EXAMENVRAAG: Op basis waarvan kan een arbitrale sententie vernietigd
worden?
Materieel voorwerp = rechtsregels zoals neergelegd in het Gerechtelijk
Wetboek, aan de hand waarvan de betwistingen over de toepassing van het
objectieve recht worden beslecht.
Essentie van rechtstaat en dus ook rechterlijke functie handhaving
rechtstaat
Handhavingsrecht = formeel recht deel van het publiekrecht
Opdeling “sub-rechtstakken”: geen absolute waarde (vaak overlappingen
en invloeden)
- Gerechtelijk privaatrecht = gemeenrecht (geschillen meestal van
privaatrechtelijke aard, doch niet noodzakelijk of uitsluitend
privaatrechtelijk)
- Strafprocesrecht (de ‘strafvordering’)
- “Publiek procesrecht” = administratief procesrecht (+
grondwettigheidscontentieux)
Formele voorwerp = het proces of geding op zich
Eerlijk proces (“fair trial”, “due process”, “procès equitable”) =
behoorlijke rechtsbedeling als waarborg tegen willekeur
Formalisme als waarborg tegen willekeur kwalitatieve eisen
(‘spelregels’)
Reasonable justice within reasonable delays at a reasonable cost
dilemma …
- Kwaliteit kost tijd en geld dit doet een dilemma rijzen …
Rechter en proces moeten bereikbaar, beschikbaar, begrijpbaar,
bruikbaar en betaalbaar zijn procesrecht is een noodzakelijk
kwaad
Proces = ‘noodzakelijk kwaad’ + compromis tussen ideaal en
doelmatigheid
Hulpfunctie = van gelijk hebben naar gelijk krijgen objectieve recht
(helpen) handhaven of subjectieve rechten beschermen die erdoor
worden toegekend
1
, - Hulpfunctie wordt soms als ‘bijkomstig’ begrepen, maar dit is fout
Juistheid van de uitkomst is niet het enige criterium
- Ook “externe” kwaliteiten, in het bijzonder tijdsduur en kostprijs
Kwaliteit van procesrecht is dan ook maatstraf voor kwaliteit van
rechtstaat
Materieel recht = ‘gelijk hebben’ (ten gronde) formeel recht = ‘procedure’
sensu lato (gaat over de toepassing en handhaving van het materiële recht).
Jurisdictionele rechtshandeling:
Kennisnemen van een geschil:
Geschil = tegenstrijdige aanspraken van rechtssubjecten
- Onderscheid met oneigenlijke of willige rechtspraak: niet-
jurisdictionele functies (bv. administratieve rechtshandeling inzake
bewind of adoptie)
Kennisname van het geschil nooit ambtshalve (‘proprio motu’)
- Beschikkingsbeginsel: geschil moet bij hem aanhangig gemaakt
worden, partijen bepalen zo ook grenzen van het geschil
- Geen uitspraak ‘ultra petita’ (niet meer toekennen dan gevorderd is)
Rechter verplicht te beslissen verbod op rechtsweigering (ART. 5 Ger.
W.)
Rechtsgeschil:
Overeenstemming van doen of laten met het objectieve recht over
rechtsfeiten ‘sensu lato’ toepasselijke recht rechtsgevolgen (vaak
cumulatief)
Materiaalrechtelijke basis vereist (nooit uitsluitend over formeel recht)
eenmaal vordering is ingeleid, worden procesrechtelijke geschillen over
het geding toegevoegd
Recht spreken:
“Bouche de la loi” (Montesqieu) = de rechter schept geen recht, maar
maakt de precieze draagwijdte van de abstracte wet duidelijk in een
concreet geval
2
, Verbod op oppertuniteitscontrole: enkel marginale controle door de
rechter invloed bilijkheidsoordeel quasi altijd aanwezig, dus grens is
vaag
Verbod om bij wege van algemene en als regel geldende beschikking
uitspraak te doen (ART. 6 Ger. W.) aspect van scheiding der machten
Beslechten (‘trancher’): niet hetzelfde als oplossen!
