Aristoteles:
Thema: Het zijn
Doel van de filosoof: alles kennen in het algemeen; kennis van de
wetenschap zonder specialist te zijn (bijv. natuur maar geen bioloog,
wetenschap maar geen wiskundige).
Metafysica:
o Betekent “eerste filosofie” bestond volgens Aristoteles niet.
o Alles wat is, is “het zijnde” (niet aan de objecten dat is voor de
andere disciplines)
o Twee fundamentele manieren om te zijn:
1. Substantie:
Voorbeeld: een tafel
o Accident: eigenschappen die substantie nodig hebben (bv. Wit
huis )
o Substantie: bestaat op zichzelf, heeft geen eigenschap nodig.
Aristoteles: niet alles is gelijk → het zijnde komt uit verschillende soorten
zijn.
Een van de eerste filosofen zei dat alles 1 was en dat alles gelijk was.
->Aristoteles zei dat we moeten oppassen want er zijn verschillende, maar
geen zonder regel, er is een manier om een algemene theorie te
hebben en dat noemt hij de analogie van het zijn.
Analogie van het zijn: sommige eigenschappen van zijn zijn universeel
verbonden, bv. “gezond”:
Voorbeeld: Gezond brein vs. een aspirine is gezond → betekenis
verbonden met fundamenteel substantieel idee.
Maar betekenissen zijn niet arbitrair ze zijn altijd verbonden met een
fundamenteel substantieel idee van gezondheid.
->deze vorm van zijn is niet automatisch gezond
Relatie tussen specifieke kennissen of algemene kennis het is indirect
gebruikt in alle vormen van redenering (zijn bewijsbaar binnen
wiskunde). Maar goniometrie wordt ook gebruikt om velden te
gebruiken ->anarchie van verschillenden discipline
1.Principe van non contradictie (PNC)
1
,2 dimensies
- Logisch: communicatie en denken, noodzakelijk voor redenering.
- Ontologische: structuur van de werkelijkheid zelf; iets kan niet
tegelijk zijn en niet zijn vanuit hetzelfde perspectief.
- Er is geen tussenpositie tussen waar en onwaar (TND= geen derde
mogelijkheid)
Weerleggend bewijs: weerleggend ik kan verdedigen
P195 -> digressie over waarneming
Waarneming:
o Aristoteles: zintuiglijke waarneming betrouwbaar, maar voorstelling
kan misleiden.
o Kritiseert positie van andere filosofen die zintuigen waarnemingen
onbetrouwbaar is hij maakt het verschil tussen waarneming een
voorstelling.
o Verschil waarneming vs. voorstelling:
o Voorbeeld: schaduw van een hond → lijkt op een wolf.
->Als je iets ziet voeg je altijd een voorstelling toe ->voegen we info toe
o Eerste niveau: basiswaarneming (niet onwaar).
o Tweede niveau: complexere interpretatie (voorspelling, voorstelling).
Aristoteles zegt dat:
Belangrijkste idee: analyseer altijd de echte waarnemingen.
- Basiswaarneming is nooit onbetrouwbaar.
- Voorstelling van waarneming kan misleidend zijn; het niveau van
de voorstelling kan complexiteit toevoegen die niet in de
waarneming zelf zit.
- Voorbeeld: waarneming van een schaduw → kan verkeerd
geïnterpreteerd worden als een ander object.
P198 -> Waarheid: niet elk verschijnsel is automatisch waar.
- Waarneming ≠ voorstelling.
- Waarneming biedt betrouwbare gegevens, maar betekenis wordt
geconstrueerd in voorstelling.
P202 paragraaf 7 ->
2
,Corolarie -> een gevolg van de eerste en heeft zelfde betekenis
Hij geeft andere definitie van non contradictie:
- Iets is ofwel waar, ofwel niet waar → geen tussenpositie.
- Non-contradictie (PNC) = “There is no third” (TND).
- Voor Aristoteles is de werkelijkheid stabiel, dus geen indeterminatie
zoals in kwantumfysica (Heisenberg).
Warner Heisenberg -> principe van in determinatie
- Volgens kwantumfysica situaties die niet vast zijn, gevallen die fout
en waar zijn omdat je ze nog niet kan bevestigen.
- Voor Aristoteles is stabiel en dus nooit zulke gevallen
- PNC (non contradictie) & TND geen derde element tussen waarheid -
> voor Aristoteles is PNC = TND
- TND het is altijd gedetermineerd of je bent iets of niet
- PNC Onmogelijk dat je twee determinaties hebt die tegen elkaar zijn
-> niet gedetermineerd
- Twee keer een negatie maakt geen affirmatie -> bestaat niet
- Niet niet p is groter als p
- Niet niet p is kleiner als p
- Vandaag twee principes maar voor Aristoteles 1 principe samen
Versie vanaf P 202 iets is ofwel waar of niet
Als men religieus gaat denken is er geen tussen positie
Laatste pagina:
Impliciete geschiedenis van de filosofie
Traditionele vijf zintuigen: zien, horen, voelen, ruiken, proeven.
Er 5 zintuigen voor Aristoteles 9 zintuigen
- Geheugen
- Reminiscentie
- Cogitatie
- Fantasie
Elke zintuig heeft specifiek object van waarneming
Tweede niveau van waarneming: voorspelling of complexere
interpretatie van basiswaarnemingen.
Basiswaarneming is feitelijk en betrouwbaar, maar één ervaring is niet
genoeg om volledige kennis te hebben.
3
, Vergelijking met Edmund Husserl
o Husserl: fenomenologie = studie van fenomenen zoals ze
verschijnen.
o Beschrijven van waarnemingen zonder toevoegingen geeft altijd
betrouwbare zij-kennis.
o Overeenkomst met Aristoteles: waarneming als bron van
betrouwbare kennis.
o Verschil: Husserl legt nadruk op bewuste ervaring en
fenomenologische reductie; Aristoteles focust op objectieve realiteit
van waarneming en logische consistentie.
Dialectica
Een vorm van redenering gebaseerd op premissen en logische
gevolgtrekking 2 premissen (S-M) (M-P)/ (S-P)
Voorbeeld:
- Alle mensen zijn sterfelijk
- Socrates is een mens
- Socrates is sterfelijk
Informeel uitwisselen van kennis, mensen kunnen rationeel discussiëren.
Plato discussie die door soort van vragen die alternatieve stellen ( ik wat is
een mens , een mens is een dier altijd meer info)
extensie van een begrip: hoe breed een begrip toepasbaar is(dier kan je
gebruiken voor een deel van deze) (bijv. levendwezen heeft grotere
extensie dan dier of mens).
Intensiteit :de hoeveelheid informatie die het begrip geeft — specifieker
begrip = hogere intensiteit
(bijv. “ik zag een levend wezen” vs “ik zag een mens” → “mens” geeft
meer specifieke informatie).
- Volgens Aristoteles is het concept van zijn het breedste concept , de
extensie van zijn is universeel.
- Filosofie is de kennis van zijn dus er valt niks buiten dat filosofie niet
kent
-Verband Minos en Aristoteles ?
4