THEMA 1
INTRODUCTIE IN DE
PSYCHODIAGNOSTIEK
1
,psychodiagnostiek
situering van psychodiagnostiek
1.1 WAT IS PSYCHODIAGNOSTIEK?
etymologie: “psychodiagnostiek” > Grieks “psyche” (ziel) + “dia” (uiteen) + “gnosis” (kennis)
à psychodiagnostiek is het uiteen kennen van de ziel (letterlijke vertaling)
1.1.1 basisassumpties
enkele basisassumpties die voor correct aangenomen moeten worden om aan psychodiagnostiek te
kunnen doen (~Hogan, 2015):
mensen hebben verschillende soorten herkenbare (psychologische) trekken of eigenschappen…
• … die potentieel belangrijk zijn: link met e4ectief gedrag
o hebben relevantie in de dagdagelijkse realiteit van mensen
o daarom nuttig om in kaart te brengen en te meten
• … waarin mensen individueel verschillen
o zonder individuele verschillen niet nuttig te onderzoeken
• … die kunnen worden gekwantificeerd
o om te kunnen vergelijken tussen mensen
§ basale vorm: je hebt het / je hebt het niet
§ complexe vorm: in welke mate heb je het
o eigenschappen die niet gekwantificeerd kunnen worden, kunnen niet gemeten worden
ahv psychodiagnostiek
• … die in zekere mate stabiel zijn
o indien continue fluctuatie niet nuttig te onderzoeken
1.1.2 definitie
à ‘systematisch beslissingsproces’: systematisch proces dat doorlopen wordt waarin bep.
wetenschappelijke procedures en richtlijnen gevolgd worden; het gaat niet alleen om het afnemen van
een test; er zit een heel uitgebreid proces achter
à ‘theoretisch en empirisch’: zowel theorie als empirie belangrijk
à ‘individuele verschillen’: met testen willen we zicht krijgen op verschillen tussen mensen
à ‘persoonlijk of maatschappelijk belang’: naast persoonlijke doeleinden, ook psychodiagnostisch
onderzoek ifv maatschappelijk belang (vb: voorwaardelijke invrijheidsstelling aangevraagd door rechter)
2
,psychodiagnostiek
à ‘wetenschappelijk’: gebaseerd op methode van empirische cyclus
à ‘omgeving’: ook eigenschappen van de omgeving rond de persoon bestuderen; context is zeer
belangrijk; kenmerken van omgeving ook in kaart brengen
à ‘proces van hulp bieden’: diagnose stellen; kan een doel zijn van proces van diagnostiek
à ‘wetenschappelijke discipline’: afzonderlijk domein
à ‘groepen, situaties, instituties, voorwerpen’: niet alleen mbt personen; psychodiagnostiek gaat
over het vaststellen van verschillen die gekwantificeerd kunnen worden
3
,psychodiagnostiek
1.1.3 de (psychologische) test
“test” = niet makkelijk te definiëren; term wordt op vele manieren gebruikt; vaak circulaire redenering
(“een test is iets wat je gebruikt om te meten”)
binnen gedragswetenschappen toch 6 definiërende kenmerken (~Hogan, 2015): een test is…
• … een soort proces of materiaal dat
o test op zich kan een proces zijn
• … informatie oplevert over
o test die geen informatie oplevert, is eigenlijk geen test
• … een steekproef van
o vb: faalangst onderzoeken
o bij het in kaart brengen van een concept altijd een selectie maken vanuit theorie
§ vb: niet elke mogelijke vraag stellen die je vanuit literatuur vindt over faalangst
o moet representatief zijn
§ vb: zweten, misselijkheid, … meten alsook gedachten als ‘ik ben niet goed
genoeg’, … alsook gevoelens van angst alsook uitstelgedrag, …
• … gedrag en cognitieve processen
o breed scala, niet alleen psychologische trekken
• … op systematische, gestandaardiseerde wijze
o volgens wetenschappelijke procedures
o veel regels die gevolgd moeten worden
• … resulterend in één of andere kwantificatie
