16.1 Types skelet
Veranderingen in beweging gebeuren omdat spieren trekken aan het
skelet
Er zijn 3 types skelet:
Hydroskelet
Exoskelet
Endoskelet
Axiaal skelet, appendiculair skelet
16.2 Hydroskelet
Hoofdzakelijk in invertebraten met zachte lichamen, zowel
terrestrisch als aquatisch
Resultaat van de interne druk van de lichaamsvloeistoffen
Musculoskeletale bewegingen in wormen
Betreft circulaire en longitudinale spieren rond een centrale, met
vloeistof gevulde, holte
Een golf van circulaire , gevolgd door longitudinale spiercontracties
bewegen de vleoistof in het lichaam (perstaltische beweging)
Resulteert in een voorwaartse beweging
16.3 Exoskelet
Stevige structuur die het lichaam omsluit
Biedt bescherming voor interne organen en een aanhechtingsplaats
voor spieren
Vormt de cuticula die onder meer bestaan uit chitine bij
geleedpotigen
Vervelling (ecdysis)
Limiteert lichaamsgrootte
16.4 Endoskelet
Stekelhuidigen hebben een calciet skelet: ossicula + stekels uit
calciumcarbonaat
Vertebraten (chordaten) hebbene en endoskelet uit been
(calciumfosfaat) en/of kraakbeen
Been is veel sterker dan kraakbeen, minder flexibel
, Vertebrate endoskelet
Axiaal skelet: vormt de lichaamsas, verstevigt het lichaam,
beschermt inwendige organen
Schedel, ruggenwervels, ribben en sternum
Appendicuair skelet: set van ledematen + hun geassocieerde
pectorale
(schouder)
gordel
(voorpoten) of
pelvische
(bekken) gordel
(achterpoten)
Schoudergordel
met
voorpoten,
bekkengordel
met
achterpoten
16.5 Been
Hard, maar veerkrachtig bindweefsel
Uniek voor vertebraten
Geclassificeerd in 2 fundamentele manieren van ontwikkeling
Intramembranaire ontwikkeling (eebvoudig) bv. externe
beenderen schedel
Endochondrale ontwikkeling (complex) bv. beenderen die
diep in het lichaam liggen (wervels, ribben, beenderen
schouders, bekken, …)