HOOFDSTUK 0 - INLEIDING
1 HET DOEL VAN DE ECONOMISCHE WETENSCHAP
We hebben allemaal veel behoeften (iets wat je mist en probeert weg te werken door het te bevredigen),
maar we hebben langs de andere kant een beperkt aantal middelen voor onze behoeften. Bv. we hebben
allemaal op een bepaald moment honger, maar om eten te kopen heb je een inkomen nodig.
Je gaat later niet oneindig veel verdienen. We gaan met die gegeven middelen zoveel mogelijk onze
behoeften proberen te bevredigen.
Economisch keuzeprobleem: de beschikbare (schaarse) middelen zodanig inzetten dat we een
maximale behoefte bevrediging bereiken.
Economisch beslissing: In bijna alles wat we doen, moeten we keuzes maken afhankelijk van ons budget
Economische principe: elk persoon die rationeel handelt moet volgens de graad van nuttigheid of
behoefte zijn waardeschaal opstellen afhankelijk van zijn subjectief nut.
1.1 BEHOEFTEN
De behoeftes zijn veelvuldig, maar de middelen zijn schaars. Behoeftes is het aanvoelen van een tekort en
het streven naar dit tekort weg te werken. Er zijn 5 behoeftes
• Primaire of levensnoodzakelijke (voedsel, kleren, dak boven uw hoofd). Deze behoeftes zijn bij
ons bevredigd omdat wij in een westerse ontwikkelde maatschappij leven
• Materiële (die gaan wijzen op de ontwikkeling) of immateriële (die eerder gaan wijzen op de
ontspanning)
• Collectieve of gemeenschappelijke dit zijn behoeften die een grote groep wilt, deze worden
meestal bevredigd door de overheid (bv. gratis openbaarvervoer)
• Individuele behoeftes iedereen streeft naar dat al zijn behoeftes bevredigd zijn maar die
individuele behoeftes zijn het bewijs dat het voor iedereen anders is
1.2 SCHAARSE MIDDELEN
Schaarse middelen zijn middelen waarover de consument beschikt om zijn behoeftes te voldoen, maar
die in beperkte mate beschikbaar zijn. Ons inkomen gaat ons hier beperken omdat we er een prijs voor
moeten betalen
Schaarse betekent niet dat iets zeldzaam is. Bv. Voeding, je kunt dit overal kopen, maar als de winkels dit
gratis zouden aanbieden, zou de voorraad snel opgeraken. Hierdoor ontstaat dus een
1
,‘waardeverschijnsel’ we moeten voor dingen geld betalen, met ons inkomen kunnen we dus niet aan al
onze behoefte voldoen.
Je hebt dat ook niet-schaarse middelen, hier is geen economische beslissing over. Bv. het zonlicht of de
warmte van de zon, gezonde lucht,… voor deze dingen moeten we op dit moment geen geld voor betalen
dus is er ook geen economisch keuzeprobleem
1.3 KEUZEPROBLEEM
Een keuzeprobleem is als je genoeg gespaard hebt voor op reis te gaan naar Zuid-Afrika, maar je eigenlijk
je auto hoort te vervangen. Je hoort dus te kiezen voor wat er op dat moment het nuttigst is en je dus een
maximale behoeftebevrediging bereikt = economisch principe
Dit is onvermijdelijk voor
• Gezinnen (moeten kiezen aan welke diensten en goederen ze hun inkomen gaan uitgeven)
• Bedrijven (werknemer kan niet gelijktijdig in de landbouw en in de dienstensector werkzaam zijn)
• Overheid (kan niet aan ontwikkelingshulp uitgeven wat ze aan defensie heeft besteed)
2 WELVAART EN WELZIJN
Welvaart is hoe goed de mensen met de beschikbare middelen hun behoeftes gaan kunne bevredigen.
Als we erin slagen die schaarste te verminderen zeggen we dat de welvaart is gestegen.
Welzijn gaat geen beslag legen op (schaarse)middelen omdat het een gevoel van geluk is. We kijken bij
welzijn naar de algemene kwaliteit van het leven. (vriendschap, liefde, gezondheid) behoort hier dus ook
onder.
3 SOORTEN GOEDEREN
We kennen 2 soorten goederen, de vrije goederen en de economische goederen.
De vrije goederen zijn het tegenovergestelde van schaarse middelen,, want deze zijn in de natuur zo
overbodig aanwezig dat we al onze behoeftes gaan kunnen bevredigen. Bv lucht
Economische goederen kennen terug een onderverdeling van schaarse en niet-schaarse goederen:
Zuiver individuele goederen: dit zijn dingen die 1 persoon kan gebruiken en waarvan het gebruik anderen
uitsluit. Het kent dus ook rivaliteit. Bv. een fiets
Zuiver collectieve goederen: dit zijn goederen waarvan het gebruik niet kan worden beperkt tot 1
persoon, en waarbij het gebruik door 1 persoon niet ten koste gaan van anderen. Bv. openbare plekken,
deze worden dan ook meestal voorzien door de overheid, politiediensten
Quasicollectieve goederen: dit zijn dingen die individueel worden geconsumeerd, maar waarvan het
gebruik beïnvloed kan worden door anderen. Het kent een gedeeltelijke rivaliteit en een niet-perfecte
uitsluitbaarheid. Vb. het onderwijs met leerplicht tot 18 jaar is een zuiver collectief goed wordt door de
overheid aangeboden maar moet je niet privé betalen.