o informatie moet minstens een indeling in twee categorieën (aanwezigheid/afwezigheid)
kunnen opleveren
4
,psychodiagnostiek
à ‘gestandaardiseerde situatie’: prikkelvrije omgeving; bij elke afname moet context zo veel mogelijk
gelijkend zijn (hoeveel herhalingen, hoeveel tijd, …) (vb: test rond concentratie wordt altijd in de
voormiddag afgenomen)
à ‘vergelijking met absolute standaard’: naast vergelijking met anderen ook vergelijking met absolute
standaard mogelijk: kwantificatie alleen biedt niet zoveel informatie (vb. ruwe score van 35/60 op
subtest), kan best betekenis gegeven worden obv vergelijking met anderen (vb. normscores zoals IQ) of
met absolute standaard (vb. examen: absolute grensscore van 10/20 onafh. van scores van andere
studenten)
1.1.4 rol en impact van psychodiagnostiek
kan gaan van subtielere tot ernstigere consequenties; nooit zwart of wit; vele grijze zones waarin
onzekere beslissingen genomen moeten worden
illustraties impact:
“een begaafd meisje dat cognitief onderschat werd door haar leerkracht mag na een
psychodiagnostisch proces dan toch naar de kangoeroeklas waar ze eindelijk zichzelf kan zijn en
voldoende wordt uitgedaagd”, “een 25-jarige man die politieagent wil worden, wordt niet aangenomen
ondanks een indrukwekkend sollicitatiegesprek omdat een persoonlijkheidstest laat zien dat hij
impulsief is en moeilijk omkan met autoriteit”
1.2 CLASSIFICATIE VAN TESTEN
verschillende indelingen mogelijk die elkaar niet uitsluiten; voor één bep. test zijn meerdere
classificaties mogelijk; het ene is niet beter dan het andere; verschillende soorten testen; keuze is afh.
van de situatie, de voor- en nadelen, etc.
verschillende indelingen (~Drenth & Sijtsma, 2005):
(1) volgens instructie en afname individuele test groepstest
snelheidstest niveautest
(2) volgens aard van de vragen cultuurvrije test niet-cultuurvrije test
directe test indirecte test
vrije antwoorden keuzeantwoorden
(3) vanuit onderzoek naar S-data self reported data
individuele verschillen O-data observer reported data
T-data test data
L-data life-outcome data
(4) volgens testgedrag prestatieniveau gedragswijze
1 algemene niveautest 1 observatiemethoden
2 speciale niveautest 2 somatofysiologisch
3 vorderingentest 3 zelfbeoordelingen
4 projectieve technieken
(5) volgens inhoud (domein) persoonlijkheidstesten, intelligentietesten, …
5
, psychodiagnostiek
1.2.1 indeling volgens instructie en afname
individuele test vs groepstest
individuele test groepstest
test die afgenomen wordt in een één-op-één test die gelijktijdig afgenomen wordt bij
situatie meerdere personen
+ • persoon nauwkeurig observeren + • tijdse_iciënt
• instructies kunnen gedeeltelijk • goedkoop
aangepast worden aan ppn1
• makkelijker ppn te motiveren
• -
tijdsrovend - • praktisch niet haalbaar bij bep. groepen
• kostelijk (zeer jonge kinderen, patiënten in crisis)
snelheidstest vs niveautest
snelheidstest niveautest
peilt naar de snelheid waarmee de peilt naar het prestatieniveau dat de
onderzochte kan werken onderzochte behaalt
maat maat
# opgaven voltooid binnen bep. tijd # correct opgeloste vragen
opgaven met gelijke moeilijkheidsgraad waarvan tijd is slechts bijkomstig
het niveau vrij laag ligt, uitdaging is net zo veel peilt naar hoe goed een opgave opgelost wordt
mogelijk opgaven binnen zo weinig mogelijk tijd
voorbeeld snelheidstest:
1
bv. indien vermoeden van aandachtsproblemen (maar let op standaardisatie!)
