2026
Revalidatie en
kinesitherapie bij
kinderen
DEEL 1: ONDERZOEK EN BEHANDELING
,Klinisch redeneren en taakgericht
werken in de pediatrie
Gemiddelde dag van een kind:
- Thuis (bv. Bij het aankleden, of bij het gebruiken van bestek tijdens het
eten).
- Op school (bv. Tijdens het schrijven, of tijdens de lessen lichamelijke
opvoeding).
- Tijdens georganiseerde sport.
- Tijdens recreatieve activiteiten (bv. Wanneer ze met vrienden spelen, of
knutselen)
1. HET KLINISCH REDENEERPROCES: PRINCIPES
1) Hypothese gestuurd: je hebt altijd hypotheses gebasseerd obv de kennis
(2e bach, 3e bach).
2) De hulpvraag als uitgangspunt
3) Verhoogde participatie (ICF) als doel
4) Contextsensitief: alles rond het kind bekijken
5) Gedeelde besluitvorming: nooit in je eentje beslissen, altijd in
samenspraak met cliënten.
6) Taakgerichte therapie: Activiteiten en participatie, waar we kunnen kiezen
we voor taakgericht.
2. KLINISCH REDENEREN
10 stappen om klinisch te redeneren in de therapie:
2.1. STAP 1: AANMELDING
Verwijsbrief van een arts: Leeftijd, geslacht, reden van doorverwijzing/diagnose.
Opbouw van kader (eerste hypothese) van het kind (jongere):
1) Chronologische leeftijd: verwachte ontwikkelingsfase (motorisch,
cognitief, emotioneel) in ICF-termen: functies-activiteiten-participatie.
Meteen als je een leeftijd ziet moet je je kennis toepassen)
2) Primaire en secundaire stoornissen en (motorische) beperkingen
gerelateerd aan de medische diagnose.
3) Hoe zullen de contextuele omstandigheden een rol spelen? Veel
kinderen in het gezin, alleenstaande moeder, …
1
, Voorbeeld: James, kind met algemene ontwikkelingsactherstand (vermoeden
DCD), 5 jaar, is aangemeld. Mama is Caroline Johnson, zij heeft recent een
diagnose ADD gekregen. Wat verwacht je van James?
1) Leeftijd: hij moet nog naar het eerste leerjaar, dus vorobereiding
schrijven, …
2) DCD: Coördinatiepathologie, aangeboren, problemen misschien met
grof en fijn motoriek.
3) Context: Mama heeft ADD – vaak voorkomende comorbiditeit van
DCD. Misschien heeft het kind ook comorbiditeiten, want DCD heeft veel
comorbiditeiten.
Nu hebben we al een eerste hypothese gevormd.
2.2. STAP 2: ANAMNESE
We gaan breed informatie verzamelen:
- Alarmsignalen opzoeken (Is er nog meer te zien dan DCD?)
- Contextuele factoren in kaart brengen (Mama, stedelijk, fietsen, broers en
zussen)
- Empatisch luisteren en observeren.
- Hulpvraag bepalen
Een overeenstemming betreft de verwachte resultaten van het kind en de
familie.
Toegepast op James:
Hulpvraag: Motorische ontwikkeling (zowel fijn- als grofmotorisch) stimuleren
zodat hij mee kan in de klas. Is dit een haalbare doelstelling?
Hiervoor moeten we de prognose van de pathologieën kennen. Bv: kind met
DCD wil op hoog niveau basketbal spelen Kind kan wel basketbal spelen,
maar waarschijnlijk niet op een hoog niveau.
KR prognose (dit wetten we op basis van literatuur):
- Met de juiste ondersteuning kunnen kinderen met DCD fijn- en
grofmotorisch vaardigheden leren en verbeteren.
- Met de juiste ondersteuning kunnen kinderen met DCD deelnemen aan
het regulier onderwijs.
2.3. STAP 3: HYPOTHESEVORMING
- Klinische werkdiagnose
- Kennis van de prognose
2