Geschreven door studenten die geslaagd zijn Direct beschikbaar na je betaling Online lezen of als PDF Verkeerd document? Gratis ruilen 4,6 TrustPilot
logo-home
Document preview thumbnail
Voorbeeld 10 van de 35 pagina's
Samenvatting

Functieleer (deel 2 - deel Taalpsychologie) Samenvatting

Document preview thumbnail
Voorbeeld 10 van de 35 pagina's

Zeer volledige samenvatting van de lessen uit het deel Taalpsychologie van Functieleer (deel 2). Meteen geslaagd in eerste zittijd dankzij deze samenvatting (15/20).

Voorbeeld van de inhoud

functieleer (2) – taalpsychologie


HS 2: het semantisch geheugen
hoe we woorden en de betekenis ervan representeren en opslagen in het geheugen


2.0 SITUERING VAN HET SEMANTISCH GEHEUGEN


2.0.1 het geheugenmodel: drie verschillende geheugensystemen
1968: Atkinson en Shi,rin stellen model voor menselijk geheugen voor, vandaag nog steeds relevant
drie grote componenten:
(1) zintuiglijk geheugen
(2) kortetermijngeheugen
(3) langetermijngeheugen: bewaarplaats waar informatie lange tijd blijft zonder enige inspanning




2.0.2 structuur van het langetermijngeheugen
opdeling tussen impliciet en expliciet:
impliciet informatie over hoe iets te doen
(procedureel) vb: hoe fietsen, hoe veters knopen, …
expliciet alle informatie die intentioneel opgeroepen kan worden
(declaratief) episodisch herinneringen aan specifieke, autobiografische gebeurtenissen
geheugen
semantisch geaccumuleerde kennis, tijdstip en plaats van verwerving niet mee
geheugen geëncodeerd: alles waarvan we niet meer weten wanneer, hoe, waar
we precies die informatie verworven hebben
vb: Parijs is de hoofdstad van Frankrijk, betekenis van democratie, …
• feitenkennis
• algoritmen
• regels
• woorden
o woordvormen: geschreven / uitgesproken
o woordbetekenis (= concept waarnaar woord verwijst)




1

,functieleer (2) – taalpsychologie

2.0.3 het semantisch geheugen voor woorden
overzicht semantische concepten:
1) wat zijn de functies van semantische concepten?
2) wat is de interne structuur van semantische concepten?
3) is de hiërarchische organisatie van semantische concepten psychologisch belangrijk?
4) wat kunnen we leren van patiënten met semantische stoornissen?
5) hoe activeren we woordbetekenis bij dubbelzinnige woorden?


2.1 FUNCTIES VAN SEMANTISCHE CONCEPTEN
categorisatie • = opdelen van de wereld in groepen van voorwerpen
• = uitmaken welke dingen al dan niet tot een bep. concept behoren
• wij categoriseren de wereld voortdurend in verschillende verzamelingen, zonder
zou de wereld totale chaos zijn: nood aan categorisatie om objecten, personen,
… te herkennen
• categorisatie is dagdagelijks en vanzelfsprekend (cf. taal): gebeurt automatisch
en is moeilijk uit te leggen (bv. hoe leg je dit uit aan een computerprogramma?)
o vb: betekenis woord ‘stoel’ (al deze – vrij diverse uiteenlopende – dingen
zijn stoelen: autostoel, bureaustoel, kinderstoel, cinemazetel, …)
o wat maakt dat we dit herkennen als een ‘stoel’ is niet louter perceptie,
het is veel meer dan dat
o vb: voorwerpen hebben dezelfde vorm en kleuren komen overeen maar
toch behoren ze tot verschillende concepten (appels vs sportballen)




