapsel een hoog gehalte aan
elastische vezels)
Meniscusachtige plooivormingen -> verhogen bewegelijkheid
3.2.1.1 DE LIGG. FLAVA
Gele kleur -> aanwezigheid elastische vezels , vormen dorso-
laterale wand van canalis vertebralis
Liggen verticaal tss respectievelijke laminae, vanaf de
processus articulares
-> dorsaal een spleet: doorgang veneuze bloedvaten
, Controleren beweging van laminae tov elkaar bij vooroverbuigen + actief bij oprichten WK
3.2.1.2 HET LIG. SUPRAPSINALE
Meerlagig – elastische vezels
Processus spinosus van 7e halswervel – os sacrum
Lig. nuchae (erboven) -> tot protuberantia occipitalis externa
(driehoekig – saggitaal vlak)
-> tss protuberantia, tuberculum posterius atlantis + vertebra
prominens (=C7)
-> septum intermusculare – aanhechtingspunt nekspieren
3.2.1.3 DE LIGG. INTERSPINALIA
Korte/ eerder membraneuze banden
Tss respectievelijke proceccesus spinosi
Leunen aan tegen – langs voor: ligg. flava – achter: lig. supraspinale
In halsgebied = matig ontwikkeld
3.2.1.4 DE LIGG. INTERTRANSVERSARIA
Verbinden de aanhalende processus transversi
3.3 DE ART. ATLANTO-OCCIPITALIS
= artt. Ellipsoïdeae
Gewrichtsvlakken
Concaaf: fovea articularis atlantis superiores
Convex: condyli occipitales
Omgeven -> los gewrichtskapsel
Membrana atlanto-occipitalis anterior
o Brede bindweefselplaat
o Voorste boord foramen magnum -arcus atlantis anterior