Titel I: Algemeen
Hoofdstuk 1 – situering van het handels-, economisch en ondernemingsrecht
§1 Begrippen handelsrecht, economisch recht en ondernemingsrecht
Inleiding
- Het economisch recht omvat vandaag het ‘oude’ handelsrecht.
- Sinds 1 november 2018 is het handelsrecht formeel afgeschaft door de Wet houdende hervorming
van het ondernemingsrecht.
Wat veranderde er in 2018?
- Afschaffing van: Het begrip “handelaar”
- Invoering van: Een nieuw algemeen begrip: “onderneming”
De vroegere regels die van toepassing waren op handelaars zijn grotendeels behouden gebleven,
maar worden nu gekoppeld aan het begrip onderneming!
Vroeger: handelsrecht, Nu: meestal economisch recht of ondernemingsrecht
Formeel bestaat het handelsrecht niet meer, maar inhoudelijk leven veel regels verder binnen het
economisch recht.
Overgangsregeling:
Transacties tot en met 31 oktober 2018 vallen nog onder het ‘oude’ handelsrecht.
Vanaf 1 november 2018 geldt het nieuwe systeem met het ondernemingsbegrip.
Hoewel het begrip “onderneming” centraal staat, is het niet altijd eenduidig:
De betekenis verschilt naargelang het deelgebied van het economisch recht
Er bestaan verschillende invullingen: op federaal niveau en op Europees niveau
Dit kan het systeem complex maken.
Dubbele functie Economisch recht
Privaatrechtelijke component (faciliterende functie)
“Het economisch recht (vroegere handelsrecht) bevat enerzijds regelen van privaatrecht die van toepassing zijn
op verrichtingen van ondernemingen en zijn erop gericht transacties tussen ondernemingen soepel en efficiënt
te laten verlopen.”
→ Dit sluit aan bij de vroegere faciliterende functie van het handelsrecht.
Het oude handelsrecht bevatte spelregels die het ondernemingen mogelijk maakten om op een
eenvoudige en vlotte manier met elkaar te handelen.
Ondernemingen (vroeger: handelaars) worden geacht ervaren marktdeelnemers te zijn.
Daarom hebben zij in principe geen bijzondere bescherming nodig zoals consumenten.
De regels zijn dus vooral bedoeld om transacties praktisch en efficiënt te organiseren.
Organiserende en sturende component
“Het economisch recht omvat anderzijds de regelen van publiek en privaat recht die er specifiek toe strekken de
economische activiteit te organiseren met het oog op de verwezenlijking van een economische ordening en een
economisch sturingsbeleid.”
→ Dit gaat verder dan louter faciliteren.
1
, Het betreft een geheel van gebods- en verbodsbepalingen.
Deze regels bepalen wat ondernemingen mogen en niet mogen doen.
Het gaat vaak om dwingend recht: men kan er contractueel niet van afwijken.
Ze dienen om de economie te structureren en te sturen in functie van het AB
Economisch recht omvat:
1. Regelen van privaatrecht gericht op efficiënt en soepel verkeer
Vb. Bewijs en hoofdelijkheid
a) Bewijs
In het burgerlijk recht geldt in principe een strikte bewijsregeling
In het ondernemingsrecht is het bewijs vrij:
bewijs kan geleverd worden met alle middelen van recht
geen strikte vormvereisten zoals in het gemeen recht
→ Doel: ondernemingen moeten soepel en snel kunnen handelen en onderhandelen.
b) Hoofdelijkheid
Dit staat tegenover de schuldsplitsing uit het burgerlijk recht.
Schuldsplitsing: Wanneer 3 schuldenaars verbonden zijn, kan de SE per persoon slechts zijn deel (bv.
1/3) vorderen.
Hoofdelijkheid (in ondernemingscontext): De SE kan volledige bedrag bij 1 SA verhalen.
→ Dit versterkt de positie van de SE en bevordert het economisch verkeer.
⚠️ regel is suppletief recht: Partijen kunnen er van afwijken en toch schuldsplitsing voorzien.
2. Regelen van publiek recht, veelal gericht op sturing
Nastreven van economische doeleinden van conjuncturele aard of van structurele aard (vb. organisatie markt,
mededingingsrecht)
a) Maatregelen van conjuncturele aard
Tijdelijke maatregelen
Gericht op het oplossen van een concreet, actueel economisch probleem
Vb. sterke stijging van energieprijzen → uitbreiding van het sociaal tarief voor energie.
→ Doel: economische correctie op korte termijn.
b) Maatregelen van structurele aard
Gericht op lange termijn
Regelen de organisatie van de markt
Vb. mededingingsrecht:
Principieel verbod op kartelafspraken, Verbod op prijsafspraken, Verbod
op marktverdelingsafspraken
→ Doel: vrije en eerlijke concurrentie garanderen zodat de markt goed kan functioneren.
3. Regelen van privaatrecht gericht op ordening
Bescherming van rechtmatig geachte belangen (vb. consumentenbescherming, eerlijke concurrentie,
bescherming tussenpersonen, intellectuele eigendomsrechten)
a) Consumentenbescherming: C als zwakke partij Veel dwingende beschermingsregels
b) Eerlijke concurrentie Ondernemingen mogen concurreren, maar enkel op een eerlijke wijze
c) Bescherming tussenpersonen
d) Intellectuele eigendomsrechten
2
, Sturing tav andere rechtstakken: vennootschapsrecht & financieel recht
§2 Bronnen van het handels- en economisch recht
• Internationale bronnen
• Nationale bronnen
• Wetgevende macht
• Uitvoerende macht
• Beleidsovereenkomsten
INTERNATIONALE BRONNEN
= Verdragen die regeling inhouden voor het internationale economisch ruilverkeer.
spelregels voor het grensoverschrijdend aanbieden van goederen en diensten.