inductie • semantische concepten vormen de basis van inductieve inferenties van
samenhorende eigenschappen
o vb: object nog nooit gezien -> iemand vertelt je dat dit een fruitsoort is ->
je leidt hieruit af dat je het moet pellen, dat je het kan opeten, dat het zoet
smaakt, dat het aan een boom groeit, …
aanzet tot • semantische concepten creëren én aanpassen
leren o vb: kind leert dat vogels kunnen vliegen, als kind vervolgens leert dat een
pinguïn ook een vogel is, verandert dit het concept ‘vogel’
communicatie • conceptuele combinaties: concepten kunnen ook gecombineerd worden, stelt
ons in staat om creatief te zijn met taal en dingen zeer specifiek te benoemen
• cf. voorbeelden van combinaties die je nog nooit gehoord hebt, maar waarvan je
toch vrij eenvoudig de betekenis kan achterhalen
o vb: vis ONDER oceaan, wolk BOVEN oceaan, boot OP oceaan, water IN
oceaan, kaart VAN oceaan, kennis OVER oceaan




2

,functieleer (2) – taalpsychologie

2.2 INTERNE STRUCTUUR VAN SEMANTISCHE CONCEPTEN
VRAAG: hoe worden semantische concepten gerepresenteerd in ons geheugen?


2.2.1 klassieke visie
• obv oude filosofische ideeën over hoe mensen dingen en gebeurtenissen indelen in categorieën:
om concept te vormen zoeken we definiërende eigenschappen = noodzakelijke en voldoende
voorwaarden opdat iets tot die categorie behoort
• categorieën mentaal gerepresenteerd in termen van noodzakelijke en voldoende
voorwaarden
• iets behoort tot deze categorie als en slechts als het voldoet aan deze criteria
• cf. concept ‘driehoek’ als conjunctie van drie eigenschappen: tweedimensionele geometrische
figuur met drie zijden waarvan de hoeken optellen tot 180°


vanaf jaren ’70 evidentie tegen deze visie in psychologische literatuur, problemen:
• mensen kunnen geen definiërende eigenschappen opsommen, niet altijd eenvoudig om
noodzakelijke en voldoende voorwaarden op te stellen
o illustratie: wat zijn de definiërende eigenschappen van ‘hond’? -> stel: ‘hond’ is een dier
met vier poten -> als een hond een pootje is kwijtgeraakt, is het dan geen hond meer?
-> en wat is dan het verschil met een kat, wolf, vos?
• grenzen van veel semantische concepten niet duidelijk – veel grensgevallen
o vb: ‘meubels’: duidelijk dat tafel, stoel, bed, … meubels zijn maar wat met grensgevallen
zoals koekoeksklok, schilderij, tapijt, …?
o experiment: is dit een ‘meubel’? ja/nee: verschillende mensen geven verschillende
antwoorden en dezelfde mensen geven ook andere antwoorden op een volgend tijdstip
(ookal weet iedereen wat een meubel is) maar onderscheid tussen meubel – geen
meubel blijkt toch moeilijker dan gedacht
o intra- en interindividuele variabiliteit
§ inter: tussen personen grote verschillen welke grensgevallen wel of niet tot de
categorie worden gerekend
§ intra: ook binnen personen vaak verschillen: bij herhaalde aanbieding over tijd
de ene keer een object wel, en de andere keer niet tot categorie gerekend
• prototypicaliteitsbeoordelingen: binnen categorie blijken obv beoordelingen betere en minder
goede voorbeelden te bestaan
o “hoe typisch zijn deze voorbeelden voor dit concept?”
o typicaliteitsgradiënt = mate van overeenkomst binnen en tussen personen
o vb: ‘labrador’ typischere hond dan ‘pomeriaan’
§ niet te verzoenen met klassieke visie die volledig zwart-wit kijkt als wél vs niet
erbij horen – er is geen tussenweg
§ toch is typicaliteit belangrijke variabele: typsiche exemplaren worden vroeger
geleerd door kinderen, vaker gebruikt als voorbeeld, … ➔ een theorie moet dit
dus kunnen verklaren
o wat maakt iets tot een typisch voorbeeld van een concept? (cf. infra)




3

,functieleer (2) – taalpsychologie

2.2.2 prototypevisie (- family resemblance)