2
,(hoger onderwijs = quasi collectief goed wordt door de overheid aangeboden maar moet je privé betalen)
verbruiksgoederen
consumptiegoederen
gebruiksgoederen
Economische
goederen
Vlottende
investeringsgoederen
investeringsgoederen
kapitaalgoederen
Consumptiegoederen: deze bevredigen meteen de behoefte. Ook hier kennen we een verdere
onderscheid verbruiks- en gebruiksgoederen.
• Verbruiksgoederen zijn goederen die je maar 1x kunt gebruiken -> niet duurzame
consumptiegoederen
• Gebruiksgoederen zijn goederen die je meerdere keren kunt gebruiken
Investeringsgoederen: ze dienen om andere goederen e kunnen produceren.
• Kapitaalgoederen zijn duurzame investeringsgoederen die langere tijd meegaan
• Vlottende investeringsgoederen zijn voorraden die niet duurzaam zijn van aard dus deze kun je
maar 1x gebruiken/verkopen
Het verschil tussen de consumptiegoederen en investeringsgoederen ligt niet bij de aard, maar bij het
gebruik van het goed.
4 CONSUMEREN VS. PRODUCEREN
Consumptie is het aankopen van economische goederen en diensten voor niet productieve doeleinden.
-> we kunnen het ook beschouwen als een functie van de prijzen en het beschikbare inkomen
Productie is het toevoegen van waarde aan de economische goederen. Productie komt tot stand door een
samenwerking van de productiefactoren:
• Natuur: omvat alle rijkdommen en is een leverancier van energie en grondstoffen
• Arbeid: omvat alle arbeidsprestaties waar de tijd van nu de geschoolde mensen het verste
geraken
• Kapitaal: het geheel van de door de mens geproduceerde productiemodellen. Ze dragen indirect
bij tot de uiteindelijke behoeftebevrediging.
5 DE METHODE
Er zijn 2 methodes
Inductieve methode: hier proberen we nieuwe ideeën te ontwikkelen door eerst naar specifieke
voorbeelden te kijken en dan algemene regels of patronen te vinden. Op basis van feitelijke gegevens
ontstaat een nieuwe wet
Deductieve methode: dit is wanneer we bestaande kennis, regels of theorieën gebruiken om specifieke
situaties te begrijpen. Door het ontwikkelen van wetten ontstaat een nieuwe wet
De beste resultaten krijgen we door een combinatie van beide methodes.
3
, 6 CETERIS PARIBUS CLAUSULE
We onderzoeken 1 gegeven, maar al de rest blijf hetzelfde -> het doel hiervan is reactie nagaan van het
wijzigen van die ene factor. Vb. prijs van een product wijzigen bij inkomen, voorkeur,…
7 MICRO- MESO- EN MACRO-ECONOMIE
Micro-economie: het gedrag van een individuele huishouding gaan bestuderen. Vb. een gezin die een
inkomen verdient en die gebruikt om te consumeren en te sparen of een bedrijf die produceert en
investeert
Meso-economie: het gedrag van een bepaalde soort huishoudingen gaan bestuderen. Bv. alle
bierfabrikanten in België
Macro-economie: het gedrag van alle soorten huishoudingen gaan bestuderen. Overheid, bedrijven en
gezinnen -> bv. nationaal inkomen, totale investeringen, totale consumptie van alle gezinnen,…
HOOFDSTUK 1 – DE CONSUMENTEN
1.1 DE KEUZE VAN DE OPTIMALE GOEDERENCOMBINATIE = EVENWICHT VAN DE
CONSUMENT
Economisch probleem: Als de consument zijn inkomen besteed wordt hij geconfronteerd me een bijna
onbeperkt aantal goederen en diensten waaruit hij moet kiezen.
Keuzeprobleem is een maximale behoeftebevrediging krijgen. Dit doet men door te zoeken naar de
optimale goederencombinatie
We hebben hier te make met de optimale keuze, dit is wanneer we een onbeperkte keuze hebben, maar
wel beperkte middelen hebben. Uiteindelijke keuze (van de optimale goederencombinatie) wordt bepaald
en beïnvloed door:
Niet-economische factoren
• Voorkeuren of preferenties
Economische factoren
• Prijzen van de goederen
• Beschikbaar inkomen
1.1.1 DE PREFERENTIES
De preferentie is volledig subjectief en afhankelijk van de eigen individuele voorkeur. De behoeftes van
een mensen worden bepaald door sociologische factoren (zoals de demografische kenmerken, hebben e
maken met het feit dat consumenten tot een bepaalde bevolkingsgroep horen) en door psychologische
factoren (we kijken naar de consument als persoon)
SOCIOLOGISCHE FACTOREN
Tot de sociologische factoren behoren alle invloeden die te maken hebben met het feit dat mensen, dus
ook consumenten, tot een bepaalde bevolkingsgroep behoren. Hiertoe rekenen we de invloed van:
4