3 SOORTEN VERDRAGEN:
(1) Verdragen voor internationaal economisch ruilverkeer
Regelen het grensoverschrijdend verkeer van goederen en diensten.
Voorbeeld: WTO (World Trade Organization)
De WTO bestaat uit 4 belangrijke componenten:
GATT (General Agreement on Tariffs and Trade) → verkeer van goederen
GATS (General Agreement on Trade in Services) → aanbieden van diensten
TRIPS (Trade-Related Aspects of Intellectual Property Rights) → bescherming van IER
DSU (Dispute Settlement Understanding) → mechanisme voor geschillenbeslechting mbt GAT, GATS,
TRIPS tussen lidstaten
o Beslissingen van WTO-panel kunnen in beroep bij de Appellate Body.
o Vandaag is dat systeem verlamd omdat er minstens 3 rechters nodig zijn en de VS de
benoeming van nieuwe rechters blokkeert.
GATT – Basisprincipes
1. Meestbegunstiging (Most Favoured Nation)
Een voordeel toegekend aan 1 WTO-lid moet aan alle leden worden toegekend.
- Vb: Als 2 landen onderling hun douanerechten met 10% verlagen, moet dit in principe ook gelden voor
alle andere WTO-leden.
Uitzondering: Vrijhandelszones of douane-unies (bv. EU).
2. Non-discriminatie
Geïmporteerde goederen en binnenlandse goederen moeten gelijk behandeld worden.
Douanerechten zijn wel toegestaan, maar:
Lidstaten hebben binnen de WTO afspraken gemaakt over maximale tarieven.
Die tarieven liggen vast (bv. uniform buitentarief binnen de EU).
Verhogingen soms gerechtvaardigd via uitzonderingen (vb nationale veiligheid Trump)
3. Verbod van kwantitatieve beperkingen
Invoer- en uitvoerbeperkingen zijn in principe verboden.
Uitzonderingen zijn mogelijk, bv.: tijdelijke exportbeperking bij dreigend tekort aan essentiële
goederen (zoals voedsel)
4. Reductie van douanerechten
Geen volledig verbod, maar een streven naar vermindering van douanerechten
Naast het multilaterale WTO-kader bestaan talrijke bilaterale of regionale handelsakkoorden. (Vb.:
Handelsakkoorden met Mercosur)
3
, EERLIJKE CONCURRENTIE (internationaal kader – WTO)
Naast de basisprincipes van GATT bevat het WTO-recht ook regels om oneerlijke concurrentie in het int’le
handelsverkeer tegen te gaan, met name inzake dumping en subsidies
1. Dumping
= goederen beneden hun normale waarde op de markt brengen.
Voorbeeld:
- Een product wordt in land A verkocht aan 50.
- Bij export naar de EU zou de prijs normaal hoger moeten zijn (transportkosten).
- Als het product in de EU goedkoper wordt verkocht dan in land A → dumping.
Belangrijk:
Dumping is op zich niet verboden.
Het wordt pas problematisch wanneer het ernstige schade toebrengt aan een volledige bedrijfstak in
het invoerende land.
o Niet wanneer slechts 1 onderneming schade lijdt.
Probleemstructuur
Dumping gebeurt door ondernemingen & WTO-regels richten zich tot staten.
Mogelijke actie: anti-dumpingrechten
Het invoerende land mag anti-dumpingrechten opleggen:
Dit zijn tijdelijke bijkomende douanerechten.
Ze verhogen de invoerprijs zodat concurrentievervalsing wordt geneutraliseerd.
Ze mogen niet hoger zijn dan de dumpingmarge.
2. Subsidies
= voordelen verstrekt door staten aan ondernemingen.
A. Per se verboden subsidies
1. Exportsubsidies → Voordelen gekoppeld aan exportprestaties.
2. Local content subsidies → Voordelen toegekend op voorwaarde dat lokaal geproduceerde onderdelen
worden gebruikt (ondermijnt vrije int’le handel)
zijn automatisch verboden (want verstoren sws de vrije int’le concurrentie)
B. Andere subsidies (“actionable subsidies”)
Niet automatisch verboden, want staten hebben soms legitieme redenen om te subsidieren (vb. innovatie,
groene energie, crisismaatregelen…)
Ze worden pas problematisch wanneer ze:
Ernstige schade toebrengen aan een bedrijfstak in een andere LS.
Mogelijke reactie: “countervailing measures”
= vergeldende maatregelen, meestal in de vorm van verhoogde douanerechten.
Doel:
Het neutraliseren van het voordeel dat door de subsidie werd gecreëerd.
De marktprijs terugbrengen naar de normale prijs
KORT:
Subsidies zijn (soms) verboden omdat zij ondernemingen een kunstmatig concurrentievoordeel geven, waardoor
de int’le handel w verstoord en ernstige schade kan w toegebracht aan een buitenlandse bedrijfstak
4