2.2.2.1 vorming van prototypevisie
— experimenten van Rosch & Mervis, 1975:
• Rosch wou typicaliteit kunnen voorspellen ahv categorieën op twee hiërarchische niveau’s
o cf. ‘labrador’ (lager niveau) -> ‘honden’ -> ‘zoogdieren’ (hoger niveau)
• vier verschillende groepen, vier verschillende taken:
o — taak 1 (groep A): typicaliteitsbeoordelingen
§ op schaal aangeven hoe typisch exemplaar is voor categorie
§ vb: hoe typisch is oranjerood voor de categorie rood?
o — taak 2 (groep B): eigenschappen genereren
§ eigenschappen schrijven over een exemplaar
§ vb: stoel – gemaakt uit hout, om op te zitten, bruine kleur, …
o — taak 3 (groep C): toepasbaarheidsbeoordelingen
o — taak 4 (groep D): contrastcategorieën identificeren


TAAK 1: typicaliteitsbeoordelingen




TAAK 2: eigenschappen genereren




TAAK 3: toepasbaarheidsbeoordelingen


4

,functieleer (2) – taalpsychologie



STAP in een matrix: op één as alle categorieën,
1 op andere as alle exemplaren opgesomd die
in vorige taken gebruikt werden
➔ “welke eigenschappen zijn van
toepassing
op welke voorbeelden?
➔ taak: matrix opvullen, ppn moet in elk
vak
0 [niet toepasselijk] of 1 [wel toepasselijk]
STAP gewicht toekennen aan iedere eigenschap:
2 som van aantal keer dat eigenschap (vb.
hout) bij ieder soort exemplaar (vb. stoel,
tapijt, …) als toepasselijk (score 1) werd
genoemd
➔ scores optellen over alle voorbeelden
➔ score 2 = beide ppn hebben hier ja gezegd
hoe meer eigenschap genoemd wordt, hoe
meer gewicht toegekend = prototypisch

STAP voor ieder exemplaar som maken van
3 [gewicht eigenschap C voor exemplaar N
maal aantal keer dat eigenschap C als
toepasselijk werd genoemd]

resultaat: family resemblance score:
als iets een eigenschap heeft die voorkomt
bij veel voorbeelden van die categorie, dan
gaat dat zwaarder doortellen
( itt “hangt aan muur” bij tapijt)

hoe groter family resemblance, hoe meer
eigenschappen exemplaar gemeen heeft
met andere exemplaren van de categorie:
naarmate iets meer eigenschappen gemeen
heeft met andere voorbeelden van de
categorie dan wordt het typischer
STAP correlaties berekenen:
4 r(family resemblance, typicaliteit) tussen
.84 en .94 (sterk positieve r)




excursus: typicaliteitsvoorspelling door Lance Rips
ahv methode van MDS = multidimensionele schalering
triviaal voorbeeld: afstanden van alle staten onderling in matrix zetten en statistische analyse
kan exact de kaart reconstrueren – maar in psychologie zijn er meetfouten en is dimensionaliteit
niet gekend (hoe ligt onderliggende structuur? hoeveel dimensies?) -> studie met morsecode


5

,functieleer (2) – taalpsychologie

procedure: ppn code laten horen (letter gevolgd door cijfer) – code kan kort of lang (punt – streep)
zijn, en gelijkend of niet -> gelijkende items na elkaar: veel fouten (in %) - verschillende items:
weinig fouten (in %)-> foutpercentages in tabel gezet en hier MDS op uitvoeren -> we vinden
tweedimensionale structuur met as 1 = aantal componenten, as 2 = van puntjes naar streepjes
MDS om typicaliteit te beoordelen
• taak: gelijkenissen aangeven (hoe gelijkend papegaai-kip, haan-papegaai, …)
o ook woord vogel aangeboden = prototype
o heel gelijkend is score 7, totaal niet gelijkend is score 1 – dus soort van afstand/verschil
• matrix van schaalscores ➔ MDS ➔ 2-dimensionale ruimte
• meest typische voorbeelden in het midden: woord ‘vogel’ in het midden
• correlatie: r(afstand vogel tot afzonderlijk punt, typicaliteitsbeoordeling)
• ➔ idem, rond de .90 en hoger
• MDS is ook gebaseerd op onderliggende eigenschappen, maar dan niet expliciet benoemd