6
,psychodiagnostiek
1.2.2 indeling volgens aard van de vragen
cultuurvrije test vs niet-cultuurvrije test
cultuurvrije test = inhoud en aard van vragen van test is cultuurvrij; opgaven kunnen aangeboden
worden zonder talige instructies; kennis binnen bep. cultuur speelt geen rol; gaat vnl. over logisch
redeneren; continuüm (minder cultuurvrij -> meer cultuurvrij) ; belangrijk bij ppn die niet thuis zijn in
cultuur en om vergelijkingen mogelijk te maken; OPGELET: 100% cultuurvrij is niet mogelijk
voorbeeld cultuurvrije test:
“Raven Progressive Matrices” (meer cultuurvrij dan ‘gewone’ intelligentietesten)
directe test vs indirecte test
directe test indirecte test
meteen duidelijk wat er getest wordt vrij subjectief dus enkel te gebruiken als
ondersteuning van meer objectief onderzoek;
vaak ahv projectieve methoden;
niet duidelijk wat er gemeten wordt;
informatie wordt vaak expliciet achtergehouden;
doel is vaak het onderbewuste onderzoeken
vb. vragenlijst: “hoe eenzaam ben je?” vb. vragenlijst: “heb je meer of minder vrienden
in vergelijking met anderen?”
test met vrije antwoorden vs test met keuzeantwoorden
vrije antwoorden keuzeantwoorden
test waarbij de onderzochte zelf het antwoord test waarbij de onderzochte verzocht wordt een
moet bedenken en formuleren keuze te maken uit vooraf door de
testconstructeur geformuleerde
antwoordmogelijkheden
open vragen gesloten vragen
ongecodeerde vragen geprecodeerde vragen
+ • ontdekken van onverwachte zaken + • makkelijker achteraf te kwantificeren
• meer ruimte voor bijzonderheden • objectievere scoring mogelijk
• diepere observatie mogelijk • e_iciëntere afname en analyse
7
,psychodiagnostiek
1.2.3 indeling vanuit onderzoek naar individuele verschillen
4 soorten bronnen / soorten gegevens voor informatie over verschillen tussen/binnen mensen
4 soorten data:
S-DATA self-reported gegevens die door onderzochte ppn zelf worden aangeleverd
data + • persoon zelf is beste bron van info over interne wereld
• makkelijk om snel heel veel info te verzamelen
- • verschillende vormen van bias geven vertekend beeld
(geheugenbias, zelfrepresentatie, …)
O-DATA observer-reported gegevens die door anderen gerapporteerd worden over ppn
data + • bias van ppn zelf spelen niet mee
• extra en ander perspectief
- • secundaire informatiebron
• gegevens mogelijk niet correct
• andere vormen van bias
T-DATA test data gegevens die via gestandaardiseerde testen verzameld worden
à meest objectieve gegevens!
L-DATA life-outcome data alla data die publiek toegankelijk is (vb: werk, gezin, huwelijk, …)
1.2.4 indeling volgens testgedrag
“testgedrag” = het gedrag dat getest wordt, het gedrag dat mensen moeten laten zien op de test
testen voor prestatieniveau testen voor gedragswijze
~ T-data ~ O-data
wat is het gegeven antwoord van ppn? hoe komt ppn tot het gegeven antwoord?