Rechtszekerheid rechter beslist definitief wie van de partijen gelijk
heeft
Gevolg = uitputting van rechtsmacht + gezag van gewijsde (ART. 23-25
Ger. W.)
- Uitputting van rechtsmacht = impact van het vellen van een
eindbeslissing op de rechtsmacht van de rechter in dezelfde
rechtspleging
- Gezag van gewijsde = effect van het vellen van een eindbeslissing ten
aanzien van een rechter in een andere rechtspleging
Jurisdictionele functie: Beslechting van rechtsgeschil tussen
partijen
Geschil vereist: Tegenstrijdige aanspraken + juridische
relevantie
Niet-jurisdictioneel: Administratieve beslissingen
Criteria voor rechtspraak: 1. Is er een geschil?
2. Is het een rechtsgeschil?
3. Wordt het definitief beslecht?
Verbod op rechtsweigering: Rechter moet uitspraak doen (ART. 5)
Uitputting van rechtsmacht (ART. 19, lid 1 Ger. W.):
Begrip ‘eindbelissing’ impliceert dat rechter die de beslissing neemt er
niet meer op kan terugkomen doet rechter dat toch =
machtsoverschrijding
- Noch op verzoek van partijen, noch spontaan rechtsmacht is
uitgeput
- Uitzondering = vorderingen tot uitlegging of verbetering van
rechterlijke beslissing
Exceptie van rechtsmacht = partij vraagt aan rechter om terug te komen
op beslissing (tegenpartij zich hiertegen verzetten door exceptie van van
gebrek aan rechtsmacht)
Van openbare orde: bij gebrek aan exceptie moet rechter zich
ambtshalve verzetten
Gezag van gewijsde (ART. 23 Ger. W.):
Elke eindbeslissing heeft gezag van gewijsde = elke rechterlijke
beslissing die een juridisch geschilpunt beslecht
- Zelfs beslissing onbevoegde rechter of beslissing in kort geding
niet: beslissingen alvorens recht te doen (zijn immers nooit
eindbeslissingen)
3
, Reikwijdte: voorwerp van beslissing de noodzakelijke (evt. impliciete)
grondslag
Geen gezag van gewijsde indien beslissing contradictorisch
(tegenstrijdigheid)
Ongedaan maken door rechtsmiddel mogelijk gezag van gewijsde blijft
bestaan zolang beslissing niet ongedaan gemaakt (ART. 26 Ger. W.)
Toepassingsvoorwaarden:
- Gevorderde zaak is dezelfde (“voorwerp”) reikwijdte van gezag van
gewijsde
- De “oorzaak” is dezelfde (ongeacht de ingeroepen rechtsgrond)
- Tussen dezelfde partijen
- Door hen en tegen hen in dezelfde hoedanigheid
Bewijswaarde Exceptie
Rechterlijke uitspraak heeft bijzondere Rechter kan niet terugkomen op een
bewijswaarde eindbeslissing
Weerlegbaar vermoeden van Geldt per geschilpunt, zelfs al is voorwerp
rechtmatigheid ten aanzien van derden van de eis verschillend
Verhoogde bewijswaarde indien niet meer Ongeacht de ingeroepen rechtsgrond (!)
vatbaar voor verzet of hoger beroep
(= kracht van gewijsde)
Niet van openbare orde, dus niet
ambtshalve
Voorbeeld exceptie van gewijsde: A eist huurachterstal van B bij rechter X,
de rechter wijst de eis af. A eist dezelfde huurachterstal van B bij rechter Y. De
rechter Y kent de eis toe, dit is een miskenning van het gezag van gewijsde.
Voorbeeld onderscheid tussen exceptie van gewijsde en
machtsoverschrijving: A eist huurachterstal van B bij rechter X, de rechter
wijst de eis af. A eist dezelfde huurachterstal van B bij rechter X, en hij kent
deze eis toe. Dit is een probleem van machtsoverschrijding.
4