TAAK 4: contrastcategorieën identificeren
correlatie met contrastcategorieën
➔ taak: iemand geeft je beschrijving, en je gokt eerste keer maar bent blijkbaar dicht in de buurt, indien
het dit niet is, geef je quasi automatisch tegengestelde categorie = contrastcategorie
➔ family resemblance voor contrastcategorie berekenen (zoals hierboven)
➔ correlatie: r(family resemblance contrastcategorie, typicaliteitsbeoordeling werkelijke categorie)
tussen -.67 en -.86 (sterk negatieve r)




BESLUIT ROSCH & MERVIS
typicaliteit is functie van family resemblance structuur:
— typischer naarmate iets meer eigenschappen gemeen heeft met andere vb’en van de categorie
— typischer naarmate iets minder eigenschappen gemeen heeft met vb’en van de contrastcategorie
6

,functieleer (2) – taalpsychologie

illustratie: citroen is minder typisch binnen categorie fruit
— minder eigenschappen gemeen met andere voorbeelden van fruit (zoete smaak) (↓ typicaliteit)
— meer eigenschappen gemeen heeft met contrastcategorie van groenten (zure smaak) (↓ typicaliteit)


2.2.2.1 theorie
• concept wordt gerepresenteerd via abstracte samenvattende representatie
• concept niet afgelijnd obv definiërende, maar karakteristieke eigenschappen
• categoriegrenzen zijn niet scherp gedefinieerd
o X behoort tot categorie Y in de mate waarin het lijkt op het prototype van de categorie
o exemplaren kunnen en mogen sterk verschillen
• categorisatie en typicaliteit gebaseerd op gelijkenis met het prototype
o prototype = soort van gemiddelde van de categorie
§ middelste positie als prototype van die categorie
§ afstand tov dit prototype zegt ons iets over de typicaliteit
§ maatstaf is gelijkenis tov dit prototype
o typicaliteit: mate waarin het item op het prototype lijkt
o iets behoort tot de categorie als het dicht genoeg bij het prototype ligt, iets behoort niet
tot de categorie als het te ver van het prototype ligt (maar drempelwaarde kan fluctueren)
o drempel varieert over ppn en binnen ppn
• exemplaar is beter voorbeeld van een categorie naarmate exemplaar:
o … meer eigenschappen gemeen heeft met andere categorievoorbeelden
o … minder eigenschappen gemeen heeft met voorbeelden van contrastcategorieën
o typicaliteit is een functie van family resemblance (cf. supra)
• verklaring voor grensgevallen: typicaliteit even groot voor 2 categorieën
o exemplaar even gelijkend op prototypes van 2 categorieën – vb. tomaat: fruit vs groente




2.2.2.2 wat de theorie wel en niet kan verklaren




2.2.3 exemplaarvisie
exemplaarvisie als tegenreactie op prototypevisie
• concepten niet gerepresenteerd door centrale tendens of karakteristieke eigenschappen
• conceptinformatie afgeleid uit activering van geheugensporen van concrete exemplaren
van de categorie waar ervaring mee gehad
o we stockeren concrete exemplaren (vb. ‘de blacky’ van nonkel Jos) in ons geheugen
§ dus geen protoype nodig
§ simpelweg een verzameling aan exemplaren is voldoende

