eerste
kennismaking
1.1 Inleiding: niet
iedereen leeft even
lang
Illustratie: levensverwachting
van mannen en vrouwen naar
opleidingsniveau
Sociologie
MODULE 1: INLEIDING
1. Vrije wil en sociologische verbeelding
Vrije wil = “het vermogen om zelf, oorzaakloos, te beslissen wat en
hoe je het doet” – moraalfilosoof Jan Verplaetse
MAAR: sociale en politieke oorzaken heeft invloed op ons brein (soms
bewust)
Illustratie: levensverwachting van mannen en vrouwen naar
opleidingsniveau
vrouwen leven langer dan mannen
hoe hoger opleidingsniveau, hoe hoger levensverwachting
1
, Verklaring: hogere opleiding leidt tot materiële voordelen en bepaalt
ook de persoonlijke vorming -> mogelijkheden en vaardigheden om
gezonder te leven en met bedreigingen om te gaan
Sociologische verklaring = invloeden van sociale omgeving op
het persoonlijk leven?
de sociologische verklaring begint met de sociologische
verbeelding = de individuele gebeurtenissen plaatsen en verklaren
vanuit een geheel van sociale relaties die zelf een specifieke
oorsprong hebben
Hoe de samenleving er nu uitziet: invloed van industrialisatie en
urbanisatie
Sociale relaties bepalen de biografieën van mensen, daarop zijn
sociale relaties het resultaat van een historisch proces
vb 1) werkloosheid van 50+ is te wijten aan de hogere
scholingseisen, in hun tijd was na het middelbaar werken een
realistische keuze
vb 2) de huisman
- Biografie = huishoudelijke taakverdeling
- Sociale omgeving = gender-egalitaire SL
- Historisch proces = modernisatie in de 20ste eeuw
2. De bouwstenen van de samenleving
Gedrag = elke actie of
reactie van een individu
objectief waarneembare
of externe component:
tussen min. twee individuen
(ego en alter) waargenomen
subjectieve of interne component: door een waarnemer (ego)
waargenomen
• motivationele component
• emotionele component
• cognitieve component
• reflexieve component
Handelen = gerichtheid op een object + gedrag met de
doelgerichtheid
2
, Doel > handelen krijgt een betekenis + mentale voorbereiding of
projectie
Weber: handelen is sociaal wanneer men bij het plannen rekening
houdt met wat anderen deden, doen of kunnen doen.
5 types sociaal handelen
_ Instrumenteel rationeel handelen: doel bereiken met 2
verwachtingen
→ voorwaarden: condities, niet te wijzigen elementen
→ objecten / mensen die faciliterend werken: middelen, wel
te wijzigen
_ Waarde-rationeel handelen: geloof in waardevolheid van een
handeling
→ waarden van ethische goedheid, esthetische schoonheid
en religeuze verbondenheid
→ handeling op zichzelf is waardevol, niet het realiseren
van een doel
_ Affectief handelen: gevoelens
→ ongecontroleerde reactie op een bepaalde stimulus
→ kan van een betekenis voorzien worden (sociaal
handelen)
_ Traditioneel handelen: gewoontes, herhalingen (verplicht
karakter)
→ tradities stuwen ons in een bepaalde richting
→ verleden is bepalend en zorgt voor zekerheid in de
toekomst
→ bewust worden van traditie > waarde-rationeel handelen
reflexief handelen: stoppen, denken en kiezen
(onzekerheid)
Homo economicus Sociale wetenschappers
De mens weegt dingen af, Complex mensbeeld
kosten en bater
3. Structuur en cultuur
Interactie = wanneer 2< mensen een gedeelde of complementaire
betekenis aan elkaars handelen geven
3
, handelen kent een zeker herkenbaarheid en voorspelbaarheid
handelen is betekenisvol
reageren op handelen en anticiperen op de gevolgen van het
eigen handelen
Sociaal handelen heeft 2 motieven
A. opdat-motieven: we proberen iets te realiseren (extern doel) +
met emotie
B. omdat-motieven: handeling van een persoon vanuit een opdat-
motief, wordt voor de andere pesoon een omdat-motief
- Geslaagde ondelinge afstemming leidt tot interactie
(moeilijkere handelingen -> mentaal plan nodig om het doel te
bereiken)
Vormen van interactie
• Conformiteit = er zijn 2 wederzijdse akkoorden over wat er in
& hoe de interactiesituatie zal gebeuren ( deviantie of
afwijking: minstens één van de interactie partners houdt zich
niet aan de expliciet afgesproken regels)
• Samenwerking = sociale eenheden proberen samen een doel
te bereiken. Voorwaardes: stilzwijgend of afgesproken akkoord
bereidheid tot samen handelen
minimum aan conformiteit m.b.t. het navolgen van
afspraken
• Conflict = m.b.t. schaarse middelen, waarden, aanzien en
macht gaan minstens 2 partijen niet akkoord met hoe de
interactie moet verlopen
Positieve bijdrage: versterking van de samenleving,
ontwikkeling van nieuwe regels, normen en insituties
Gemeeschappelijke vijand > groepen worden onverdraagzaam
+ interne dissidentie + groepscohesie (brengt mensen dichter
bij elkaar)
• Ruil = ongelijke verdeling van kosten en baten (niet enkel
economisch) -> dankbaarheid = hogere status want sociale
norm
-> neiging om anderen te helpen komt door het
streven naar
sociale erkenning
-> mensen zien interactie het vaakst als ruil:
als je iets in
4