van de onderzochte persoon wordt een focus op hoe iemand iets doet of op welke
maximale prestatie gevraag manier zijn prestatie of reactie plaatsvindt
duidelijk norm voor wat ‘goed’ of ‘fout’ is geen vooraf bepaalde ‘goed’/’fout’-sleutel
cf. meting van intelligentie cf. meting van PH trekken, voorkeuren, attitudes
SOORTEN NIVEAUTESTEN
(1) algemene testen peilend naar algemene vaardigheden, zoals algemene
niveautesten intelligentie (heel breed, meet meerdere vaardigheden)
vb: WISC-V-NL, CoVaT-CHC, RAKIT-2, …
(2) speciale niveautesten testen peilend naar meer specifieke vaardigheden, zoals logisch
redeneren, aandacht, geheugen, kleurenblindheid, … of andere
vaardigheden nodig in een bep. prestatiecontext
8
,psychodiagnostiek
D-KEFS testbatterij: Tower Test en Color Word Interference Test
(3) vorderingentesten testen peilend naar in hoeverre de ppn het doel van een opleiding
bereikt heeft
schoolvorderingentest vaardigheidstest
(‘achievement test’) (‘proficiency test’)
wiskundetest, leestest, examen kooktest, rijexamen
SOORTEN GEDRAGSTESTEN
(keuze voor methode afh. van welke informatie je wil verzamelen
(1) observatiemethoden beoordelaar observeert de ppn
OPGELET: aanvangsgegevens zijn al het resultaat van een
informatieverwerkingsproces: gegevens zijn al bewerkt door de
observator, geen zuivere informatie maar reeds geïnterpreteerd
getrainde beoordelaar (psycholoog) gekende beoordelaar
(partner, ouders, leerkracht)
individueel in groep
real life testlocatie
vb. observatielijst: peilen naar kenmerken van depressie, autisme, ...
vb. sociogram: in groep observeren wie meest/minst populair is, …
vb: assessment center: simulatieoefening bij personeelsselectie, …
illustratie: “Assessment Center” techniek
stel bv. dat je een verkoopsleider zoekt
dan kunnen individuele opdrachten er zo uitzien:
▪ De kandidaat moet een presentatie verzorgen voor de directie
over de aankoop van een softwaresysteem. Hij moet kiezen
tussen drie softwaresystemen en vervolgens zijn keuze
funderen. (presentatie)
▪ De kandidaat moet een functioneringsgesprek voeren met een
jonge verkoper, waarover de klanten de laatste tijd klachten
hebben. Hij moet peilen naar de oorzaken van het minder
presteren en samen met hem een oplossing vinden.
(gesprekssimulatie)
▪ De kandidaat moet een bakje met post (klachtbrieven,
uitnodigingen,…) ordenen en de juiste prioriteiten stellen. Hij
merkt bijvoorbeeld dat de eigenaar van het postbakje drie
afspraken tegelijk heeft: met de juf van zijn dochtertje, met zijn
collega, met een potentiële grote klant. Aan hem om te
beslissen welke afspraak voorrang heeft. (postbakoefening)
▪ De kandidaat moet met de andere sollicitanten een
vergadering voeren over de verdeling van een extra budget. Het
is de bedoeling dat hij zoveel mogelijk geld binnenrijft.
(groepsdiscussie)
9
, psychodiagnostiek
(2) somatofysiologische psychologische kenmerken worden afgeleid uit meting van lichamelijke
methoden kenmerken of processen
(~ T-data)
morfologische methoden fysiologische methoden
vb: fysiognomiek, zoölogische vb: EEG, hersenscans,
methode, frenologie,… huidgeleiding,…
vooral historisch belang,
momenteel niet meer relevant
(3) zelfbeoordelingen persoon rapporteert over zichzelf
(~ S-data) naast typische meerkeuze vragenlijsten ook andere soorten metingen:
Osgood kiezen tussen twee tegengestelde extremen
schalen / (proper – vuil / eerlijk – oneerlijk / vriendelijk – gemeen)
semantic
diUerential vb: zo goed mogelijk beschrijven van de persoonlijkheid
scale van een politieagent volgens jouw persoonlijke mening
Q-technique kaartjes met stellingen op ordenen in een raster die
/ Q-sort normaalverdeling volgt, je wordt gedwongen om keuzes
te maken, manier om in te gaan tegen tendens om
sociaal wenselijk te antwoorden
context vignet = vragenlijst waarbij eerst context geschetst
vragenlijsten wordt waarin ppn zich zo goed mogelijk moet inleven
(vignetten) (vb. je bent alleen aan het rondlopen in een donker
bos), vervolgens worden gedragingen / gedachten /
gevoelens bevraagd worden in die specifieke situatie
herhaalde m-Path
metingen: bv. “hoeveel stress heb je op dit moment?” “hoeveel
dagboek / angst heb je op dit moment?” “wat ben je op dit
experience moment aan het doen?”
sampling
10