7

,functieleer (2) – taalpsychologie

• categorisatie en typicaliteit gebaseerd op gelijkenis met de opgeslagen exemplaren
o typicaliteit: mate waarin het item op de opgeslagen exemplaren lijkt
o iets behoort tot de categorie als het sterk genoeg op de opgeslagen exemplaren lijkt,
iets behoort niet tot de categorie als het te ver van de opgeslagen exemplaren ligt
(maar drempelwaarde kan fluctueren)
o drempel varieert over ppn en binnen ppn
• verklaring voor grensgevallen: typicaliteit even groot voor 2 categorieën
o exemplaar even gelijkend op opgeslagen exemplaren van 2 categorieën
• kan verklaren dat exemplaren die meer op gemiddelde lijken (want vaker voorgekomen en
roepen dus meer geheugensporen op) gemakkelijker en sneller te leren zijn dan exemplaren die
minder op gemiddelde lijken (roepen minder geheugensporen op)
• probleem: niet duidelijk wat we moeten verstaan onder ‘exemplaar’ in de context van natuurlijke
concepten (vb: is concept ‘papegaai’ exemplaar van concept ‘vogel’, of is eerder ‘papegaai van
buurman’, of net ‘papegaai van de buurman die ik gisteren hoorde’ (aangezien verschillende
tijdstippen en dus verschillende geheugensporen) een exemplaar van het concept ‘vogel’?)




prototypevisie vs exemplaarvisie




2.2.4 generische modellen
recent voorstel voor generische modellen met variërende abstractie als verzoening tussen
prototypevisie en exemplaarvisie
• abstractie is een continuüm (ipv een dichotomie) met prototype en exemplaarmodel als de
extremen, maar met tussenliggende niveaus van abstractie (subprototypes/superexemplaren)
o prototype- en exemplaarvisie als speciale gevallen (extremen)
§ prototype: totale abstractie (enkel gemiddelden, geen concrete exemplaren)
§ exemplaar: totale afwezigheid van abstractie
• generische modellen laten mogelijkheid open dat concepten gerepresenteerd obv
tussenliggende mate van abstractie ➔ representatie obv subprototypes (of superexemplaren)

8

,functieleer (2) – taalpsychologie

o vb. heterogene categorie ‘fruit’ kan mentaal gerepresenteerd zijn als verzameling van
subprototypes zoals citrusvruchten, noten, pitvruchten, …
• assumptie: representatie kan veranderen over de tijd
o vroege representatie is eerder prototype-achtig
o evolueert in meer gedetailleerde exemplaarrepresentatie naarmate vertrouwdheid en
expertiseniveau toeneemt




geen totale abstractie en ook niet alle mogelijke exemplaren
—> dit model van tussenliggende abstractie kan de meeste gegevens verklaren


2.2.5 theorie-gebaseerde visie
(niet per se een aparte visie, eerder kritiek op voorgaande visies zonder valabel alternatief)
vertrekpunt: kritiek op similariteitsgebaseerde visies
• prototype/exemplaar/generische visies stellen dat gelijkenis/similariteit centraal staat in
categorisatie: gelijkenis als functie van eigenschappen die relevant zijn voor categorie
o kritiek: “wat is gelijkenis?”
o vb: gelijkenis tussen koning Albert en bol kaas -> beide groter dan 1mm, groter dan 2mm,
wegen beide meer dan 1g, meer dan 10g, etc.
§ beetje onnozel want niet relevant maar toch problematisch
§ wanneer wordt een eigenschap relevant? als je dit niet verklaart, verklaar je niets
• kritiek: keuze van eigenschappen is niet evident
o hoe kan similariteit bepaald worden als eigenschappen die relevant zijn niet duidelijk zijn?
o onderzoek toont aan dat similariteit sterk contextafhankelijk is
§ organismen: biologische essentie (heeft vleugels,…) erfelijk-biologische basis
§ artefacten: functionele essentie
§ vb: kind van 3j zegt dat dolfijn en haai vissen zijn ↔ kind van 9j zegt dat dolfijn en
haai zoogdieren zijn
o experiment bij kinderen: “we hebben thuis twee kanaries in een kooi, eentje hiervan
heeft een ei gelegd maar als dit uitkomt lijkt de vogel op een roodborstje”, “is dit dan een
kanarie of een roodborstje?” -> volgens kinderen is dit dan toch een kanarie dus zelfs
zeer jonge kinderen hebben een notie van principe van erfelijkheid
- bij dieren gaat het eerder over de biologische basis dan hoe het eruitziet
- bij artefacten gaat het eerder over de functie dan hoe het eruitziet
• besluit: samenhang van concept is belangrijk en gebaseerd op ‘lekentheorie’
o mogelijke uitweg? relevante eigenschappen afleiden uit studies waar ppn zelf
eigenschappen van concepten opnoemen
§ probleem: ontwikkelingspsychologie toont aan dat kinderen bij leren van
concepten zoals ‘dier’ veel belang hechten aan eigenschappen zoals ‘heeft een


9

, functieleer (2) – taalpsychologie

hart’, ‘kan bewegen’, … ➔ maar bij vraag om eigenschappen op te noemen
worden deze maar sporadisch genoemd
§ dus niet betrouwbaar om deze methode te gebruiken


deze problemen met notie van similariteit en keuze van relevante eigenschappen hebben geleid tot de
theorievisie
• vraagstelling: hoe hangen semantische concepten samen, waarom hebben we concepten die
we hebben en geen andere?
• stelling: gelijkenis gebaseerd op een reeks van eigenschappen
o deze reeks is geselecteerd obv lekentheorie over semantisch domein waar het concept
in kwestie betrekking op heeft
o conceptvorming vergeleken met manier waarop wetenschappers omgaan met
empirische data
§ natuurlijke categorieën: mensen hebben impliciete theorie dat er centrale
onderliggende biologisch-genetische essentie bestaat
§ artefacten: idem, maar dan over functionele essentie


2.2.6 één of meer categorisatieprocessen?
recente visies stellen steeds dat er maar één soort categorisatieproces bestaat – experimenteel en
correlationeel onderzoek kon deze stelling niet nagaan, maar neurowetenschappelijk onderzoek vond
evidentie tégen één proces
—> we kunnen misschien verschillende strategieën aanwenden afhankelijk van taak of concept?


— neuropsychologisch experiment Squire en Knowlton (1995)
• DEEL 1: leren categoriseren van nieuwe stimuli
• (reeks perceptuele stimuli gemaakt - louter visueel, nog niet “bezoedeld” door voorkennis etc.)
o procedure: amnesiepatiënt (geen expliciet geheugen) vergeleken met controlegroep –
negenpuntpatronen categoriseren (“behoort het tot de categorie of niet?”)
§ puntenpatronen waren onsystematische kleinere of grotere vervormingen van
het prototype: verstoring door punten in willekeurige richting te laten variëren
§ MAAR: prototype zelf - gemiddelde puntenpatroon van categorie dat als
uitgangspunt gebruikt werd om te vervormen - nooit aangeboden tijdens leerfase
o leerfase: aanbiedingen van puntenpatronen die gecategoriseerd moesten worden met
aanwezigheid van feedback (‘fout’, ‘goed’)
o testfase: aanbiedingen van vervormde patronen én prototypes, weer categoriseren
o resultaten:
§ normale ppn: prototypes > lichte afwijkingen > grote afwijkingen
§ amnesiepatiënt: categorisatieoordelen nagenoeg NIET te onderscheiden van
normale ppn
o conclusie: prototypes maken is iets wat we van nature doen
§ zelfs persoon die zich amper iets kan herinneren, heeft toch prototype gevormd
van artificële stimuli (nooit eerder geziene prototypes het best geclassificeerd)
• DEEL 2: herkenningstaak
o procedure: eenzelfde patroon 40 keer na elkaar aangeboden en 5 minuten later moeten
ppn discrimineren tussen reeds aangeboden en nieuwe stimuli
o resultaten:
§ herkenning bij normale ppn quasi perfect
§ herkenning bij amnesiepatiënt op toevalsniveau
• interpretatie en besluit: er bestaat meer dan één categorisatieproces
o proces obv expliciete informatie (herkenning van puntenpatronen) (cf. exemplaar)
10

Documentinformatie

Geüpload op
28 augustus 2026
Aantal pagina's
35
Geschreven in
2025/2026
Type
Samenvatting
€6,66

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kan je een ander document kiezen. Je kan het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Verkocht
3
Volgers
0
Items
21
Laatst verkocht
3 dagen geleden




Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via Bancontact, iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo eenvoudig kan het zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen